De Gurlitt-collectie

Hitlers gewillige kunsthandelaren

De schilderijenverzameling van Cornelius Gurlitt is slechts een klein onderdeel van de totale hoeveelheid kunst, meubilair, muziekinstrumenten, vreemd vermogen en goud die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog uit de bezette gebieden roofden.

Medium gurlitt cornelius mit sohn hildebrand und tochter cornelia

Hildebrand Gurlitt kocht in de twee laatste oorlogsjaren voor het door Adolf Hitler geplande museum in het Oostenrijkse Linz allerlei soorten kunstwerken. Hij ging daarnaar op zoek in Nederland en België, en vooral in Frankrijk. Alles bij elkaar gaf hij minstens 9,2 miljoen Reichsmark uit voor zijn machtige opdrachtgever. Voor individuele werken betaalde hij destijds buitensporige bedragen van veertigduizend, honderdduizend of tweehonderdduizend Reichsmark, wat vandaag de dag neerkomt op het tienvoudige in euro’s – en daar bovenop komen nog de explosieve prijsstijgingen op de kunstmarkt. Hoogstwaarschijnlijk bevinden zich onder de schilderijen, die in 2012 bij Hildebrand Gurlitts zoon Cornelius in München in beslag zijn genomen, nog enige werken die op deze manier in het door Duitsland bezette buitenland werden verworven.

Puur oppervlakkig gezien heeft Gurlitt voor zijn aankopen betaald. Dat gebeurde echter niet in Reichsmark, maar in de valuta’s van de betreffende landen, dus in Franse of Belgische francs of in Nederlandse guldens. In werkelijkheid hebben Gurlitt en andere kunsthandelaren, die nauw met de staat samenwerkten, zich schuldig gemaakt aan een slim gecamoufleerde vorm van diefstal. Zij eigenden zich de kunstschatten toe en betaalden met geld dat niet van hen en ook niet van hun opdrachtgevers was. Met iedere aankoop in het buitenland schonden zij bovendien de ook voor Duitsland geldende, maar door de Reichsbank als ‘te strikt’ ervaren Conventie van Den Haag.

Ik kan het voor de aankopen van Gurlitt niet en detail staven, maar de gevolgde procedure laat zich aan de hand van soortgelijke gevallen heel nauwkeurig beschrijven. Allereerst kregen speciaal geselecteerde kunsthandelaren (en in het algemeen Duitse opkopers van alle mogelijke goederen) van hun opdrachtgevers een bepaald geldbedrag, dat bij de Reichskreditkassen in de bezette landen kon worden geïncasseerd. Deze Reichskreditkassen waren filialen van de Duitse Reichsbank, en waren bedoeld om de onderworpen landen financieel en economisch te plunderen. In intern postverkeer noemde de toenmalige vice-president van de Reichsbank, Emil Puhl, de door zijn Reichskreditkassen uitgegeven bankbiljetten van de respectievelijke nationale valuta’s ‘in geldvorm vermomde rekwisitiebonnen’.

Mijn voorbeelden zijn gebaseerd op documenten van de Reichskreditkasse van Parijs. Daar werden dagelijks honderdduizenden of miljoenen Reichsmark ‘ten laste van de speciale rekening AI’ in de plaatselijke munteenheid gewisseld en vervolgens aan de betreffende ontvanger betaald. In het geval van de destijds zeer actieve Münchense kunsthandelaar Walter Bornheim leidde dit op 2 mei 1941 tot een vertrouwelijk, voor het ongeoefende oog niet direct te begrijpen schrijven van de Duitse minister van Financiën: ‘De minister van Economische Zaken heeft hierna genoemde firma gemachtigd tot de storting van het volgende bedrag op de rekening bij de Reichsbank van de “Allgemeine Warenhandelsgesellschaft, Berlin”, ten behoeve van de betaling van de tegenwaarde in Franse francs in Frankrijk.’

Het ging in dit geval om 750.000 Reichsmark, en de Reichskreditkasse kreeg te horen: ‘De begunstigde is Walter Bornheim, Parijs.’ Deze hoorde naast Gurlitt, Hans Wendland, Karl Haberstock, Maria Almas-Dietrich en Gustav Rochlitz tot degenen die bij de kunstaankopen van het toenmalige Duitsland waren betrokken.

Maar hoe zat het dan met die ‘speciale rekening AI’? Die werd uitsluitend uit de begroting van de bezette landen gefinancierd. Nauwelijks waren de 750.00 Reichsmark voor de aankoop van schilderijen en andere kunstvoorwerpen in francs omgewisseld, of de medewerkers van de Reichskreditkasse crediteerden het Reichsmark-bedrag niet aan het bezette land, maar aan het Duitse Rijk, en wel onder ‘Einzelplan XVII. Teil XVII’.

