Hitler was een ‘metamorfose­virtuoos’

Adolf Hitler in SA-uniform © JT Vintage / HH

In de laatste regels van zijn schrikbarend dikke biografie van Hitler herinnert historicus en (Die Zeit)-journalist Volker Ullrich aan een opmerking van de katholieke schrijver Reinhold Schneider, uit 1946: dat het ‘geval-Hitler’ een waarschuwing voor alle tijden bevat, want leert hoe dun het laagje van de beschaving is en hoe zeer, hoe snel zogenaamd beschaafde mensen uitgroeien tot barbaren. Het is, denk ik, een waarheid als een koe en naast de historische vermoedelijk de belangrijkste reden voor het feit dat het onderzoek naar Hitlers leven, tijd en ideologie almaar doorgaat. Om het in de woorden van een van de vele Hitler-kenners (Eberhard Jäckel) te zeggen: ‘De Duitsers zijn van Hitler bevrijd en toch zullen zij hem nooit meer kwijtraken.’ Niet alleen de Duitsers, ben ik bang.

Enkele jaren geleden schreef ik hier over de Hitler-biografie van Peter Longerich, een van de gestaag groeiende stapel Hitler-biografieën waarvoor je een paar levens nodig hebt mocht je ze allemaal willen lezen. Longerich nam binnen die uiteenlopende biografieën de stelling in dat Hitler doelbewust machtspolitiek bedreef en dat deze doelbewustheid zijn succes verklaart. Het is een visie waarmee gemakkelijk in te stemmen valt. Maar is hij juist? En is er een ‘juist’? Valt er niet eveneens veel te zeggen voor de tegenovergestelde stelling, namelijk dat Hitler typisch een product was van het Duitsland van zijn tijd en dus uiteindelijk een pion? De waarheid ligt welhaast zeker ergens tussen deze twee uitersten.

Evenals Longerich of willekeurig elke andere Hitler-biograaf van dit moment reageert Ullrich op het werk van Ian Kershaw, die niet zozeer het verhaal van een persoon als wel van een (machts)structuur vertelt – dat pion-verhaal dus. Longerich probeerde hiertegen in te gaan door Hitlers bewuste streven (‘intentionaliteit’) te beklemtonen. Ullrich wil iets anders. Hij wil de persoon Hitler opnieuw in het centrum van het verhaal plaatsen en daarbij ‘enkele van de aannames die in vrijwel de gehele Hitler-literatuur te vinden zijn kritisch tegen het licht [houden]’. Hierbij maakt hij dankbaar gebruik van het vele dat er sinds de publicatie van Kershaws biografie (1998-2000) verschenen is, met name de pas sinds 2003 volledig beschikbare persoonlijke aantekeningen van Hitler (Reden, Schriften, Anordnungen) en de eveneens pas onlangs volledig gepubliceerde Akten der Reichskanzlei.

Hitler was ‘voortdurend bang dat hij zichzelf belachelijk zou maken’

Het resultaat is niet verrassend maar wel heel goed want leesbaar, overzichtelijk en volledig. Hierbij valt met name op dat Ullrich Hitler in zekere zin normaliseert, dat wil zeggen tal van verhalen over ’s mans persoonlijkheid, seksleven, relaties met vrouwen, strategische genialiteit, geheugen, redenaarstalent, soberheid en charisma terugbrengt tot relatief normale proporties. Neem zijn seksleven en relatie met vrouwen. Ullrich wijdt er met onmiskenbaar genoegen een volledig hoofdstuk aan. Dit niet vanwege het thema zelf maar omdat dit thema hem de gelegenheid geeft fabels te ontzenuwen. Zo concludeert hij, te midden van de vermelding van een paar bizarre en veelal oncontroleerbare verhalen, dat ‘ook alle pogingen iets pathologisch te vinden in Hitlers seksuele leven tot niets leidden’.

Als het over ‘De mens Hitler’ (titel van een ander hoofdstuk) gaat, komt Ullrich tot een vergelijkbare conclusie. Zo citeert hij nogal wat getuigen die verbaasd meldden dat de man de indruk maakt ‘volkomen doorsnee’ te zijn, ‘een handelsreiziger die ooit onderofficier was geweest’, ‘het volmaakte prototype van de kleine burgerman’. Vanuit een dergelijk perspectief verbaast het ook niet dat Ullrich stelt dat Hitler als parvenu onder de groten der aarde ‘voortdurend bang [was] dat hij niet serieus werd genomen of zichzelf belachelijk zou maken’. Neemt niet weg dat hij zeker een paar opmerkelijke, zij het niet unieke eigenschappen bezat. De belangrijkste daarvan, ook voor zijn carrière, was het vermogen diverse persoonlijkheden in zich te verenigen. Hitler was een ‘metamorfosevirtuoos’. ‘Dat was misschien de meest verbazingwekkende gave van deze geboren volksmenner’, schreef de man die al onder Von Papen (1932) minister van Financiën werd en dat tot het eind van de oorlog bleef, Lutz Schwerin von Krisigk: ‘de combinatie van vuur en ijs’.

Ullrich becommentarieert: ‘Zo beminnelijk, vol warmte en medeleven Hitler in de persoonlijke omgang kon zijn, zo kil, gespeend van elk menselijk gevoel en consideratie kon hij tegelijkertijd zijn als het erom ging zijn politieke doelstellingen door te drijven.’

Vanzelfsprekend gaat het merendeel van de ruim zestienhonderd pagina’s van deze biografie over geheel andere en in verband met het nationaal-socialisme traditionele zaken zoals machtspolitiek, oorlogvoering en holocaust. Hiermee is dit, zoals eigenlijk elke Hitler-biografie, gewoon een zoveelste geschiedenis van Duitsland in een tijdperk dat dit land de wereld bijna kapotmaakte. Wat dat verhaal betreft valt er aan een zoveelste Hitler-biografie nog maar weinig eer te behalen. Die eer zal altijd liggen in de kwaliteit van het antwoord op die ene, nooit afdoende te beantwoorden vraag naar de wisselwerking tussen man en omgeving. ‘Zijn biografie is een bijzonder markant voorbeeld van de invloed die één enkel individu op de loop van de geschiedenis kan uitoefenen’, schrijft Ullrich en somt vervolgens nogmaals de gebruikelijke Hitler-talenten zoals charisma, redeneerkunst en acteertalent op. Ik geloof het graag en toch botst deze conclusie met twee andere beweringen uit ditzelfde boek, namelijk dat Hitler ook heel normaal was en dat ‘het fenomeen Hitler alleen maar [kan] worden begrepen als men tegelijkertijd de sociale pathologie van de Duitse maatschappij van zijn tijd erbij betrekt’. Kortom, wordt vervolgd.