H.L. Wesseling over de rol van de historicus

‘Historici zijn geen fysici’

De voormalig scriptiebegeleider van koning Willem-Alexander, emeritus hoogleraar H.L. Wesseling, verwondert zich erover dat historisch besef nauwelijks nog van waarde lijkt te zijn. ‘Drees voelde zich direct verbonden met de sociale kwestie uit de negentiende eeuw. Dat is nu wel anders.’

‘Wat het ook was, een opleiding was het zeker niet’, schrijft H.L. Wesseling in zijn memoires Zoon en vaderVader en zoon (2008) over zijn geschiedenisstudie in Leiden in de stille jaren vijftig. Het was het ancien régime van de professoren, die kwamen en gingen zonder zich druk te hoeven maken om onderwijsverplichtingen of publicatiedruk. De studenten, zoals Wesseling toen, moesten maar hun eigen koers varen. ‘Je werd eigenlijk geacht alles zelf te doen en geleidelijk aan door een of ander mysterieus proces als het ware vanzelf historicus te worden.’ Tentamens werden nog bij de hoogleraar thuis afgenomen. ‘Een afspraak voor een tentamen werd schriftelijk gemaakt door middel van een brief gericht aan de Hooggeleerde Heer, de Heer Prof. Dr. Zo en Zo. Telefoneren gold als onwelvoeglijk. Tijdens het tentamen offreerde de echtgenote van de hoogleraar koffie (met veel melk en vaak met vellen) dan wel thee, al dan niet met een mariakaakje, en de professor soms een sigaar.’

Wanneer je in Leiden vroeg waarom iets ging zoals het ging, was het antwoord: ‘Altijd zo geweest’, vertelt Henk Wesseling, emeritus hoogleraar algemene geschiedenis in Leiden, voormalig rector (‘maar niet magnificus’) van het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (nias) in Wassenaar, scriptiebegeleider van koning Willem-Alexander en auteur van een serie historische boeken die ver over de grens succes hebben.

Hij woont met zijn vrouw in wat waarschijnlijk het oudste gebouw van Oegstgeest is – bij de garderobe hangt een kaart uit de zeventiende eeuw waar het al op staat getekend, toen nog als bakkerij. Nu wordt het huis gedomineerd door boekenkasten, en de veelal Franse titels op de kaften laten in een oogopslag zien wat Wesselings onderzoeksgebieden zijn: de Franse culturele, politieke en militaire geschiedenis vanaf pakweg Napoleons Honderd Dagen en de laat-negentiende-eeuwse kolonisatie van Afrika. Over dat eerste onderwerp schreef hij redelijk recent nog twee veelgeprezen boeken (zijn De Gaulle-biografie De man die nee zei (2012) en Frankrijk in oorlog, 1870-1962 (2006)), over het tweede schreef hij de everseller Verdeel en heers: De deling van Afrika, 1880-1914, dat nu, 22 jaar na verschijning, nog steeds in druk is. Begin januari verschijnt een nieuwe essaybundel, Van toen en nu.

In Zoon en vader gaat Wesseling nog even door met zijn scepsis over de geschiedenisstudie: ‘Iemand die in Delft studeert (…) kan een brug bouwen die niet instort of een vliegtuig dat niet terstond neerstort, althans daar gaan wij vanuit. Medici kunnen zieke mensen beter maken, althans dat verwachten wij van ze. Juristen kunnen boeven in de gevangenis brengen of ze er juist uit houden. (…) Maar wat kan een historicus nu eigenlijk wat een niet-historicus niet kan? Dat is voor mij nog steeds niet erg duidelijk.’

Nu dan, een halve eeuw later: heeft hij nooit spijt gehad dat hij geschiedenis is gaan studeren?

Welnee, lacht hij. ‘Je kunt er koning mee worden.’

Hoewel hij inmiddels 76 is en soms wat broos kan ogen, is Wesseling als gesprekspartner niet anders dan als schrijver: scherp, to the point, met een ingehouden gevoel voor humor. Zijn geheugen werkt als een klok. De gesprekken met hem hebben de stijl waarmee hij beroemd is geworden: zijn antwoorden beginnen met een extreem simpele samenvatting – op de rand van simplisme – waar hij direct een gewichtig of illustratief citaat bij uit de lucht plukt. Het is een gesprek over het nut van geschiedenis, het nut van de historicus.