Zoals dat in het schrijven van 2 mei 1941 in het geval van Bornheim heette, moest dit bedrag ‘met als onderwerp “verkoop van Franse francs uit de door Frankrijk geleverde bijdrage aan de bezettingskosten (speciale rekening AI)” als inkomsten worden geboekt’. De kunstschatten werden uiteindelijk dus niet door de opdrachtgevers, maar uit de staatskas van het bezette land betaald. Hitlers gewillige kunsthandelaren waren werkzaam in een systeem van stelselmatige, op afpersing gebaseerde valutafraude.

Daarom kan op juridische gronden worden geëist dat alle schilderijen en andere zaken van waarde, die Duitsers in de Tweede Wereldoorlog in het bezette buitenland hebben gekocht, voorlopig aan de betreffende staten worden teruggegeven, omdat zij (in strijd met het volkenrecht en onder dwang) uit de respectievelijke begrotingen werden betaald. De autoriteiten van de betrokken landen zouden de teruggegeven kunstwerken dan moeten retourneren aan musea of privé-personen, die mogelijkerwijs onder Duitse of collaborerende druk zijn onteigend.

Medium gurlitt
De gevonden werken moeten onmiddellijk aan Frankrijk, België of Nederland worden geretourneerd

De tekst Schwabinger Kunstfund (de naam voor de kunstschat van Gurlitt) op de homepage van de door de Duitse Bondsrepubliek en de individuele deelstaten gezamenlijk onderhouden site ‘Lost Art’ brengt ons op een dwaalspoor. Daar staat dat met het oog op ongeveer 590 werken moet worden bewezen ‘of het om werken gaat, waarbij sprake is geweest van wederrechtelijke onteigening (zogenaamde roofkunst)’. Nee, het gaat niet louter, en vooral niet in de eerste plaats om concreet bewijsbare afpersing op grond van ras of politieke overtuiging. Op basis van bovenstaande redenen moeten alle tussen 1939 en 1945 in het Europese buitenland ‘gekochte’ schilderijen, schetsen, boeken, partituren en waardevolle meubelstukken aan de landen van herkomst worden teruggegeven. In de eerste plaats moet slechts eenvoudigweg worden vastgesteld welke werken Gurlitt waar en wanneer heeft gekocht. Voor zover het om werken gaat die hij in 1943 en 1944 in West-Europese landen heeft aangeschaft, moeten deze onmiddellijk aan Frankrijk, België of Nederland worden geretourneerd. Zonder enige kennis van zaken beweerde een redacteur van de Frankfurter Allgemeine onlangs: ‘Hildebrand Gurlitt, die in 1943 tot hoofdinkoper voor het museum van Linz werd benoemd, is meermalen met deviezen bijgesprongen, die hij aan andere handelaren en aan de bijzonder gevolmachtigde van het museum, Hermann Voss, ter beschikking heeft gesteld.’ Het dagblad komt met latere uitspraken en leugens, niet met historische feiten. Zij dienen ter versluiering en niet ter opheldering.

Gurlitt is precies zo te werk gegaan als zijn collega Bornheim of, om nog een voorbeeld te noemen, de Berlijnse kunsthandelaar Karl Haberstock. Aan hem werd op 17 oktober 1940 in Franse francs de tegenwaarde van 75.000 Reichsmark betaald, om in Frankrijk kunstwerken te kopen. Op 14 maart 1941 stelde Hitlers rijkskanselarij de directeur van de Staatliche Gemäldegalerie van Dresden in Parijs Franse francs ter waarde van 500.000 Reichsmark ter beschikking, om allerlei kunstwerken mee te kopen. Op 6 maart 1941 wisselde Bornheim 250.000 Reichsmark, en Haberstock op dezelfde dag 207.500 Reichsmark bij de Reichskreditkasse van Parijs. De directeur van het Kunstgewerbemuseum in Keulen, professor Adolf Feulner, was een liefhebber van mooie meubels. Hij ging in 1941 met Franse francs ter waarde van 30.000 Reichsmark inkopen doen in het bezette Frankrijk. Al deze handeltjes werden door de Franse staat en door niemand anders betaald.

