Hm, zegt Tom Poes

MARC KREGTING
ZOEM! EVOLUTIES
Wereldbibliotheek, 64 blz., € 15,90

– Menigten drommen pakken samen.
Een schervenglinstering belet elk zaaien van
de dubio dignitatis, iets wat je echter al wist.
Dan maar in conclaaf met de libido die niet
onzijdig worden wil. Je slaat op haar met een
plastic zak, waarin je voor de gelegenheid je
hoofd verborgen hebt. Daarna bestel je koel
en loslippig een Grande Sugar Free Alpacino
Vanilla Skim Latte. De strijders beleggen weer
een vergadering. Hopelijk zijn er broodjes bij,
per halfuur verzorgd opgetast door de bonden.
Jean heeft een lange snor, zijn schoonmoeder
is homo. Het is de vraag wat je in hen voor een
maat ziet. Daartoe maak je de passeerbeweging
met bal. Er is een ongenoemd blijvende iemand
die nu eenmaal zijn dagelijkse Porsche moet.
Gun dat, gun dat, goal. Niet elke eend is een
citroen. Laat dat nu, wolkenkind, en ga eindelijk
verticaal klasseren. Zaad is gewoon dik bloed
zonder factoren, weet je nog. Voor het kielgat.
Je opent een tube componentenlijm bij het
reglement van internen, terwijl je glas knaagt –

Marc Kregting heeft naam gemaakt met zijn polemieken, vooral die rond het uitgeverswezen. In zijn opstellen Laden en lossen, die hij ‘confrontaties’ noemt, toont hij zich een fanatiek en eigenzinnig lezer. In bepaalde teksten, veelal niet in boeken opgenomen maar in tijdschriften, schrijft Kregting verbeten van zich af. Het is op die momenten moeilijk voorstelbaar dat hij tegelijk wonderlijke en humoristische poëzie schrijft. Een groter kritiek op het literaire bedrijf dan die van Kregting zelf zou de notie zijn dat zijn poëzie buiten beschouwing wordt gelaten vanwege zijn niets ontziende opinies.
En dat zou zonde zijn. Ik heb een vertaler Nederlands-Frans die zich aan een stukje Kopstem/Stopnaald zette schuddebuikend onder zijn bureau zien verdwijnen, als bevatte het werk dat hij onder handen had heel wat deadlier jokes dan ‘The knights who say nY’. Marc Kregting (1965) debuteerde in 1994 in de Kleurenreeks van uitgeverij Perdu met De gezel. De bundel heeft voor mij indertijd als lakmoesproef gewerkt: ik heb hem vervloekt, op de grond gegooid, weer opgepakt, gelezen en opnieuw gelezen. Ik heb me afgevraagd of hier een Wassenaarse dame in een bontmantel naar een printshop was geweest, er de duurste soort gespikkeld, geschept papier uitkoos om er haar sierletters en notenbalkjes op af te laten drukken. Of ik soms in de maling genomen werd. En uiteindelijk, na 31 keer lezen, raakte ik bevangen door de toon van De gezel. ‘Geen fee zo goed/ te vertellen dat wij een sprookje was. Land mispel./ De greppels waren zuur, zacht.’ De onzin die de lezer om de oren gesmeten werd, leek wel degelijk iets te bevatten. Ingang boden de neerlandistieke grapjes die als voorafjes aan de gedichten werden toegevoegd. Over het ‘verraderlijke’ voorzetsel tot, dat de automobilist in staat stelt de lifter er al bij de gemeentegrens uit te gooien, of de vraag of een fluitketel zonder fluit eigenlijk wel een fluitketel is. Ze waren een beetje oubollig, die cursiefjes, maar samen met de notenbalken en die rare gedichten had het wat.
Marc Kregtings tiende boek in vijftien jaar tijd Zoem! heeft als ondertitel ‘evoluties’. Wat de vorm betreft heeft het wat weg van zijn debuut. Onder aan drie gedichten wordt opnieuw een aantal sterk van de gedichten afwijkende opmerkingen gemaakt: ‘Nee, dan vroeger. Proleten heetten proletariërs.’ Of: ‘Wij waren zo arm dat wij niet eens een crisis kónden doormaken.’ Alle 56 gedichten hebben geen titel en staan tussen twee gedachtestreepjes. De bundel opent met wat een pleonasme lijkt: ‘Menigten drommen pakken samen.’ ‘Niet elke eend is een/ citroen’ doet onwillekeurig denken aan hoe de straatzwerver Johnny in de film Naked als hij een bad aangeboden krijgt aan zijn gastvrouw vraagt: ‘Can you pass me bag? I got me duck in it.’
Kregting grossiert in bestuurderstaal, veelal in de gebiedende wijs gesteld. Het is poëzie van de taalironie, van de binnenpretjes, van over elkaar heen struikelende zelfrelativeringen. Getuige een motto van Leopold speelt de bundel zich vooral af rond de inwendige mens. ‘Maria/ prullaria, je bevelen zijn inne.’ Een ander gedicht opent: ‘Zeg eens ham met je mond dicht.’ Bepaalde gedichten van Kregting blijven als mosselen gesloten, ze schuren lekker van buiten maar lekken doen ze niet. Soms lijken ze vooral van vrolijkheid te getuigen. ‘Knijp daarna gerust de eend uit en vlij je in de/ welverdiende sopguts.’ En even verderop: ‘Alhier is de stem van het geweten. Berichten/ kan men nadien inspreken.’ Het zijn vooral de opeenvolgingen die krankzinnig grillig en soms hilarisch zijn. Hier en daar doet dat denken aan gedichten van de jongeren Alfred Schaffer en Arnoud van Adrichem, en lijkt het een alwetende maatschappelijke stem die geridiculiseerd wordt. ‘Je rug zit schaamteloos van/ achteren.’ In bepaalde gedichten wordt een jij-figuur toegesproken: ‘Indien je deze piccolo nu laat staan, ga je hoge/ posten bekleden. Billen billen met een bochtje.’
Veelvuldiger is er sprake van een ‘men’ in de gedichten. Dat is niet Gerrit Kouwenaars ‘men’, maar een letterlijker vorm van men, kort voor mensen. Die vorm gaat in de loop van de bundel een beetje wringen, maar dat is vaker met Kregtings gedichten, die fris ogen als je ze oppakt maar zich moeilijk in hoeveelheden achter elkaar laten lezen. ‘men rangeert je uit, mennen weten vaak waarom.’ Soms is Kregting wat al te humoristisch, zonder twijfel met opzet: ‘Het labyrint vorst een/ uitweg uit het labyrint, de sul.’ Een andere verwantschap is die met de sonnetten van Jan Kuijper, waar je ook duchtig in kunt verdwalen en over taalgrapjes struikelen. Kregting dicht: ‘Je hebt voortgebracht door uitnemende taalles.’ Hij schuwt nooit het banale, het absurde evenmin: ‘de btw op pampers/ dient fors omlaag, internationaal via de/ fondsen van de zakenlunch.’ ‘Je ziet er uit als je hoogsteigen alibi’, schrijft hij.
Kregting is flink op dreef in zijn bundel Zoem! ‘De agenda vermeldt/ een punt van isme krisme krasme krullemarijn.’ Het is met alle wonderlijkheden een duizelingwekkend geheel: ‘De wijngaard is hoog en dicht genoeg om je/ in een fabel te verbergen.’ En toch ligt er een bommeliaans gevaar op de loer in de gedichten van Kregting, vanwege de overdaad aan spitsvondige humor. En warempel, de laatste drie woorden van de bundel luiden: ‘Wil mij verschonen –’