‘Het belangrijkste van de geschiedwetenschap is om de waarheid te zeggen’

Over zijn eigen academische prestaties spreekt Wesseling, zoals over het hele vak van de historicus, vooral met liefdevolle spot. Het is eerder een vorm van bescheidenheid dan sarcasme, zoals het ook bescheidenheid zal zijn als hij zegt buitengewoon lui te zijn, dat hij een hekel heeft aan archiefwerk en zelden iets opzoekt als hij schrijft. ‘Ik ben nooit zo’n goede zoeker geweest, archieven zijn vaak stoffig en vies.’

Henk Wesseling groeide op in Den Haag, op zeventig meter van de Koninklijke Bibliotheek. Zijn vader heeft hij nooit goed gekend, zoals hij meteen aan het begin van Zoon en vader schrijft: vader stierf toen hij tien was. Maar het was een man met een reputatie: C.D. Wesseling was onderwijzer, politicus en journalist. Hij schreef voor De Tijd en voor de Haagsche Post. Hij was een linkse katholiek, iemand die als een veelbelovend politicus werd gezien – totdat hij in het intens verzuilde Nederland in de problemen kwam met zijn huwelijk. Hij scheidde en trouwde met Henks moeder, een veel jonger meisje van gereformeerden huize. Tijdens de hongerwinter werd het laatste tafelzilver verkocht – Wesseling herinnert het zich als een tijd waarin er geen licht was en er niets leek te gebeuren. Na de oorlog hielp vader mee de Haagsche Post weer op poten te zetten, hij wilde zich werpen op wat hij het grote vraagstuk van zijn tijd vond, de toekomst van Nederlands-Indië, maar hij stierf al in 1947.

Hoe Wesseling junior was als schooljongen? ‘Ik ben bang dat ik heel goed was. Ik las alle klassieken, Stendhal, Flaubert, de Russen. Frans was toen nog een gewone taal om in te lezen, alhoewel ik ook veel Nederlandse literatuur las.’

Het geloof was in die tijd overal: thuis, op school, in het sociale leven. Overal liepen paters rond om het leven van de Wesselingetjes te begeleiden. Uit Zoon en vader: ‘Het waren jaren van tucht en orde en niet van: “U mag hier uw jas ophangen en u mag hier even plaatsnemen.” In de tram stond: “Niet roken”, “Niet spuwen”, “Niet spreken met de bestuurder”. Duidelijke taal, daar hield men van.’

Hij speelde bij de Haagse Comedie: ‘Ik had rollen als “Noor”, “Deen”, “Soldaat met lans”, ik was een van de soldaten die de kist met Ophelia van het podium moesten dragen, maar tekst had ik nooit. Al stond ik als figurant het langst op het podium, waardoor ik vanzelf vrijwel de volledige tekst van Hamlet uit mijn hoofd kende.’

De studie in Leiden doorbrak die verzuiling in zekere zin. Op de universiteit leefde de zogeheten civitasgedachte, een erfenis uit de bezettingstijd: voor de oorlog had je katholieke, gereformeerde, hervormde en neutrale studentenverenigingen, na de oorlog was bedacht dat de eenheid van de bezettingsjaren gehandhaafd moest worden en dus moesten de confessionele studentenverenigingen zich strikt beperken tot godsdienstige vorming. Voor gezelligheid dienden alle studenten lid te worden van het corps – wat Wesseling weigerde, nadat hij als zestienjarige zijn uitgemergelde en kaalgeschoren broer thuis had zien komen van diens groentijd.

Nog afgezien van de veel kleinere studentenaantallen en de grote vrijheid van de professoren – wat was inhoudelijk het verschil tussen de studie toen en nu?

