Autosalon in Parijs

Hitsig én reiswaardig

De grote autobeurzen zijn de etalages van de branche. In Parijs is afgelopen week de Mondial de l’Automobile geopend. De stand van zaken in een wereld van superlatieven.

PARIJS – Wat doen de vele duizenden autojournalisten op de persdagen van de Mondial de l’Automobile in Parijs, een van de belangrijkste autotentoonstellingen ter wereld? Wat ze altijd doen, omdat er geen ontkomen aan is. Eerst halen ze bij de persbalie hun pers mappen op. Die stoppen ze in felgekleurde boodschappenkarretjes met het logo van de autofabrikant. En dan begint het grote slenteren langs de stands in de enorme hallen, de zoveelste rondgang langs primeurs die ze van persberichten soms al maanden kennen.

Genoeg vertier. De cateraars staan voor hun grote klanten op de tenen en een oesterlunch – de ware liefde gaat nog altijd door de maag – stemt mild. Overal mooie meiden uiteraard, als appetizers voor de seksuele opwinding die autokopers bij hun aankoop moeten voelen: er zijn subtiele overeenkomsten tussen het vloeren van een gaspedaal, zoals dat heet, en het moment suprème. Als het maar beweegt; sommige fabrikanten trakteren bij de presentatie van een nieuwe auto op een dansshow.

De stands, altijd geraffineerde orkestraties van het door de fabrikant gewenste merkprofiel, zijn prachtig. Die van Peugeot is dit jaar groen. Heeft vast iets met ecologie van doen: de Fransen bouwen voor hun klanten schone diesels die de groene buitenwereld niet vervuilen. De stand van Citroën is roze, weer dat zachte. BMW houdt het op ongenaakbaar wit: de koele scherpte van het merk verlangt het.

De fotografen klikken, terwijl de journalisten stoelen testen in de nieuwe Ford Focus of de van kekke schuifdeuren voorziene mini van Peugeot, de 1007. En op de persconferenties, bij de officiële onthullingen van nieuwe modellen, noteren ze en masse de voorspelbare superlatieven van de captains of industry. Het gaat weer goed met Citroën! Ford blijft toonaangevend! Mazda toont na jaren van vervlakking weer emotie!

Emotie is een sleutelwoord. Geen fabrikant die de term niet laat vallen in zijn verwilderde behoefte zijn product de schijn te geven van eenmaligheid. Emotie staat voor merkidentiteit, het onvervreemdbare. Dit onvervreemdbare is wat een auto onweerstaanbaar maakt, dat is de redenering zo’n beetje. De klant moet voor zijn auto vallen als een blok. Hij moet het gevoel hebben dat hij de auto met niemand hoeft te delen. Dat gevoel is een illusie, en die illusie moet gevoed tot elke prijs. Dus moet de auto mooi zijn en buurmannen tot afgunst drijven met zijn aura van begeerlijkheid en luxe. Ook wat niet duur is, moet het lijken. Voor zo lang het duurt, want houdbaar is het nieuwe in de autowereld nooit, omdat de zucht naar individualiteit steeds sneller in zijn tegendeel verkeert: de haute couture van vandaag is de confectie van morgen.

Parijs is absurd. Alle autobeurzen zijn absurd. Het zijn de volgestouwde voorraadkamers van het onverzadigbare monster dat de industrie tot in de zwaarste crisisjaren is gebleven. Steeds meer van hetzelfde, en datzelfde net zo anders dat het nieuw lijkt. Als alibi vallen de grote spelers terug op steeds dezelfde redelijke argumenten. Innovatiedrang. Of eigenzinnigheid.

Het aanbod is verbijsterend. Toch zijn er altijd wel een paar belangrijke tendensen zichtbaar. Het zijn tendensen die ontstaan omdat, ondanks de met de mond beleden wil van alle aanbieders een eigen koers te varen, de meeste fabrikanten één parcours bewandelen: de weg van sneller en van meer. Er is in dat opzicht geen onderscheid tussen de prestigemerken en de massafabrikanten. Ook Mercedes, BMW en Audi richten zich naast de vertrouwde, prestigeträchtige slagschepen tegenwoordig meer en meer op kleine auto’s voor het, hoe zeggen we dat netjes, bredere publiek. En Volkswagen bouwt grote, wat het wankelende merk overigens slecht bekomen is, want niemand wil de fabuleus rijdende maar peperdure Phaeton hebben: een Volkswagen blijft een Volkswagen.

