Hitlertje spelen

De geschiedenisleraar R. Bakker te Lochem gaf onlangs zijn 3 havo-klas opdracht tot het schrijven van een ‘propagandatoespraak voor het nationaal-socialisme’ waarin ze joden belachelijk moesten maken en het Duitse volk moesten aansporen tot discipline. Sommige leerlingen en ouders maakten bezwaar en de directie sprak een verbod uit - niet omdat de leraar verkapte nazipropaganda maakte, maar omdat de scholieren in kwestie te jong zouden zijn voor een dergelijke oefening in empathie.

Het is een begrijpelijke maar overbezorgde reactie. Kinderen in 3 havo mogen via geschiedenisboeken, tv-documentaires en herdenkingstentoonstellingen kennelijk wel worden geconfronteerd met de gruwelen van de nazitijd, met foto’s en getuigenissen van razzia’s, veldslagen en vernietigingskampen, maar ze mogen zich niet inleven in de psychologie van de daders. Met andere woorden: ze mogen niet proberen te begrijpen wat er gebeurde. Begrip is het voorrecht van de slachtoffers, zoals Anne Frank, wier dagboek wel voor kinderen van hun leeftijd geschikt wordt geacht om de eenvoudige reden dat het door een kind van hun leeftijd werd geschreven. Deze opvatting sluit helaas aan bij een humanitaire mode die het menszijn reduceert tot lijdzaamheid: alleen de slachtoffers van gruweldaden zijn menselijk, de daders zijn per definitie onmenselijk. Wie zijn kinderen zulke noties bijbrengt, voedt ze letterlijk op tot halfweters.
Het ware beter kinderen te leren dat een mens nooit louter slachtoffer is maar altijd ook dader en medeplichtige - een onaangename waarheid die des te verwoestender wraak neemt naarmate je hem hardnekkiger onderdrukt. Anders gezegd: de fascinatie die kinderen nu eenmaal hebben voor oorlog, angst en geweld kun je ze maar beter onder woorden laten brengen, in de hoop dat ze de vijand of de lafaard in zichzelf tijdig herkennen. Wat dat betreft is één les van meneer Bakker meer waard dan tien brochures van de Anne Frankstichting.