Hipster van oorsprong

Vorige week, tijdens een literaire avond in Gent, duwde iemand mij een boek in handen. Voordat ik goed en wel in de gaten had wat er gebeurde, stond ik op de foto met het boek.

Ik heb dit soort dingen wel eerder meegemaakt: iemand klampt zich plotseling aan je vast en begint te vertellen over zijn/haar zojuist verschenen en in eigen beheer uitgegeven roman over kankerverwekkende straling van mobiele telefoons, een bomaanslag op de Haarlemse gemeenteraad, het duivelse complot van overheid, media en banken – wie zegt dat Nederland geen geëngageerde schrijvers kent?

Maar dit was iets anders. Ik bleek te maken te hebben met Els Snick, vertaler en hartstochtelijk pleitbezorger van Joseph Roth in het Nederlandse taalgebied. Het boek dat ik in handen kreeg geduwd was haar laatste vertaling: een verzameling portretten en reportages die Roth schreef als journalist tussen 1919 en 1939, onder de curieuze titel De blonde neger en andere portretten.

In de trein terug naar Nederland las ik het titelverhaal. Het gaat over Guillaume, een neger met blond haar en blauwe ogen, die Roth in 1923 ontmoet in de trein van Wiesbaden naar Koblenz. Ze raken in gesprek. Guillaume maakt deel uit van het Franse bezettingsleger ‘en is wat men noemt een vijand van Duitsland’. Hij spreekt perfect Duits, leest Goethe voor aan zijn kameraden en gebruikt de Zuid-Duitse groet Grüss Gott. Roth noteert: ‘Na een kwartiertje zag ik in dat deze neger niet alleen veel slimmer was dan Hitler uit de negerstam van de Opper-Oostenrijkers, maar dat hij zelfs een intuïtief veel sterkere verbondenheid had met de Duitse aard dan bijvoorbeeld een professor von Freytagh-Loringhoven of Roethe; dat deze neger Guillaume in de zuiverheid van zijn hart ver verheven was boven Dinters zogenaamde raszuiverheid en dat hij die blauwe ogen en dat blonde haar niet eens nodig had om Duitser te zijn.’ Bam! Daarom is Roth dus zo’n ongelooflijke schrijver: door heel precies te observeren ziet hij wat de details betekenen, hoe groot iets heel kleins kan zijn en vice versa.

Sinds de heruitgave in 2001 van zijn monumentale roman Radetzkymars heeft Joseph Roth zich langzaam maar zeker onttrokken aan de vergetelheid, om zichzelf in 2015, 76 jaar na zijn sterven, terug te vinden in het volle zonlicht, of beter gezegd: de warme gloed der cafélampen. Hij is in de mode, om niet te zeggen hip, om niet te zeggen hipster. Nu ben ik zelf geen hipster (zoals hipsters graag mogen zeggen, dus je weet het maar nooit met die ontkenningen), maar in de hipsterhuizen van mijn vrienden zie ik Roth’s boeken de laatste tijd steeds vaker rondslingeren. Zelf ontdekte ik hem vorige zomer, op een Grieks strand, waar ik, toepasselijk, in één ononderbroken sessie Vlucht zonder einde las, over de lotgevallen van de ontheemde officier van het Oostenrijkse keizerlijke leger Franz Tunda – overigens in de vertaling van Elly Schippers. Toen ik het na een paar uur dichtsloeg had de schemer ingezet en voelde ik, daar aan de rand van Europa, een opgewekte vorm van weemoed over mezelf neerdalen. Hipstergevoel bij uitstek, natuurlijk.

Misschien biedt Joseph Roth de hipster van nu een glimp van de oorspronkelijke hipster

In 1957 publiceerde Norman Mailer een essay getiteld The White Negro: Superficial Reflections on the Hipster. Mailer noemde de hipster van de jaren vijftig een ‘Amerikaanse existentialist’: iemand die, na de Grote Depressie, vlak na de Tweede Wereldoorlog en midden in de Koude Oorlog, doordrongen was van het besef van zijn eigen sterfelijkheid. De hipster was een rebelse nonconformist, die zijn mode en praktijk had afgekeken van de zwarte Amerikanen, en in het bijzonder van de jazzmuzikanten. Die wisten wat het was om je constant onveilig te voelen, ieder moment een willekeurige dood te kunnen sterven, altijd onderdrukt te worden door de heersende klasse.

Zo bezien is de hipster van het nieuwe millennium een afschaduwing van een afschaduwing. Hij heeft de beeldtaal van de jaren dertig overgenomen – met toevoeging van een tattoo, een fixie en een flexplek – maar de existentiële angst achter zich gelaten. Of beter gezegd: nooit gekend. Van ‘petty criminal’ is hij geëvolueerd tot cultureel ondernemer. Ethiek en esthetiek heeft hij ondergebracht in één filosofie van duurzame bedrijfsvoering, eerlijke producten en ambachtelijkheid.

Er is nostalgie, veel diepgevoelde nostalgie, maar waarnaar precies, dat weet niemand. En misschien schuilt daarin dan toch het – toegegeven, nogal beperkte – drama van de hipster: hij weet niet echt wat angst betekent, wat vrijheid is ten opzichte van onvrijheid, hoe het voelt om honger te hebben.

Misschien is Joseph Roth wel zo en vogue bij twintigers en dertigers omdat hij de hipster van nu een glimp biedt van de oorspronkelijke hipster: een ontheemde rebel, een zwerver zonder vaste verblijfplaats, een man die werkelijk existentieel drama heeft gekend. Als we Roth lezen begrijpen we hoe het voelt om gediscrimineerd te worden, hoe het ruikt in een volgepakte treincoupé, hoe het klinkt als een blonde neger genaamd Guillaume ‘Grüss Gott’ zegt. Als we Roth lezen, weten we even hoe het is om weemoedig te zijn met een reden.