Wat zijn de trends, om dat verschrikkelijke woord te gebruiken? In de eerste plaats de heropleving van het design, die van het saaie vervoermiddel dat de auto in de jaren zeventig en tachtig was geworden weer een architectonisch kunstwerk heeft gemaakt. Designers, tot een jaar of tien geleden anonieme tekenaars in de blikfabriek, zijn de sterren van de branche geworden. Voor interviews met Peter Pfeiffer van Mercedes, Murat Günak van Volkswagen of Adriaan van Hooydonk, de nieuwe Nederlandse designchef van BMW, staan journalisten in de rij. Avant-garde is, van BMW tot Chrysler of Peugeot, tegenwoordig bijna iedereen.

Met het design is ook het autohedonisme teruggekeerd. De tijd waarin een auto werd verkocht op functionaliteit, zuinigheid en duurzaamheid is over. De klant wil leer. Een navigatiesysteem. De ramen en stoelen elektrisch bedienbaar. Automatische airconditioning, met temperatuurregeling. Een stereo met geïntegreerde telefoon. Internet. En dvd voor de kinderen op de achterbank, met televisieschermen in de hoofdsteunen. Het is opvallend dat de hang naar luxe zelfs in Nederland, waar ze van auto’s altijd de goedkoopste versie kochten, heeft toegeslagen. De auto is op wereldschaal een sekssymbool geworden. De Fransen hebben de grandeur van hun designgeschiedenis herontdekt. De vijfdeurs versie van de nieuwe Citroën C4 is weer een radicale auto die met weelderige ronde lijnen teruggrijpt op de taal van Deux Chevaux en DS.

Hedonisme leidt tot schaalvergroting. De limousines in het topsegment zijn larger than life. De Maybach 62 en de Rolls Royce Phantom hebben het formaat van een bescheiden vrachtwagen. Het tegenovergestelde geldt ook: de kleintjes worden steeds kleiner, om in een later stadium weer te gaan groeien. De Smart heeft inmiddels gezelschap gekregen van een vierpersoons compact, de Forfour. De nieuwe Mercedes A is een stuk groter dan de vorige.

En dan is er cross-over. Vroeger was de markt voor personenwagens onderverdeeld in overzichtelijke categorieën: de sedan, de coupé, de station, het personenbusje. Die grenzen zijn vervaagd nu het publiek graag alles tegelijk wil, of van de industrie geleerd heeft dat te willen. Dus wil de koper nu de snelheid van een sportwagen, de ruimte van een stationcar en het comfort van een sedan ineen. Dat kan hij krijgen. De beurs in Parijs is afgeladen met auto’s die liefst alles tegelijk zijn: verhuisdoos, familiekoets en TGV.

De grensvervaging gaat in stadia. Aanvankelijk beperkte het aanbod zich tot SUV en MPV. De SUV, afkorting voor Sports Utility Vehicle, was een modieus verpakte terreinwagen waarmee de klant geacht werd zijn sociale leven te ontginnen, niet de wildernis. Eerst heette zo’n auto een offroader, maar terreincapaciteiten werden op den duur zo secundair dat steeds meer SUV’s leverbaar werden zonder vierwielaandrijving: je had zo’n auto voor Zandvoort of de P.C. Hooft.

De MPV – Multi Purpose Vehicle – ontstond als nieuwe variatie op de stationcar. Hij was wat hoger. Hij leek op een busje, maar dan liever. Minder grauw, meer de verbeelding van een stijl van leven dan een transportmiddel. De stoelen achterin – geen bank meer – waren uitneembaar. Je kon ermee naar je werk en op zondag reed je met het hele gezin naar Ikea. Stond je niet meer voor gek in een armzalige gezinsbesteller.

