Hitlers gewillige coördinatoren

Ulrich Herbert, Best. Biographische Studien über Radikalismus, Weltanschauung und Vernunft, 1903-1989. Uitgeverij J.H.W. Dietz Nachfolger, 695 blz, DM 58,-.
HET BLIJFT een van de grootste raadsels van de twintigste eeuw: hoe was het mogelijk dat in een hoogontwikkeld land als Duitsland een volstrekt barbaars regime aan de macht kwam dat zich schuldig zou maken aan gruwelen van een tot dan toe ongekende omvang? Waarom veranderde het volk van Dichter und Denker in dat van Richter und Henker? Talrijk zijn de theorieën hierover, ontelbaar de boeken. Je zou denken dat inmiddels het verzadigingspunt bereikt was, maar telkens blijkt deze vraag, in de eerste plaats in Duitsland, weer te leiden tot heftige polemieken. Toen tien jaar geleden Ernst Nolte opperde dat de nazi-misdaden een reactie waren op de barbarij van het bolsjevisme, barstte de Historikerstreit los.

Dit voorjaar was het Daniel Goldhagen die de lont in het kruitvat stak. De kritiek op zijn boek Hitlers gewillige beulen was lang niet mals. Het mildste verwijt was nog dat Goldhagen niet veel meer had gedaan dan het opwarmen van oude kost. Bovenal werd hem echter verweten dat hij zo ongenuanceerd was, dat hij zich schuldig had gemaakt aan onwetenschappelijke generalisaties over ‘de’ Duitsers. Het zwakke punt van het boek is, naast zijn retorische stijl, Goldhagens methode. Hij bestudeerde de samenstelling van de politiebataljons, concludeerde dat deze een 'doorsnede’ van de Duitse bevolking vormden, en achtte daarmee bewezen dat de 'doorsnee’ Duitser het eens was met de uitroeiing van de joden. Je hoeft geen professioneel statisticus te zijn om te zien dat een dergelijke bewijsvoering aanvechtbaar is.
Een verdienste moeten we toch op Goldhagens conto bijschrijven: dat hij aandacht heeft gevraagd voor het onderzoek naar het maatschappelijk draagvlak van het nationaal-socialisme en de holocaust. Uiteraard wisten we allang dat Hitler niet als enige verantwoordelijk was voor de gruwelen van de oorlog en dat een genocide van deze omvang niet kan zijn uitgevoerd door tegenstribbelende functionarissen. Waarover echter nog altijd onduidelijkheid bestond, was in welke mate de Duitse bevolking instemde met of zelfs enthousiast was over de jodenvervolging. Goldhagen heeft in ieder geval een - niet altijd even overtuigende - poging gedaan om aan te tonen dat het 'eliminatie-antisemitisme’ niet alleen een zaak was van Hitler en enkele krankzinnige moordenaars.
VLAK VOOR DE publikatie van Goldhagens bestseller verscheen in Duitsland een boek dat eveneens handelde over het draagvlak van de genocide, en dat volgens Eberhard Jäckel, eminent kenner van Hitlers Weltanschauung, het begin inluidde van 'een nieuw tijdperk in het onderzoek naar het nationaal-socialisme’. Het gaat hier om de biografie die Ulrich Herbert, hoogleraar nieuwste geschiedenis aan de universiteit van Freiburg, schreef over Werner Best, lange tijd de rechterhand van Himmler en Heydrich en de organisator van het Reichssicherheitshauptamt (RSHA).
Hoewel dit boek qua methode en nauwgezetheid diametraal tegenover dat van Goldhagen staat, onderschrijft het voor een groot deel diens theorie. Herbert probeert weliswaar niet aan te tonen dat 'de Duitsers’ gewelddadige antisemieten waren, maar door zich te concentreren op de loopbaan en denkbeelden van één man die min of meer representatief was voor een bepaalde groep, laat hij zien dat de holocaust niet uitsluitend het produkt was van Adolf Hitlers zieke brein.
