Tema con variazioni

Ho! He! He! Ha! He! Husche! Hallohe!

Koren, hoezeer ik er ook op gesteld ben, hebben op mijn leven niet zo'n grote invloed gehad, behalve het Toonkunstkoor Amsterdam, waarmee ik traditionele banden heb, en het Internationaal Jeugdkoor waarin ik ooit op hemeltergend amateuristische wijze het vocale slotgedeelte van de negende van Beethoven mee mocht bassen, want ik vervulde toevallig een klerkenfunctie bij de organiserende instantie en mijn werkgever gunde mij best een creatieve minivakantie.

Sedertdien ken ik het koorwezen voornamelijk als consument. In eerste instantie via het «wekelijks opera- en belcantoconcert, voor u samengesteld door Etiënne van Esten», een medewerker van de BRT, die in werkelijkheid waarschijnlijk Matthieu van Eysden heeft geheten. Véél koorgezang, in de presentatie vervlaamst tot het Jodenkoor uit Nabucco en het Jagerskoor uit De Vrijschutter, de gekende opera van Karel Maria van Weber.

Soms kondigde de presentator een fragment uit de werken van Richard Wagner aan, waarna ik onmiddellijk de radio uitzette, want ik had bij geruchte vernomen dat die man zo'n lelijke nazi was. Stel je voor dat ik zijn muziek plotseling mooi zou vinden. Dan was ik zelf misschien wel een beetje zo'n lelijke nazi. Dus nam ik geen enkel risico en zette Wagner op mijn particuliere index.

Wij schrijven de vroege jaren zestig.

Ik was jong en gretig, verzwolg de hele wereldliteratuur en luisterde — behalve naar Wagner — naar alles, zelfs naar het KRO-ochtendprogramma van Mia Smelt, een katholieke dame die onder het patronaat van Paus Johannes de 23ste een uur lang de favoriete platenkeuze van haar voornamelijk vrouwelijke luisteraars presenteerde. De titel van het programma luidde Moeders wil is wet, wat wij in onze puberale kutklotehumor berijmden als: «…thuis, én in bed!», het een en ander in de veronderstelling dat wij de leukste thuis waren.

Om kort te gaan, ik viel op een gegeven moment midden in meerstemmig mannengezang, dat ik als ongewoon meeslepend ervoer, om bij de afkondiging te ervaren dat ik naar het Matrozenkoor uit Wagners Vliegende Hollander had geluisterd. «Steuermann! Lass die Wacht! Steuermann! Her zu uns! Ho! He! He! Ha! He! Husche! Hallohe!» Groot was mijn ideologische verwarring. Ik had van de verboden vrucht gegeten en had daar bovendien veel genoegen aan beleefd. Wat moest er van mij terechtkomen!

Het zou enige tijd vergen voordat ik wist dat het mogelijk is een antisemiet, warhoofd, parasiet en politieke non-valeur te zijn en tóch over het talent te beschikken een goede tot zeer goede opera te schrijven.

Met koor, net zoals in spektakelstukken als Lohengrin en Tannhaüser. Dit voert ons naar een der mysteriën van de muziekgeschiedenis. Wagners ultieme opera is natuurlijk de Ring des Nibelungen, een veertien uur durende greep naar de onsterfelijkheid die niettemin, gegeven de saaiheid van menige scène, wel wat rumoer zou kunnen gebruiken, bijvoorbeeld zo'n 120-koppig koor, kleurrijk dwarrelend over de plankieren. Waarom heeft Wagner dan toch in zijn tetralogie zo spaarzaam van het koor gebruik gemaakt? Het blijft beperkt tot een kwartiertje in Götterdämmerung — «Hagen! Hagen! Hoiho! Hoiho!» —, een ongewoon vertoon aan bescheidenheid voor een gemankeerde circusdirecteur als Wagner was. Begrijpen doe ik het niet. Hoe vlijtig ik ook zijn brieven en andere bronnen doorvlooi, wat hem bezielde blijft mij duister.

Terwijl de componist in zijn laatste opera, het Bühnenweihfestspiel Parsifal, het koor wel degelijk een prominente plaats heeft vergund. Hij móet het koor als een volwaardig instrument hebben beschouwd, want de bladzijden die hij voor de dames en heren heeft ingeruimd bevatten soms pure tovenarij. In Lohengrin zingt het koor in zilver. In Parsifal zingt het in dofgoud. Hoeveel aanmerkingen ik ook op Wagner heb, hij was de enige componist die in staat was in kleur te componeren.

Ik hoorde Parsifal voor het eerst in 1983, tijdens de Bayreuther Festspiele, nota bene twee keer op de desbetreffende zondag, ’s morgens cinematografisch ingeblikt, en ’s middags live op de Groene Heuvel, waar Wagners hoofdkwartier is gevestigd. Twee maal zes uur, dat kan een mens in principe wel aan. Dacht ik. Behalve als je bij een temperatuur van dertig graden op die martelende stoeltjes zit die Wagner hoogstpersoonlijk heeft ontworpen teneinde zijn fans wakker te houden. Van de voorstelling herinner ik mij eigenlijk alleen het feit dat ik na afloop het gevoel had een dagmars met volledige bepakking te hebben afgelegd. Volkomen uitgeput, bevend van de koorts, de gebruikelijke nazit in het café negerend, schuifelde ik buiksgewijze in de richting van mijn hotelkamer om daar onmiddellijk in een diepe, droomloze slaap te vallen. Sedertdien beluister ik Wagners «finale kaart» veiligheidshalve via de gebenedijde producten van de geluidsindustrie, de compactdisc of desnoods die goede, oude grammofoonplaat.