‘Nu is veel Amerikaans georiënteerd. In die tijd was de Amerikaanse invloed klein, net als die van Duitsland of Engeland. Alles kwam uit Frankrijk. Dit was de tijd waarin de tweede generatie Franse Annales opkwam, onder historici als Fernand Braudel, die betoogden dat geschiedschrijving meer gebruik moest maken van andere wetenschappen, zoals sociologie en economie, en zich meer moest richten op de longue durée, de langetermijnontwikkelingen.’ Voorlopig had dat overigens nog niet veel invloed op de studie.

In De man die nee zei merkt u op dat de eerste naoorlogse jaren van Frankrijk desastreus waren, behalve op het gebied van film en filosofie. Werd u geraakt door denkers als Camus en Sartre?

‘Ik heb altijd een hekel gehad aan onnodige woorden, aan meer woorden dan strikt noodzakelijk is’

‘De existentiefilosofie heb ik uitvoerig bestudeerd maar ze raakte mij niet persoonlijk, zoals ik ook veel van en over Marx heb gelezen zonder dat zijn werk mij beïnvloedde. De enige filosoof die me beïnvloed heeft, is Benedetto Croce. Zijn idee over het begrip “historische noodzakelijkheid” en in zijn voetspoor Collingwoods theorie over historische verklaringen hebben mij geraakt.’

U bent veel geprezen als een van de weinige historici die aantrekkelijk kunnen schrijven voor een groter publiek. Heeft u dat toen geleerd?

‘In mijn proefschrift citeerde ik Presser die over de Spaans-Amerikaanse Oorlog schreef dat het “een leuke ja lekkere oorlog” was. Dat moest er van Schaper uit. “Maar het zijn zijn woorden, Presser heeft het geschreven!” wierp ik tegen. Nu goed, vond Schaper, het mocht erin blijven staan zolang ik erbij zette “schreef Presser op bitter-ironische wijze”. Dat heb ik met tegenzin gedaan. Het was de laatste keer dat ik heb geschreven wat een lezer moest denken van wat hij had gelezen.’

Hoe belangrijk is stijl voor u?

‘Ik heb altijd gestreefd naar twee dingen. Ten eerste: mijn lezers niet mijn mening opdringen. Ik heb een hekel aan onnodige oordelen. Ten tweede heb ik altijd een hekel gehad aan onnodige woorden, aan meer woorden dan strikt noodzakelijk is. Ik schrijf alles met de pen, nog steeds, en dat is op zichzelf al een goede reden om nooit te veel te schrijven. Mijn stijl? Mijn vertaler, een heel goede Zuid-Afrikaanse auteur die het niet meer kon verdragen om onder de apartheid te leven, noemde mijn stijl crisp. Daar was ik wel tevreden over.’

Na zijn afstuderen in 1961 werd Wesseling zeeman op een vrachtschip naar Zuid-Amerika (‘een notoire slingerbak – zelfs de kapitein werd zeeziek’), keerde terug naar Nederland, trouwde, werd docent, totdat hij gevraagd werd door B.W. Schaper (‘een buitengewoon voorzichtig man: hij heeft nooit in zijn leven een afgerond cijfer gegeven’) of hij zijn scriptie niet wilde uitwerken tot een proefschrift. Ook dat was hoofdzakelijk een didactische aangelegenheid: ‘Schaper belde eens per jaar, op 3 of 4 januari, om te vragen of het lukte, of ik een beetje opschoot. “Ach ja”, zei hij dan zelf al. “Je hebt het vast te druk met andere zaken.” Zo ging het ook toen hij me vroeg of ik aan de universiteit wilde komen werken: hij had er alle begrip voor als ik wel iets beters te doen had.’

Wanneer je met Wesseling spreekt over zijn verdere carrière als professioneel historicus blijft die toon even laconiek, met de suggestie dat alles hem kwam aanwaaien – het hoogleraarschap, verblijven aan prestigieuze instellingen als Princeton, een ‘Hollands Dagboek’ in NRC Handelsblad. Over zijn succesvolle boeken en essaybundels benadrukt hij dat hij ze vooral schreef omdat de uitgeverijen (hoofdzakelijk Mai Spijkers van Prometheus/Bert Bakker) achter hem aan zaten. Of zoals hij het in Zoon en vader stelt: ‘Voor mij geldt wat Isaiah Berlin over zichzelf heeft gezegd: I am like a taxi, I have to be hailed.’

