Historische documenten als bron voor literatuur

De tentoonstelling ‹De bron› in de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief toont materiaal dat een vijftal auteurs heeft geïnspireerd bij hun werk.

Soms ís het verleden er gewoon even. Dan geeft een document of voorwerp je het gevoel dat je gedurende een flits rechtstreeks in contact met het verleden staat. Zo vond ik in het huis van mijn oma een verweerd doosje met waxinelichtjes van Verkade, met daarin een waardebon voor het album Onze groote rivieren, die geldig was tot 1 september 1939. De combinatie van die vergeelde klontjes was en die datum, de dag dat de Duitsers Polen binnenvielen, zorgde ervoor dat plotseling een heel tijdvak voor me opdoemde. Een sobere en sombere tijd waarin de oorlogsdreiging voelbaar was maar de meeste mensen hun angsten trachtten weg te redeneren en zich vastklampten aan elke strohalm die vrede leek te garanderen. Omdat dit doosje met theelichtjes zelfs de hongerwinter heeft overleefd, moet mijn oma flink hebben gehamsterd. Ze zal dus niet helemaal gerust zijn geweest toen Chamberlain in september 1938 «peace in our time» beloofde. Gedurende een moment had ik het gevoel dat ik het verleden kon aanraken. Huizinga heeft dit de «historische sensatie» genoemd, een «bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mijzelf te wezen, van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen der dingen, het beleven der Waarheid door de historie». Zo’n sensatie is heel vluchtig en niet te herhalen, maar kan je wel stimuleren om je in een bepaalde periode te verdiepen.

De laatste jaren verschijnen er veel boeken, romans en non-fictie waarin getracht wordt het verleden op te roepen. De auteurs van deze werken zijn op de een of andere manier gegrepen door een persoon, gebeurtenis of moment uit de geschiedenis en hebben vervolgens onderzoek gedaan. De tentoonstelling De bron, een tijdelijke expositie bij «De verdieping van Nederland» (de vrij toegankelijke verbindingsetage tussen de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief die een permanente expositie van topstukken uit beide instellingen herbergt), toont een deel van het materiaal dat een vijftal auteurs heeft geïnspireerd.

Behalve aan vier historische romans wordt ook aandacht besteed aan Annejet van der Zijls bestseller Sonny Boy, over de relatie tussen een jonge Surinamer en een oudere, getrouwde Nederlandse vrouw in de jaren dertig en veertig. Naast een fotoalbum wordt ook het gastenboek van hun pension getoond. Een aantekening van een Duitse soldaat die van februari tot oktober 1941 ingekwartierd was in pension Walda: «Ich habe mich hier (…) wie zu Hause gefühlt. Schade dass ich fort müss, aber die Pflicht ruft.» Daarnaast ligt het verslag dat de Nederlandse jodenjager Maarten Spaans schreef over de inval in het pension in januari 1944. Omdat de Nederlandse agenten hier enkele ondergedoken joden en een gedeserteerde SS’er aantroffen, werden Rika en Waldy gearresteerd.

Deze twee documenten confronteren de toeschouwer met feiten die hij wellicht wel kent, maar die doorgaans in het beeld dat hij van de oorlog heeft niet de boventoon voeren: veel Duitse soldaten gingen op een normale wijze om met de inwoners van het land dat ze bezetten, sommigen wilden niet langer een misdadig regime dienen, en een groot deel van de joden is opgepakt of aangegeven door op geld beluste Nederlanders. Van der Zijl heeft deze documenten kunnen gebruiken voor een verhaal dat sowieso al afwijkt van de doorsnee Nederlandse oorlogsgeschiedenis.

Omdat Van der Zijl non-fictie schrijft kan ze zich in haar omgang met het documentatiemateriaal niet al te veel vrijheden veroorloven. Voor de romanschrijvers ligt dat natuurlijk anders. In de vitrine die is gewijd aan Hella Haasse’s Heren van de thee zien we een boek met kopieën van brieven van een van de hoofdpersonen uit dat boek, Rudolf Kerkhoven. Het boek ligt opengeslagen bij zijn beschrijving van de uitbarsting van de Krakatau in 1883. Deze brieven zijn doorgaans zo levendig en precies dat Haasse ze vaak letterlijk heeft geciteerd. In haar boek citeert ze tevens uit het dagboek van Kerkhovens echtgenote, Jenny Roosegaarde Bisschop, maar dit heeft ze van a tot z moeten verzinnen, aangezien een dergelijk dagboek niet bestaat. Hier maakt Haasse dus gebruik van haar artistieke vrijheid. Het is aan haar vakmanschap en onderzoek naar andere bronnen te danken dat de lezer niet merkt dat het ene citaat verzonnen is en het andere authentiek.

Ook Mike Dash en Johan Fabricius, die beiden de scheepvaart uit het begin van de zeventiende eeuw tot onderwerp hebben genomen, moesten in Batavia’s Graveyard en De scheepsjongens van Bontekoe het meeste «invullen». Beiden konden gebruikmaken van eigentijdse bronnen – zo zijn de doodvonnissen van de muiters van de Batavia te zien, evenals vroege edities van het scheepsjournaal van Bontekoe – maar de ervaringen en gedachten van de hoofdpersonen zijn toch volledig voortgekomen uit de verbeeldingskracht van de schrijver. Waarschijnlijk doordat Fabricius (1899-1981) ook veel kinderboeken heeft geschreven, heeft hij zijn leven lang te horen gekregen dat hij een «verteller» was en geen «echte», «scheppende» romanschrijver. In de vitrine wordt zijn ietwat verongelijkte verweer geciteerd: «Als je levendige figuren neer kunt zetten, is dat dan vertellen of scheppen? Volgens mij is dat scheppen.»

