Hoofdcommentaar

Historisch pamflet

Van alle menswetenschappen is geschiedschrijving niet de meest wetenschappelijke wetenschap. Kun je in de economie iets aantonen met een intelligente rekensom, in de geschiedenis heeft het historisch materialisme niet geleid tot serieuze cliometrie, geschiedschrijving op mathematische basis. Geschiedenis is een wetenschap waarmee je niet alles kunt bewijzen wat in je kraam te pas komt. Dat Pim Fortuyn in een tv-spelletje is gekozen tot grootste Nederlander aller tijden zegt niets over de geschiedenis, hooguit iets over het heden.

Toch wordt sinds Fortuyn ook in Nederland de geschiedenis vlijtig geïnstrumentaliseerd voor politieke doeleinden. Toegegeven. Niet zo bont als de Serven het maakten met de slag op het Merelveld (1389) om de Kosovaren zes eeuwen later bewapend met een historisch alibi een kopje kleiner te maken. En niet zo onbehouwen als het Franse parlement de Armeense genocide inzette voor de eigen electorale campagne. Maar de geschiedenis als politiek wapen rukt wel op. Toen het verlangen naar een historische canon vijf jaar geleden opdook, was er voor de slavenhandel door de West-Indische Compagnie nog oog. Nu wordt door de nationaal-liberale beweging de vraag opgeworpen of begrip voor Suriname en de Antillen wel nodig is, omdat de ‘negers’ daar toch onmiskenbaar beter af zijn dan in pakweg Liberia.

Nog pijnlijker is dat ook in de betere kringen het historisch denken soms ondergeschikt wordt gemaakt aan het actuele bewustzijn. Zo schreef NRC Handelsblad in september in een hoofdredactioneel commentaar over de Armeense kwestie en de Nederlandse politiek, waarin de krant zich goddank uitsprak tégen het verbod op genocide-ontkenning dat Frankrijk in de maak had, het volgende: ‘Onderzoek is niet meer nodig naar de massamoord van de Turkse regeringen op de opstandige Armeniërs in 1915.’ Het kan niet waar zijn. We weten genoeg van Stalin, Hitler, Mussolini, Mao en Pol Pot? Laat Soeharto, Pinochet, Videla, Milosevic maar rusten? Vergeet Van Heutz en Westerling? ‘Geschiedenis is een discussie zonder einde’, zei de historicus Pieter Geyl ooit. Eerder een gebed zonder einde, dacht de _NRC-_commentator vermoeid.

Maar toen werd het maandag 16 oktober en kwam de nationale canoncommissie onder leiding van professor Frits van Oostrom met haar rapport Entoen.nu. Een verademing. Het eerste goede nieuws van de week.

De samenstelling van de commissie, die bestond uit wetenschappelijke en pedagogische vaklui mét gevoel voor humor, was op voorhand natuurlijk geruststellend. Maar de opdracht om in het verleden een nationale identiteit voor de toekomst te munten, en meer nog het overspannen klimaat waarin die opdracht een half jaar na de moord op Theo van Gogh werd verstrekt, gaf aanleiding te vrezen dat het een strijd bergopwaarts zou worden om de vlag van de geschiedschrijving hoog te houden. Ten onrechte, die vrees. Het ruim honderd pagina’s tellende rapport is een puntgaaf antwoord op de aloude vraag: ‘What is history?’

Eerst wordt het idee dat de jeugd steeds dommer wordt naar de geschiedenis verwezen. Vervolgens wordt vastgesteld dat de meeste parlementariërs, die bij een befaamde quiz tien jaar geleden Willem van Oranje bij Dokkum lieten vermoorden, in de ‘vermeend gedegen jaren’ vóór de Mammoetwet naar school waren gegaan. Waarna het echte werk over de volle breedte losbarst. De sceptici krijgen ten dele gelijk. Een canon ‘kruisbestoven met nationale trots’ heeft een ‘hoop geschiedvervalsing’ opgeleverd. ‘Hollandocentrisme’, gepaard met ‘blinde vlekken en geniepige uitsluitingsmechanismen’, is vragen om ‘gezichtsbedrog’. Bij de inburgering van migranten zou een canon zeker van pas kunnen komen, hoewel de ‘broze canonkennis een probleem is van alle Nederlanders’ (zie de enquête van tien jaar geleden). Maar ‘als tweespan met veronderstelde Nederlandse identiteit lijkt de canon inderdaad een slechte keus’, aldus de commissie.

En dan slaat de commissie onverhoeds een andere weg in. Een canon kan ook nuttig zijn. Niet om de ‘zorg omtrent het huidige geestelijke klimaat’ te bezweren, maar als ‘basaal leerdoel’ naast euclidische meetkunde en het periodiek systeem. Zo’n canon is geen ‘urnenwand’, afgedwongen per decreet, noch een rechtvaardiging van de huidige ‘roep om culturele dijkbewaking of knorrige kennisrestauratie’. Een levende canon biedt gewoon een verzameling referentiepunten voor kennis én schoonheid, die continu aan verandering onderhevig zijn. Niets meer, maar vooral ook niets minder.

De ‘vensters’ die de canoncommissie in een apart boekje opent, liggen dus voor de hand. Niet alleen hulde aan Opstand, Gouden Eeuw, Vincent van Gogh en Welvaartsstaat, maar ook reflectie op de trage democratisering ná Thorbecke, de nog tragere emancipatie ná Aletta Jacobs, de eindeloos trage afschaffing van de slavernij in 1863 en de ‘zogenoemde politionele acties’ in onze koloniale oorlogen. Zelfs over de pegels heeft de commissie nagedacht. ‘Engeland waardeert een opleiding in, bijvoorbeeld, geschiedenis of classics bij degenen die nadien bankier of advocaat worden, terwijl in de Romaanse culturen intellectuele bagage bij leidinggevenden soms wel een sine qua non lijkt’, stelt ze jaloers. Een canon vormt dus ‘cultureel kapitaal met potentieel zeer grote rendementen’.

De canoncommissie heeft zo een hoogwaardig en bij vlagen vrolijk rapport geschreven tegen de politieke cultuur om de VOC te bezingen in een debat over de begroting voor 2007, tegen de cultuur van vóór en ná de omwenteling waarbij politiek correct incorrect werd en omgekeerd. Het is eigenlijk een pamflet tegen een neoliberale cultuur, waarin louter financiële prikkels mogen bestaan en doelloos lezen als een vorm van landverraad wordt bestempeld.

Maar nu de volgende stap. Waarom stort de canoncommissie zich niet op de komende verkiezingscampagne? Want het idee dat kennis te koop is en kunst een luxe is veel dominanter dan de apologeten van fatsoen durven toe te geven. Die barricade moet eens bestormd worden. Opdat geschiedenis een maatschappelijke faculteit wordt, waaraan politici van welke huize dan ook niet meer onbeschaamd hun vingers durven branden.