Het heeft tientallen jaren geduurd voordat Duitsland (en Oostenrijk) onder ogen durfden te zien dat in Duitsland tussen 1933 en 1945 de massale roof tot een buitengewoon populair staatsbeginsel was geworden. Op een paar uitzonderingen na hebben ook de historici er lange tijd het zwijgen toe gedaan. Zij verklaarden de Duitse misdaden liever uit ‘de volkse ideologie’, uit ‘rassen-antisemitisme’ of, zoals in het Berlijnse Jahrbuch für Antisemitismusforschung (1992), ‘uit waanzinnige en wrede willekeur’. Zulke interpretaties waren voor het nationale zielenheil veel prettiger dan het lelijke maar veel beter passende begrip roofmoord (op massale schaal). Wie het waagde daarvan gewag te maken, werd door de machtigen uit het vak zwart gemaakt als voorvechter van een ‘primitief materialisme’ (Hans-Ulrich Weber).

Ook archivarissen hebben zich op dezelfde manier gedragen. Vijftien jaar geleden zei een van hen, werkzaam bij het Bundesarchiv, tegen mij: ‘Nu heb ik eindelijk de schriftelijke nalatenschap van de vroegere emigratie-autoriteit “Rijkscommissaris voor de vestiging van Duitse emigranten” opnieuw geordend.’ Met het oog op een beter overzicht had hij ‘alle individuele gevallen’ vernietigd. ‘Daar is toch niemand in geïnteresseerd, het gaat alleen maar om koeien, een stuk land of een paar meubels.’

De archivaris doelde op de zogenoemde ‘Naturalrestitution’ in het bezette Polen. Langs deze weg werden Duitse emigranten uit het oosten van Midden-Europa met het eigendom van verdreven Polen en joden ‘schadeloos gesteld’ voor de bezittingen die ze in Rusland of Roemenië hadden moeten achterlaten. Deze staten moesten echter voor have en goed van de vroegere Duitse minderheden betalen. Zij leverden graan, spijs- en aardolie aan het Duitse Rijk, en de opbrengst daarvan ging naar de fiscus.

Tot de instellingen die zeer intensief betrokken zijn geweest bij de roof van vreemd vermogen, en kunstschatten, dure muziekinstrumenten, goud en waardevolle verzamelingen in hun schatkamers hebben opgeslagen, behoren de Reichsbank en de door haar aangestuurde Reichskreditkassen. Zo kunnen we bijvoorbeeld lezen wat de ‘Devisenschutzkommandos’, die bestonden uit medewerkers van het Duitse ministerie van Financiën, in de weken na de bezetting van Frankrijk uit de bankkluizen van ‘rijksvijanden’ roofden en afleverden bij de Reichskreditkasse van Parijs: bijna een ton goud, 389.000 Zwitserse frank, 850.000 dollar en 800.000 waardepapieren (obligaties). Als je de lijst doorneemt van het Devisenschutzkommando van Bordeaux van 30 juni 1940, horen vooral joodse eigenaren tot de slachtoffers. Ze heten Lichtenstern, Leibowitz, Gutwerth, Leibl, Beck of werden simpelweg als ‘onbekend’ geboekstaafd. Volgens een overzicht van het Devisenschutzkommando van Frankrijk, dat tot 30 april 1941 reikt, beliep de buit op dat tijdstip al een veelvoud hiervan. Inmiddels was er 2,4 ton goud ‘zeker gesteld en in beslag genomen’, naast grote hoeveelheden gouden munten en diamanten.

De totale waarde zou 2,85 miljard Reichsmark bedragen, en daar bovenop kwamen nog buitenlandse effecten met aanzienlijke waarde. Alleen al in België, Frankrijk en Nederland werd op deze manier in totaal 53,6 ton goud met behulp van de Devisenschutzkommandos achterover gedrukt en ‘door de diverse Reichskreditkassen naar Berlijn overgebracht’. De kunstroof maakte maar een klein deel uit van de totaalbalans. De Reichskreditkassen hebben zich met hun systeem van stelselmatig bedrog hoofdzakelijk meester gemaakt van levensmiddelen, allerlei soorten diensten, grondstoffen en industriële producten uit de bezette landen, ten bate van de Duitsers. Zo ruïneerden zij de valuta’s van deze landen en wisten zij tot het einde van de oorlog de geldontwaarding van de Reichsmark te verhinderen.