Als we ons een voorstelling trachten te maken van nazi’s , denken we al gauw aan dikbuikige SA'ers, bij wie de knopen van hun gulp springen zodra ze een invalide joods vrouwtje zien dat zonder risico tot pulp geslagen kan worden. Dit gaat slechts ten dele op. Reeds tijdens de Neurenberger processen hadden de rechters zich erover verbaasd dat de 'managers’ van de moordmachinerie - de elite van Gestapo- en SD-officieren en bevelhebbers van de beruchte Einsatzgruppen die onder het RSHA ressorteerden - geen sociaal ontwortelde desperado’s of willoze technocraten waren. Het waren daarentegen, in de woorden van Herbert, 'bovengemiddeld intelligente, zelfbewuste, krachtdadige en in de regel zeer jonge mannen met uitgesproken eigen politieke opvattingen, die eerder uit de midden- en hogere klassen van de Duitse samenleving kwamen dan uit de randgroepen en de onderklasse’.
Ondanks die verbazing heeft deze groep nooit bijzonder veel aandacht van historici en publieke opinie gekregen. De grote schurken waren natuurlijk Himmler - die alleen al op grond van zijn uiterlijk niet erg uit de toon zou vallen in het kinderpornonetwerk rond Marc Dutroux - en Heydrich, een typische gangster, die wegens wangedrag uit de marine was gegooid. Ook over de kampbewakers en -bewaaksters die met zweep en herdershond de KZ-Häftlinge hadden geterroriseerd, werd als gevolg van de talloze processen en een uitvoerige memoires-literatuur veel bekend. En over de leden van de politiebataljons die op grote schaal joden liquideerden en deporteerden, weten we sinds Christopher Brownings imposante Ordinary Men (1992) veel meer.
Maar hoe zat het nu met de 'bedrijfsleiding’, met de planners, organisatoren en coördinatoren van de volkenmoord? Sinds het Eichmann-proces bestaat het idee dat het hier ging om overijverige, kleinburgerlijke bureaucraten zonder persoonlijk of intellectueel formaat. Hoewel Hannah Arendts typering van 'de banaliteit van het kwaad’ misschien van toepassing was op Adolf Eichmann, is hiermee nog niet het laatste woord gezegd over de andere, meestal belangrijkere leden van de RSHA-top.
MET BEST heeft Herbert nu een boek geschreven dat ons, aan de hand van de ontwikkelingsgang van een van de belangrijkste leden van deze groep, meer inzicht geeft in de motieven, handelwijze en betekenis van deze sinistere 'elite’. Werner Best werd in 1903 geboren in een Rijnlandse familie van hoge ambtenaren. De Eerste Wereldoorlog was nog maar enkele maanden aan de gang, toen Bests vader overleed aan de verwondingen die hij in Frankrijk had opgelopen. Terwijl aan de diverse fronten jongens sneuvelden die slechts enkele jaren ouder waren dan hij, bezocht Best het gymnasium. Als puber maakte hij de nederlaag, de novemberrevolutie en de vernedering van 'Versailles’ mee. Geconfronteerd met de ontactische Franse bezetting van het Rijnland ontwikkelde hij zich tot een vurig nationalist. Toen hij als scholier een prijs had gewonnen, weigerde hij deze te aanvaarden omdat hij werd uitgereikt door een Franse officier.
Eigenlijk had Best marineofficier willen worden, maar die droom was ondergegaan met de Duitse vloot, die na de nederlaag door de Duitsers zelf tot zinken was gebracht. In plaats daarvan ging Best rechten studeren. Hij werkte hard, maar was tevens politiek zeer actief. Nog voor hij een collegezaal van binnen had gezien was hij reeds lid geworden van de Deutsche Hochschulring, een overkoepelend orgaan van radicaal-nationalistische en antisemitische studentenverenigingen.
