Johan Joor

Historische verzetshelden

Johan Joor, De Adelaar en het Lam: Onrust, opruiing en onwilligheid in Nederland ten tijde van het Koninkrijk Holland en de Inlijving bij het Franse Keizerrijk (1806-1813) Uitg. De Bataafsche Leeuw, 864 blz., ƒ75,-

In veel Nederlandse plaatsen zijn saaie naoorlogse straten met fantasieloze huizen vernoemd naar verzetsstrijders. In Zaandam viel deze eer te beurt aan de omgekomen financier van het verzet, Walraven van Hall, en aan de communist Cor Geugjes, die later uit de partij werd gegooid en zodoende werd uitgekotst door zijn broer Siep en de enkele straten verderop wonende Marcus Bakker. Ook werden er straten vernoemd naar streekgenoten die zich in de Tachtigjarige Oorlog hadden verzet tegen de Spaanse overheerser. Bijzonder verbaasd was ik echter toen ik het bestaan ontdekte van de Jacob Rek- en Jan Eijdenbergstraat. Volgens de straatnaambordjes waren dit in 1813 gefusilleerde verzetshelden. Achttienhonderddertien! Dat kon toch niet!

Het was ons bij «vaderlandse geschiedenis» erin gehamerd: er waren in het verleden twee perioden geweest waarin het Nederlandse volk zichzelf had overtroffen en een toonbeeld van moed en vasthoudendheid was geweest. Uiteraard ging het hier om de Tachtigjarige Oorlog en de Vijfjarige Oorlog, die van 1940 tot 1945. Tijdens de eerste titanenstrijd hadden de Nederlanders zich ontworsteld aan de wurgende greep van de Spaanse overheerser, terwijl in de laatste oorlog de bevolking als één man had gestreden tegen de Duitse bezetter. Akkoord, er waren in deze oorlogen respectievelijk wel wat katholieken en NSB'ers geweest die een verraderlijke rol hadden gespeeld, maar in wezen vormden zij slechts de uitzondering die de regel bevestigde. En die regel was dat de Nederlander een fiere, zelfbewuste, vrijheidslievende en hardwerkende burger was, die onder de bezielende leiding van het Oranjehuis elke vreemde overheerser wist te weerstaan.

Onze onderwijzer, een gereformeerde verzetsheld, had het dan ook duidelijk moeilijk als hij de zogenoemde Franse tijd moest behandelen. Want de periode 1795-1813 paste helemaal niet in dit beeld. De hele achttiende eeuw was trouwens al een deceptie geweest, na dat glorieuze verhaal van de Gouden Eeuw met helden als Jan Pieterszn. Coen, Michiel de Ruyter, koning-stadhouder Willem III en Rembrandt. Een jansaliegeest had bezit genomen van de bevolking, volksvijandige elementen die zich patriotten noemden hadden ideeën uit het buitenland rondgestrooid, en de stadhouders waren ook van bedenkelijk allooi geweest. Vandaar dat de Fransen in 1795 zonder slag of stoot over de bevroren rivieren konden trekken om hier een marionettenregering te installeren. De Mussertjes van de Bataafse Republiek bakten er echter zo weinig van dat Napoleon in 1806 zijn broer als koning parachuteerde, om vier jaar later het hele zaakje maar in te lijven bij Frankrijk. En die fiere Hollanders? Die deden zo goed als niets!

Het bovenstaande beeld is natuurlijk in hoge mate gesimplificeerd, maar ook in de wetenschappelijke literatuur is deze periode lange tijd gezien als nogal duf en beschamend. Dat de Bataafse revolutie meer is geweest dan een zuiver Frans exportproduct, dat is inmiddels wel duidelijk. Maar het beeld van een uiterst passieve bevolking die zich zonder noemenswaardig verzet liet ringeloren door de Franse overheerser, had tot nu toe elk historisch onderzoek overleefd. Met De Adelaar en het Lam van Johan Joor is daar nu verandering in gekomen.

Minutieus onderzoek in talloze archieven heeft een lijst opgeleverd van meer dan vijfhonderd ordeverstoringen in de jaren 1806-1813. Dat waren natuurlijk niet allemaal massale gebeurtenissen, maar het idee dat het hier in deze jaren zo oorverdovend rustig is geweest, klopt dus duidelijk niet. Joor heeft de ordeverstoringen onderverdeeld in een aantal door hemzelf gedefinieerde categorieën: oproeren, rellen, oploopjes, ongeregeldheden, baldadigheden, stakingen en complotten. Uiteraard hadden deze verschillende vormen van onrust ook diverse oorzaken. Economisch ging het ronduit slecht met Nederland, zodat het uitbreken van arbeidsconflicten niet opzienbarend was. Dat in een land van theologen de vestiging van een vreemd, ongodsdienstig regime op weerstand stuitte, wekt evenmin verbazing. Bovendien leidde het gelijkstellen van verschillende godsdiensten tot tal van conflicten, waarbij het gebruik van de kerkgebouwen een vaak voorkomend twistpunt was. De meeste ordeverstoringen ontstonden echter uit rechtstreeks verzet tegen de Franse overheid. Zo zette de, zoals Joor het noemt, «gezagsaanmatiging» van de lokale en landelijke overheden, waarbij de burgers voortdurend werden lastiggevallen met een onafzienbare reeks voorschriften, veel kwaad bloed.

In nog slechtere aarde viel de groeiende belastingdruk. Maar verreweg de voornaamste oorzaak die een rol speelde bij 35 procent van de ordeverstoringen was het invoeren van de dienstplicht. De animo om in de Grande Armée van de keizer te dienen, was bijzonder klein.

De uitputtende, systematische en verantwoorde, en hierdoor niet bijster meeslepende inventaris die Joor van de woelingen heeft gemaakt, bevat ook een uitgebreide analyse van het oproerige volk. Op basis van een enorme lijst van mensen die berecht zijn in verband met hun betrokkenheid bij ongeregeldheden heeft hij geconcludeerd dat het lang niet altijd ging om mensen uit het «grauw». «Deugd za me», welgestelde burgers zaten er ook tussen de veroordeelden. Zoals onze Zaan damse held Jacob Rek, die werd gefusilleerd wegens zijn leidende rol bij het oproer van april 1813 tegen de invoering van de dienstplicht.