Wie zich deze feiten voor de geest haalt, begrijpt waarom de in 1958 opgerichte Deutsche Bundesbank geen rechtsopvolger wilde zijn van haar voorganger. Overigens heeft in het hoofdkantoor van de Bundesbank in Frankfurt nog tot het einde van de jaren zeventig een zekere Ulrich Benkert, ‘Reichsbankabwickler’, geresideerd. Hij rapporteerde in 1978: ‘Ik heb in de loop der jaren enige duizenden ordners door de Bundesbank laten vernietigen, zonder ooit verantwoording voor de inhoud ervan te hebben gegeven.’ Van een aarzelende beambte van de Landeszentralbank in (West-)Berlijn verwachtte hij met betrekking tot de daar opgeslagen documenten van de Reichsbank een soortgelijke ‘gedienstigheid’.

Zijn aandringen bleef niet onbeantwoord. In Frankfurt heeft hij destijds met behulp van de verbrandingsinstallatie van de Deutsche Bundesbank de overgebleven documenten van de Reichsbank vernietigd. Daarbij zijn honderdduizenden documenten over de massale roof in vlammen opgegaan, vermoedelijk ook de stukken die als bewijsmateriaal konden dienen voor de geldtransacties van Hildebrand Gurlitt. Benkert heeft de laatste grote stapel documenten, uitdrukkelijk aangemoedigd door het Duitse ministerie van Financiën, in de tijd van bondskanselier Helmut Schmidt en minister van Financiën Hans Apel verbrand.

Honderdduizenden documenten over de massale roof zijn in vlammen opgegaan

Wij kunnen ons daar nu druk over maken. Maar deze vernietiging van bewijsmateriaal was in het objectieve belang van de destijds levende Duitsers. Zij hadden, zelfs als ze dat serieus hadden gewild, de kosten van de roof- en vernietigingstochten van de Tweede Wereldoorlog nooit kunnen vergoeden. Een dergelijke poging zou tot de economische en politieke ineenstorting van het land hebben gevoerd.

De schilderijenverzameling van Cornelius Gurlitt is slechts één voorbeeld van deze miljoenenvoudige roof – en niet eens een zo heel groot voorbeeld. Als zijn schilderijen zouden worden teruggegeven aan de landen waaruit ze zijn weggehaald, zou opnieuw de vraag aan de orde komen over de herkomst van veel werken in Duitse musea, bibliotheken, kunstverzamelingen en particuliere woningen. En waarom ook niet? Wij kunnen onmogelijk alle schade van de wereldoorlog vergoeden, maar wél de kunstwerken en andere zaken van waarde, die op onredelijke wijze door Duitsers naar Duitsland zijn versleept, teruggeven aan de nabestaanden van de mensen aan wie ze ooit hebben toebehoord.


Götz Aly publiceerde in 2005 het boek Hitlers Volksstaat: Raub, Rassenkrieg und nationaler Sozialismus bij S. Fischer Verlag, Frankfurt. Dit artikel stond oorspronkelijk in Die Zeit

Vertaling: Menno Grootveld


Een miljard aan kunst

De politiebeambten wisten in 2012 niet wat ze zagen toen ze bij de tachtigjarige Cornelius Gurlitt binnenvielen. Het chaotische Münchense appartement was van boven tot onder volgestouwd met naar later bleek ruim vijftienhonderd kunstwerken. Veelal ‘entartete’ avant-gardekunst van makers als Max Beckmann, Otto Dix, Emil Nolde en Marc Chagal. Ook een schilderij van Nicolaes Maes was aanwezig.

De collectie is bijeengebracht door kunstkenner Hildebrand Gurlitt, de vader van Cornelius. Hoewel joods volgens de Neurenberger wetten was hij toch een van de belangrijkste kunsthandelaren van Joseph Goebbels. Hij kreeg de opdracht geconfisqueerde kunst te verkopen en slaagde erin een groot aantal werken achter te houden.

In 1945 speldde Gurlitt sr. de Amerikanen de smoes op de mouw dat de collectie was vernietigd bij de massale bombardementen van Dresden, en toen hij elf jaar later omkwam bij een autogeluk, werd zijn zoon beheerder van de geheime collectie.

De zonderlinge kluizenaar liet de verzameling vijftig jaar grotendeels ongerept, slechts af en toe verkocht hij een kunstwerk om de rekeningen te kunnen betalen. Op de terugweg van waarschijnlijk zo’n transactie in Zwitserland werd hij aangehouden door de Beierse douane met een grote hoeveelheid geld, de aanleiding voor de politie-inval.

Het zal jaren duren om de herkomst van de kunststukken te achterhalen, verwachten deskundigen. Een gedeelte is ongetwijfeld geroofd of onder druk verkregen. Maar ook is een deel voor de toen geldende marktprijs gekocht. (EdV)

Beeld: Archief TU Dresden & Getty Images