In dit extreem-rechtse en elitaire gezelschap steeg de ster van Best snel. In 1924 werd hij wegens zijn verzet tegen het Franse bezettingsleger door de Suêreté gearresteerd en bracht hij een half jaar in de gevangenis door. In de top van de Ring vertegenwoordigde Best de compromisloze 'völkische’ richting. Zijn ideeën waren sterk beïnvloed door het werk van Edgar Jung, onder meer auteur van Die Herrschaft der Minderwertigen (1927), en Ernst Jünger, de oorlogsheld en schrijver van In Stahlgewittern (1920) en Der Kampf als inneres Erlebnis (1922), waarin de oorlog werd verheerlijkt omdat de mens alleen kan beseffen dat hij leeft op het moment dat hij anderen doodt. Het elitaire, soldateske denken van Jünger werd door Best gemengd met sociaal-darwinistische en antisemitische denkbeelden. Het völkische antisemitisme dat Best voorstond verschilde echter van het traditionele antisemitisme, dat in joden vooral minderwaardige wezens had gezien. Volgens Best en consorten waren joden niet 'minder’ maar wel 'anders’. Het waren immers niet-Duitse dus 'volksvreemde’ lieden die in Duitsland niets te zoeken hadden.
Kenmerkend voor Bests denkbeelden was dat morele en ethische categorieën geen rol speelden. Hij ontkende het bestaan van universele en absolute waarden; 'mensenrechten’ was voor hem een abstract en dus nietszeggend begrip. Volgens zijn naar Jünger gemodelleerde 'heroïsch realisme’ diende het menselijk handelen te gehoorzamen aan de zogenaamde 'levenswetten’, die erop neerkwamen dat alles wat het belang van het eigen volk diende geoorloofd was. Een voor een jurist essentieel begrip als 'recht’ was dus synoniem met succes, 'onrecht’ met mislukking. In deze amorele denkwereld speelde een begrip als 'haat’ geen rol. Ieder volk streefde immers zijn eigen heil na, zodat de tegenstander gerespecteerd diende te worden. Anders dan bij Hitler of Julius Streicher nam het antisemitisme bij Best niet de vorm van rassenhaat aan. Het was, hoe vreemd dat ook moge klinken, een 'rationeel’ antisemitisme.
NADAT BEST zijn rechtenstudie met een promotie had afgesloten, werd hij rechter. Na de daverende verkiezingsoverwinning van de NSDAP in september 1930, toen haar stemmenpercentage steeg van 2,6 naar 18,2 procent, sloot Best zich aan bij de nationaal-socialisten. Al spoedig behoorde hij tot de leidinggevende nazi’s in Hessen. Landelijke bekendheid kreeg hij eind 1931, toen in de pers de zogenaamde 'Boxheimer-documenten’ werden gepubliceerd, een door Best opgestelde blauwdruk voor een nationaal-socialistische machtsgreep. Best werd als rechter ontslagen en hoewel Hitler deze 'kwajongensstreek’ niet kon waarderen omdat hij juist een 'legale’ koers volgde, begon de opmars van Best in de nazi-beweging nu pas goed op gang te komen. Hij werd beroepspoliticus, sloot zich aan bij de SS, en na de Machtübernahme van 30 januari werd hij politiechef in Hessen. Himmler en Heydrich zagen veel in de jonge, ambitieuze jurist en maakten hem tot SD-chef in Zuid- en Zuidwest-Duitsland. In die hoedanigheid speelde hij een belangrijke rol in de zogenaamde Röhm-Aktion, waarbij in 1934 de SA-top en tal van anderen, onder wie Bests vroegere geestverwant Edgar Jung, werden vermoord.