Dacht u als beginnend professioneel historicus al na over de rol die de historicus moest hebben?

‘Het belangrijkste van de geschiedwetenschap is om de waarheid te zeggen. Dat is de hoofdtaak van de historicus, dat vond ik toen al. Zoals Cicero zei: “Niets zeggen dat niet waar is, niets niet zeggen dat waar is.” Als het gaat over fouten uit het verleden, is het de taak van de historicus om de zaak uit te leggen, eventueel een afgewogen oordeel te geven. Het is de taak van het publiek om daar een plek aan te geven in het nationale debat.’

‘Wanneer je geen bruikbaar verleden meer hebt, is dat slecht voor de coherentie van een land’

En speelt geschiedenis nog dezelfde rol in dat nationale debat?

‘Het probleem is dat weinig mensen nog voelen dat wij als Nederlanders een verleden delen. Het wegvallen van dat gevoel impliceert dat de grote tegenstellingen binnen de natie ook niet meer veel betekenis hebben. En die tegenstellingen waren ooit immens. Als schooljongen ging ik ’s nachts met mensen van de parochie op pad om samen de Martelaren van Gorcum te herdenken. We lazen een geschiedenisboek dat als motto droeg “Wij eisen ons verleden op”. Er was de katholieke leus “Wij hebben ook een Patrimonium!” Sommige protestanten zeiden dat de katholieke kerk de grootste criminele organisatie ter wereld was en dat de katholieke vruchtbaarheid het grote nationale vraagstuk van de toekomst was. En toch stond die heftige verzuiling het gevoel van een nationaal, gedeeld verleden niet in de weg. De protestanten, katholieken, socialisten en liberalen voelden zich allemaal Nederlander en wilden allemaal aanspraak maken op het Nederlandse verleden. Organisaties als de sdap of de arp ontleenden hun bestaansrecht aan het verleden. Drees voelde zich nog direct verbonden met Marx en de sociale kwestie uit de negentiende eeuw. Dat is nu wel anders. Het is een paradox, eigenlijk: het wegvallen van die verzuiling zou moeten betekenen dat het verleden makkelijker te delen wordt, maar dat is in de praktijk niet zo.’

Is dat problematisch?

‘Het is een probleem, want er is duidelijk vraag naar een gedeeld nationaal verleden. We zijn heftig bezig het uit te vinden. Het Nationaal Historisch Museum, de Canon-commissie, de commissie-De Rooy, de Kamerbrede motie Verhagen-Marijnissen. Die pogingen onderkennen dat er een gevoel van gemeenschap nodig is. Partijen als de pvv en de sp beroepen zich op Nederlandse normen en waarden, maar om te bepalen wat Nederlandse normen en waarden zijn, zul je eerst moeten bedenken wat nu typisch Nederlands is. Dat is een historiografische vraag. Er is behoefte aan wat Peter Burke een usable past noemde, een bruikbaar verleden. Als je dat niet meer hebt, is dat slecht voor de coherentie van een land. Er wordt nu meer belang gehecht aan de herinnering dan aan de geschiedenis. Dat is wat Pierre Nora mémoire versus histoire noemde.’

Hoe zijn we dat nationale verhaal kwijtgeraakt?

‘Ik denk dat vanaf de jaren zestig, zeventig er een paradoxale mythologisering en ontmythologisering van ons nationaal verleden heeft plaatsgevonden, die met twee sleutelmomenten in de Nederlandse geschiedschrijving te maken hebben, die haaks op elkaar staan. Het eerste is het werk van Loe de Jong over de bezetting, en dan met name zijn tv-uitzendingen. Ik heb me altijd verbaasd over hoe invloedrijk De Jongs tv-serie was: hij heeft het beeld geschapen dat decennialang de heersende visie op de Tweede Wereldoorlog werd. Het was het beeld dat Nederland een onschuldig volk was, wreed overvallen, dat zich na enige weifeling in het eerste oorlogsjaar heldhaftig als één man in het verzet verenigde tegen de bezetter. Er zijn weinig landen in Europa waarin je zó sterk die mythevorming over de Tweede Wereldoorlog ziet.