Inmiddels zijn er SUV’s en MPV’s in alle maten. Ook hier weer de tweezijdige tendens van schaalverkleining en -vergroting. Steeds nieuwe mengvormen moeten klanten over halen hun bange grenzen te verleggen. Wat ze ten slotte doen, omdat geen mens in deze tijd wil doorgaan voor een angsthaas: durf is plicht.

De meest extreme SUV’s zijn nu verkapte sportwagens in werkmansdracht. Porsche heeft de Cayenne, een buitenaards ogend terreinvoertuig met enorme achtcilindermotoren; de sterkste versie, uitgerust met turbo, haalt een top van 266 kilometer per uur. Geen mens gaat met zo’n auto het moeras in. Maar hij kan het wel, dat telt. The winner takes it all.

Ook in andere segmenten rukken de cocktailvarianten op. De vierdeurs coupé is weer terug. Mazda heeft de RX8, die lijkt op een tweedeurs, maar beschikt over twee gemutileerde achterdeurtjes die toegang verschaffen tot twee achterzitplaatsen waarin het voor de jonge garde knus cocoonen is. Daimler-Chrysler heeft de CLS: een verleidelijke, platgeslagen kruising tussen de Mercedes E- en S-klasse.

Bij nieuwe tijden horen nieuwe initialen. Mercedes heeft nu ook een MPV, die Grand Sports Tourer heet, wat staat voor groot én hitsig én reiswaardig tegelijk. Binnen is het net een limousine: het ontbreekt je aan niets.

Intussen komen de traditionele vormen steeds meer onder druk te staan. De compactklasse, oorspronkelijk bedoeld als een onpretentieus en betaalbaar vervoermiddel voor vier inzittenden plus bagage, ontwikkelt zich door de komst van kleine, statusgevoelige BMW’s en Mercedessen steeds meer tot een lustobject voor jonge carrièristen. Op de achterbank van de BMW 1, een luxueuze concurrent van de Volkswagen Golf, houdt geen volwassene het meer dan drie seconden uit. Daar is hij ook niet voor bedoeld. De 1 is er voor de aandacht van de Golf-klant die de keus voor zijn gedegenheid opeens betreurt omdat de 1 hem laat begrijpen hoe het ook kan: stoer en wild. Kinderen heeft hij toch niet, en desnoods is hij bereid het ouderschap te offeren aan zijn prestige in de dagelijkse file voor de Coen tunnel. De BMW toont wat hij is, een man of vrouw van de wereld.

Een ander voorbeeld van normvervaging is de nieuwe Peugeot 407 station. Ten opzichte van zijn voorganger, de 406, heeft hij een flink deel van zijn laadruimte verloren. Maar hij ziet er wel geweldig uit, daar gaat het om.

Er zijn twee manieren om naar de auto-industrie te kijken. Als liefhebber en als aartsvijand. In Parijs ben ik beide. Ik ben verslaafd aan de auto. Al die hippe multifunctionele monsters wil ik uitproberen, net als de nieuwe 407. Maar als alle verslavingen is ook deze dubieus, en na een dag Parijs weet ik opnieuw waarom. Nog maar ternauwernood bekomen van een ochtend zwerven arriveer ik bij de stand van Lancia. Italiaanse merken trekken bij presentaties graag een blik modellen open om hun wagens op te leuken. Bij de nieuwe Lancia Musa, een soort mini-MPV’tje, bevolken drie wonderbaarlijk mooie vrouwen het plateau waarop de auto ronddraait. Opeens zie ik alles. Ik zie de automannen met hun pakken en hun glamourvrouwen luchtig chatten. Boven dat alles uit hoor ik luidruchtige muziek van een tenor uit het vermaakssegment. Ik zie een journalist uit Azië verbeten foto’s maken. Imposant, zoals hij zijn genot weet te verbergen. Hij kijkt alsof het oorlog is; de pret komt straks pas, bij het downloaden. Ik kijk naar de Musa. Hij rijdt vast uitstekend. En hij is vast ontzettend praktisch. Toch is het een zinloze auto. Er zijn tientallen Musa’s. Die meiden staan daar helemaal voor niks. Want binnenkort is ook de nieuwe Musa weer geschiedenis.

Mondial de l’Automobile. Tot 10 oktober in de Paris Expo. www.mondial-automobile.com