Drugs Coffeeshops en scholen

Hippieachtig is uit

Met haar stringente coffeeshopbeleid loopt Den Haag al jaren landelijk voorop. De stad voerde als eerste een afstandsgrens tot middelbare scholen in. Met welk effect?

ALS JE EEN HAGENEES vraagt hoeveel coffeeshops er zijn is het antwoord steevast ‘eh, zo'n 150’. In werkelijkheid telt Den Haag er veertig. Maar de beeldvorming wordt bepaald door een concentratie van coffeeshops in twee wijken, de Weimarstraat en de Zeeheldenbuurt. Bovendien is het aantal verkooppunten van softdrugs de afgelopen vijftien jaar snel teruggelopen als gevolg van stringent beleid. De 'Haagse aanpak’ dient nu als landelijk voorbeeld.
'Ons beleid is succesvol’, zegt Gerben van den Berg, woordvoerder van burgemeester Van Aartsen (vvd) onder wie deze gevoelige portefeuille direct valt. 'Er is al jaren sprake van een beheersbare situatie.’ Daarmee wordt bedoeld dat de exploitatie van coffeeshops 'geen overlast en openbare-ordeproblemen’ veroorzaakt. Is die overlast dan anders dan die van cafés, waar dronken bezoekers zorgen voor gelal op straat, wildplassen, het molesteren van auto’s en winkelruiten of vechtpartijen? Van den Berg: 'Rondhangende jeugd die via bezoekers van coffeeshops aan softdrugs proberen te komen en overlast door blowen op straat. Daar klagen bewoners over.’
Overlast, het is de insteek geweest om in 1995 te starten met een streng coffeeshopbeleid. Alle 'recreatie_inrichtingen’ in Den Haag kregen een brief met het verzoek om aan te geven of er softdrugs werden verkocht. Er meldden zich destijds 136, dat aantal liep na een kwaliteitsbeoordeling terug tot 103, en twee jaar later naar 87. In 1997 werd de strategie verder aangescherpt met onder meer de invoering van het criterium van een afstand van vijfhonderd meter tussen verkooppunten van softdrugs en scholen voor voortgezet onderwijs.
Ook moest door de uitbater een keuze worden gemaakt tussen de verkoop van softdrugs of alcohol. Voor coffeeshops nabij lagere scholen ging het 'zichtveldcriterium’ gelden: een coffeeshop mag niet zichtbaar zijn vanuit de basisschool. In 2009 stelde de minister van Binnenlandse Zaken dat een landelijk afstandscriterium van 250 meter tussen scholen voor voortgezet onderwijs en coffeeshops 'kan worden aangehouden’. Dat nam Den Haag na enige aarzeling over.
Van den Berg: 'Op dit moment worden alle coffeeshops getoetst via de bibob. Doel daarvan is het beoordelen van de kwaliteit en integriteit van de coffeeshophouders. Dit betekent dus dat niet de ligging of het aantal coffeeshops -relevant is, maar de kwaliteit van de onderneming.’
Terwijl het rijk nog niet uit de nieuwe gedoogeisen is, werkt burgemeester Van Aartsen momenteel aan plannen om onder meer via de bibob-toets de overconcentratie in de twee wijken terug te dringen. Ook moet 'de uitstraling van de shops’ verbeteren. Zo moet vanaf de straat duidelijk zichtbaar zijn wat er binnen gebeurt. Dus geen geblindeerde ramen meer, om het beeld van een louche hol tegen te gaan. Daarnaast worden er nog meer kwaliteitseisen opgelegd, zoals een cursus 'signaleren van probleemblowers’ voor coffeeshop-medewerkers. Deze training wordt gegeven door psycho-medisch centrum Parnassia, dat ook in de coffeeshops spreekuur gaat houden over productinformatie waarbij wordt gewezen op de risico’s. Uit een recente studie van het Trimbos-instituut blijkt een direct verband tussen blowen en voortijdige schooluitval. Ook laat voortschrijdend wetenschappelijk inzicht zien dat softdrugs veel meer schade aan de hersenen veroorzaken dan altijd is gedacht.
Den Haag trekt al jaren de teugels flink strak. Maar de sluiting van nog meer tenten zal een negatief effect sorteren, menen bedrijfsleider Mark en manager Elkin van coffeeshop Cremers, gelegen op een steenworp afstand van Paleis Noordeinde. 'Straathandel en thuis-dealen keren dan terug, waardoor je als overheid minder zicht krijgt op de omvang van blowen en óók op het probleem. Met de invoering van de pasjeswet probeert de overheid over-matige gebruikers in kaart te brengen, maar zij zullen juist wegtrekken. Je loopt het risico dat softdrugs weer in de taboesfeer komen en de controle erop afneemt.’ Beiden zijn legaliseren, maar dat is muziek uit het verleden van de kabinetten-Paars, toen Nederland tegenover het buitenland trots was op haar softdrugsbeleid.
Elkin, die na zijn vwo-diploma en twee afgebroken studies hier een baan vond, zegt: 'De negatieve tendens in de politiek heeft ook te maken met de Europese regelgeving die ervan uitgaat dat softdrugs in tegenstelling tot alcohol per definitie slecht zijn.’
Cremers begon in 1980 onder de vlag van de Amsterdamse Bulldog en kreeg, toen het zoetjesaan verloederde, in 1990 'een doorstart’ als Cremers. 'Genoemd naar de deftige hoedenwinkel die hier in de jaren dertig zat’, vertelt Mark.
Het is een professioneel gerunde tent met een jaaromzet 'zoals van een bloeiend café’. Bij de deur hangen de huisregels: 'Niet andere mensen aanstaren’, en: 'Geen club- of bende-kleding dragen’. In het voorportaal vindt de verkoop van wiet plaats, wat is afgescheiden van het café-gedeelte waar alcohol wordt geschonken en mag worden geblowd - zonder tabak vanwege de tabakswet. Binnen zitten vroeg in de middag alleen maar jongens (boven de achttien jaar, 'er wordt hier streng gecontroleerd’) en mannen met rood doorlopen ogen te kletsen of een spelletje te doen. Mark: 'Er komen hier ook zieke mensen, zoals aids- en kankerpatiënten, die blowen tegen de pijn. De politiek vergeet dat we een sociale functie hebben. Mensen vinden hier even een rustpunt. Blowen maakt relaxt en niet agressief. Iedereen die hier werkt wordt al lang getraind in het herkennen van probleemblowen; mensen die te snel overgaan in een flashhold of te frequent en te zwaar blowen. Dat is nooit hét probleem maar een symptoom van een ander probleem dat door wiet wordt onderdrukt of verzacht.’
De paradox van coffeeshops, zeggen ze, is 'de achterdeur’. Mark: 'We mogen verkopen, we betalen gewoon belasting, maar we mogen formeel geen inkopen doen. Hoe dát geregeld moet worden weet de overheid zelf niet. Dus komen ze met een bibob-toets om de boel te kunnen sluiten. Maar wij zijn supertransparant. In de afgelopen jaren hebben we hier heel wat delegaties uit het buitenland over de vloer gehad. De primaire focus ligt nu op de openbare orde. Hoe zit het dan met cafés waar jongeren soms comazuipend uitrollen? Wij zijn een beetje hippieachtig. En dat is nu helemaal uit.’