Maar dat beeld staat haaks op het tweede sleutelmoment, namelijk dat van onze koloniale geschiedenis en de indertijd redelijk recente koloniale oorlogen. We waren niet bereid te luisteren naar verhalen over de misdaden die daar door ons leger werden begaan, omdat we met ons hoofd nog in de bezettingsgeschiedenis zaten. Duitsers waren SS’ers, SS’ers pleegden oorlogsmisdaden – dus als Nederlanders in Indië oorlogsmisdaden hadden gepleegd, dan waren ze net zo erg als SS’ers. Dat idee was ondenkbaar. Vanwege ons beeld op ’40-’45 was het onmogelijk om een afgewogen beeld te hebben op ’45-’49.’

Inmiddels zijn de rollen omgedraaid. Ons oorlogsverleden is, op z’n best, grijs. Er wordt meer aandacht dan ooit besteed aan de moordpartijen op bijvoorbeeld Rawagadeh.

‘Het is terecht dat we nu spreken van een dekolonisatie-oorlog in plaats van het eufemistische “politionele acties”. Het is goed dat we het bij de naam noemen, dat oorlogsmisdaden zoals die van mijn bijna-naamgenoot Westerling worden erkend, dat waar mogelijk nabestaanden schadevergoedingen krijgen. Maar tegelijkertijd krijgen deze zaken op dit moment zoveel nadruk dat ons hele koloniale verleden enkel nog in dat licht wordt geplaatst: als een misdaad die nog altijd moet worden rechtgezet.’

‘Als je de holocaust wilt begrijpen, kun je beter Hitler, Himmler en Eichmann bestuderen dan de joden’

Het lijkt alsof er zo steeds vaker over geschiedenis gesproken wordt: als iets wat rechtgezet dient te worden. Bijvoorbeeld het koloniale verleden.

‘Besef dat “kolonialisme” een vaak verkeerd gebruikt woord is. Ik denk dat je voor de negentiende eeuw niet van kolonialisme kunt spreken – dat was handel. Zeker wat Azië betreft. Zoals ik het zie begint het hele verhaal met Columbus en Vasco da Gama. Fernard Braudel heeft mooi gezegd dat Europa voor een keuze stond, namelijk kiezen voor Azië, waar de rijkdommen als het ware voor het grijpen lagen – de specerijen, de zijde – of kiezen voor de Nieuwe Wereld, waar landbouw, mijnbouw dan nog helemaal ontwikkeld moesten worden. We kozen aanvankelijk voor Azië, waar de handel, de uitbuiting en de exploitatie heel direct plaatsvonden. Het idee dat de voc daar heerste, de bevolking naar zijn hand zette, is feitelijk onzin. De voc leefde in Azië van contracten met de plaatselijke heersers. Pas in de negentiende eeuw zie je wat nu zo gehekeld wordt, dat wat de Fransen mise en valeur noemen, wat wij Nederlanders de ethische politiek noemen. Dat is het moment waarop de Europeanen zich heel nadrukkelijk gaan bemoeien met de interne zaken van de koloniën.’

De slachtoffers van dat kolonialisme zijn een steeds grotere plaats gaan innemen in de geschiedschrijving. Staat dat ook niet de eenduidigheid van het nationale verhaal in de weg?

‘Ranke, Michelin en ga zo maar door: allemaal historici die nationale geschiedenis probeerden te schrijven, die toonaangevend waren in hun tijd. Bij hen stond de staat vóór individuele groepen, en die hadden dus niet een apart verhaal nodig. De staat als objectieve eenheid is later ter discussie gesteld, maar het lijkt mij niet de weg om iedere groep zijn eigen aparte verhaal te geven binnen het grote verhaal. Mijn standpunt is altijd geweest dat je bij geschiedschrijving in de eerste plaats kijkt naar de beslissingsnemers en niet naar degenen op wie de beslissingen betrekking hebben. Als je de holocaust wilt begrijpen, kun je beter Hitler, Himmler en Eichmann bestuderen dan de joden. Hetzelfde geldt voor Afrika: de geschiedenis van de deling van Afrika is bepaald door de Europeanen. Natuurlijk zijn er ook heel goede boeken over de lotgevallen van de joden, of de Afrikanen, maar dan heb je het over een andere vorm van geschiedschrijving.’