Naast Heydrich werd Best de sleutelfiguur in de opbouw van de terreurmachinerie van SD, Gestapo en Sicherheitspolizei. Niet alleen was hij, bij veelvuldige afwezigheid van Heydrich, de belangrijkste organisator, hij was tevens de belangrijkste Gestapo-ideoloog. Hij zat als een spin in het web van de zich over de gehele Duitse samenleving uitbreidende politieke politie. In een onstuitbare stroom artikelen en boeken leverde hij de theoretische onderbouwing voor de ongeremde groei en de door geen enkele wet belemmerde activiteiten van de Gestapo: net zoals een leger in de strijd tegen de externe vijand geen strobreed in de weg gelegd mocht worden, zo mocht de geheime politie in de strijd tegen de interne vijand niet gehinderd worden. En bij die interne vijand ging het niet alleen om politieke tegenstanders of verzetsstrijders, maar tevens om 'potentiële’ vijanden. In de praktijk waren dat alle groepen die, op welke wijze dan ook, de levenskracht van het Duitse volk bedreigden. Vandaar dat joden, 'asocialen’ en geestelijk gehandicapten hard aangepakt moesten worden. Bij de maatregelen tegen deze groepen speelde Best een grote, vaak initiërende rol.
Tijdens de veldtocht tegen Polen coördineerde Best vanuit Berlijn het optreden van de Einsatzgruppen, die op grote schaal joden en leden van de Poolse elite vermoordden. Als de facto eerste man in het kort daarvoor gevormde Reichssicherheitshauptamt kwam Best echter in conflict met Heydrich. Deze ergerde zich al geruime tijd aan Bests streven om de top van de moordcentrale uitsluitend met juristen te bemannen. Best moest het veld ruimen en werd uiteindelijk staflid van het militaire bewind in Frankrijk.
Niet alleen had hij daar een werkzaam aandeel in de deportatie van de Franse joden, ook op het 'intellectuele’ vlak bleef hij zich zeer betrokken voelen bij het 'joodse vraagstuk’. Omdat gedwongen emigratie van de joden inmiddels geen optie meer was, bepleitte Best in verschillende artikelen, geruime tijd vóór de beruchte Wannsee-conferentie, de fysieke vernietiging van deze 'volksvreemde elementen’. Het lijkt dan ook vreemd dat Best in zijn volgende baan, als Reichsbevolmächtigte in Denemarken, oogluikend toeliet dat de joden het land ontvluchtten. Kritiek van zijn superieuren wees Best verontwaardigd van de hand: Denemarken was immers 'judenrein’ en grootscheepse razzia’s zouden de relatieve rust in dit land ernstig hebben verstoord. De Endlösung der Judenfrage was een kwestie van opportuniteit, niet van emoties.
HOEWEL BEST na de oorlog in Denemarken aanvankelijk ter dood werd veroordeeld, kwam hij al spoedig vrij en kreeg hij een baan bij het Stinnes-concern. In het old boys network van oud-nazi’s speelde hij een belangrijke rol, onder meer als adviseur van alte Kameraden die zich voor de rechter moesten verdedigen. Zelf wist hij redelijk buiten schot te blijven en tegelijkertijd maakte hij zich voor zijn geestverwanten verdienstelijk door, als een van de weinige vooraanstaande nazi’s , schijnbaar openhartig te praten met historici en journalisten. Zo wist hij een beeld van zichzelf en andere SS'ers te stileren dat geruime tijd voor de waarheid werd aangezien. Best en andere RHSA-leiders zouden juridisch denkende 'vaklieden’ zijn geweest, die orders van hogerhand op een zo efficiënt mogelijke manier opvolgden. Bests optreden in Denemarken zou het bewijs hebben geleverd dat hij met de eigenlijke genocide niets te maken had gehad.
Door het magistrale en huiveringwekkende boek van Herbert weten we inmiddels beter. Een man als Best had in feite Hitler niet nodig. Dat wat meestal wordt toegeschreven aan het krankzinnige brein van Hitler, het plan om een heel volk uit te moorden, viel bij hem niet alleen in vruchtbare aarde, hij was zelf al tot een gelijkluidende conclusie gekomen. Uit het boek van Herbert wordt bovendien duidelijk dat hij hierin niet alleen stond.