Het blijft een problematisch onderscheid, die scheiding tussen «vertellers» en «romanschrijvers», tussen lectuur en literatuur. Zelf heb ik sommige boeken van Fabricius – naast uiteraard de meesterlijke Scheepsjongens ook De oorlog van de kleine paardjes – met heel wat meer plezier gelezen dan de geparfumeerde, uitdrukkelijk literair bedoelde boeken van Arthur Japin. Aan diens De zwarte met het witte hart is eveneens een vitrine gewijd. Over de kwaliteit van dat boek valt natuurlijk te twisten, maar het is wel gebaseerd op uniek en fantastisch materiaal. Tentoongesteld is onder meer de brief die de geassimileerde Kwasi eind 1849 schreef aan koning Willem III, en waarin hij schrijft dat hij niet terug wil naar de kust van Guinee. Daar zal hij immers «verlaten [zijn] van alle beschaving, te midden van mensen, zeden, gewoontes (…) waaromtrent ik de hoogste graad van afkeer heb». Minstens even schrijnend is het einde van de andere jongen, Kwame, die wel graag terug wilde. In de vitrine ligt een ambtsbericht van de Nederlandse gouverneur in Guinee, die meldt dat Kwame zich in fort Elmira verhangen heeft.

De documenten die op deze expositie te zien zijn kunnen inderdaad zorgen voor een historische sensatie, al zal die zich eerder voordoen wanneer men er niet op bedacht is, wanneer men op zoek is naar iets anders. Bovendien vormt zo’n vitrine een natuurlijke barrière. Dat neemt niet weg dat oude documenten voor schrijvers bijzonder inspirerend kunnen zijn, vooral wanneer men die daadwerkelijk kan aanraken.

Nu zijn de papieren die hier getoond worden al «verwerkt» tot literatuur en is de tentoonstelling niet zo indrukwekkend dat men er per se voor naar Den Haag moet reizen. Toch kan het voor auteurs die op zoek zijn naar een onderwerp voor een historische roman lonend zijn hier een kijkje te nemen. In ieder geval is de permanente tentoonstelling van topstukken uit de Koninklijke Bibliotheek en het Nationaal Archief de moeite zeker waard. Alleen al deze «Verdieping van Nederland» biedt heel wat inspiratie.

Wat bijvoorbeeld te denken van de originele akte van de Vrede van Münster uit 1648. Wie al die handtekeningen en zegels ziet, verlangt onmiddellijk naar een roman over dit moeizaam tot stand gekomen vredesverdrag tussen de Republiek en de koning van Spanje. Je ziet ze meteen voor je: de tot machteloosheid gedoemde Philips IV, de arrogante Spaanse onderhandelaars, de eigenwijze vertegenwoordigers van de diverse Nederlandse gewesten, en bijvoorbeeld een Duitse huurlingengeneraal die zijn broodwinning in gevaar ziet komen. Een beetje schrijver kan heel wat intriges bedenken en deze gebruiken om een schitterend tijdsbeeld neer te zetten.

Dat geldt ook voor de wet waarmee in 1870, na zeer langdurige en heftige debatten, in Nederland de doodstraf werd afgeschaft, of het prachtig gekalligrafeerde handelsverdrag met Algerije uit 1707.

Mijn absolute favoriet is de vitrine met drukproeven van de Statenvertaling. Deze in 1637 gepubliceerde bijbelvertaling heeft binnen het Nederlandse protestantisme drie eeuwen lang een absoluut gezag gehad. Vrijwel elke tittel en jota uit dit boek hebben geleid tot verwoede debatten, waarbij de tegenstanders elkanders goede trouw en oprecht geloof in twijfel trokken. Het was immers niet minder dan Gods Woord dat hier geopenbaard werd. Niet zelden leidden dergelijke polemieken over de juiste interpretatie van een enkel woord tot kerkscheuringen, waarbij hele families en lokale gemeenschappen wreed uiteen werden gerukt.

Wie nu de drukproeven van deze vertaling ziet, realiseert zich ineens wat hij natuurlijk wel wist, maar waarvan de consequenties niet altijd geheel worden overzien. De vele correcties, in diverse handschriften, die op deze bladzijden zijn te zien, maken je ervan bewust dat ook dit boek mensenwerk is. Zelfs wie ervan uitgaat dat de Hebreeuwse en Griekse brontekst rechtstreeks door God is gedicteerd, moet toegeven dat de Nederlandse vertaling het werk is van theologen en filologen. Deze drukproeven laten zien dat er, bijna twintig jaar lang, gesteggeld is over vrijwel elk woord. Welk woord uiteindelijk uitverkoren werd om te worden gebruikt, zal afhankelijk zijn geweest van tal van factoren. Het gezag van de betreffende theoloog zal een rol hebben gespeeld, maar ook is het denkbaar dat er compromissen zijn gesloten, dat er van tijd tot een uitruil heeft plaatsgevonden («Goed, nu nemen we jouw woord, maar dan wil ik wel…»). Ook hebben er allerlei meer algemene tegenstellingen meegespeeld. In feite is die vertaalcommissie een soort snelkookpan geweest waarin tal van godsdienstige, filosofische, politieke controverses tot één massief gerecht werden verwerkt dat drie eeuwen lang de dagelijkse kost van de Nederlandse calvinisten vormde. Over dit gegeven móet een spannende historische roman te schrijven zijn. * Rob Hartmans is historicus en criticus. Tentoonstelling in «De verdieping van Nederland» (Koninklijke Bibliotheek/Nationaal Archief). Nog te zien tot en met 22 oktober 2006