Maar de slachtoffers eisen rechten op aan de hand van die nieuwe geschiedschrijving. Er is een luid koor dat roept om, bijvoorbeeld, herstelbetalingen voor de slavernij.

‘Het valt me op dat de Nederlandse overheid zorgvuldig haar woorden kiest over het slavernijverleden, want als er reparatiebetalingen plaatsvinden voor de slavernij zal de overheid de betalende partij moeten zijn. Er wordt niet gesproken van “schuld”, maar wel van “een fout” en “spijt”. Bij het slavernijmonument sprak minister Asscher van “berouw”. Nu weet ik niet hoe groot zijn kennis van de katholieke leer is, want dan zou hij weten dat berouw deel is van de biecht, net als belijdenis en uiteindelijk: voldoening. Maar hoe gaat die voldoening eruitzien?’

In schadevergoedingen voor de nabestaanden?

‘Schadevergoeding is wat betreft slavenhandel een merkwaardig iets. Je moet beseffen dat slavernij bij ons zo laat is afgeschaft omdat slaven juridisch gezien wetmatig bezit waren. Als de overheid dat wilde afschaffen, diende de staat dus compensatie te betalen aan de eigenaren en de Nederlandse belastingbetaler had vanzelfsprekend geen zin daarvoor op te draaien. Uiteindelijk is het toch gedaan, maar de ironie wil dat dit werd betaald uit de “Indische Baten”: geld dat uit het Cultuurstelsel in Indonesië kwam. Dat wordt nu gezien als een van de grootste schandalen uit de Nederlandse geschiedenis.

Het zijn alleen vanuit praktische kant moeilijke vraagstukken. Want wie zou ze moeten betalen? Je zou denken: degenen die ze verkochten, degenen die ze transporteerden, degenen die ze kochten. In omgekeerde volgorde: de particuliere plantagehouders die de slaven kochten kunnen geen herstelbetalingen doen – die zijn dood. De West-Indische Compagnie verhandelde de slaven – maar de wic bestaat niet meer. En dan de mensen die de slaven leverden, want besef wel dat de wic niet de binnenlanden van Afrika in trok om de slaven te verzamelen, die werden als het ware keurig op de stoep afgeleverd door rivaliserende Afrikaanse groepen. In Afrika wordt er daarom ook liever niet gesproken van herstelbetalingen. Ik bezocht in Ghana ooit een oud fort dat gebruikt werd voor zulke slavenhandel en daar was men niet heel happig met het uitleg geven over het verleden, omdat de ene bevolkingsgroep ooit de andere de slavernij in had geholpen.’

Mist u historici die dat nationale debat over zulke vraagstukken kunnen sturen?

‘De rol van de historicus is veranderd. De rol van het hele academische bestel is veranderd, met verkeerde eisen aan de historicus. Het draait nu vooral om drie vragen: hoe krijg je een baan, hoe houd je je baan en hoe maak je carrière als je een baan hebt? Dat is heel anders dan vroeger. Nu worden historici gedwongen te doen alsof ze fysici zijn. Die werken aan precies dezelfde zaken in Nederland als in Sydney en Tokio. Dat doen historici niet.

Het is bizar dat een historicus in het Engels moet schrijven om een baan te krijgen in Nederland, om geschiedenis te kunnen geven aan Nederlandse studenten. Al is het alleen al omdat je woordenschat te klein is en de hele dimensie van spelen met taal, toespelingen, verborgen citaten, betekenis en ironie verloren gaat. Maar waar je het bij nationale vraagstukken eigenlijk over hebt is de historicus als publiek intellectueel – en helaas moet ik concluderen dat die rol voor de professionele, universitaire historicus nauwelijks meer is weggelegd.’

Beeld: Joost van den Broek / HH