Ho, ho, ho chi minh!

Dertig jaar geleden organiseerde Todd Gitlin de eerste demonstratie tegen de oorlog in Vietnam. Afgelopen weekend vierde Vietnam dat twintig jaar geleden de Amerikanen als verliezers het land verlieten. Wat is er van de anti-Vietnamgeneratie terechtgekomen?
KEURIG ZAGEN ze eruit, de Amerikaanse Vietnam-demonstranten van het eerste uur. Kortgeknipt en met een stropdas om marcheerden ze op 17 april 1965 met z'n twintigduizenden naar het Witte Huis om president Johnson te vertellen dat Amerika niets te zoeken had in Vietnam. Helaas, de president was niet thuis. Hij prefereerde een weekend op zijn Texaanse ranch boven thee met de demonstranten. Toch bleef de demonstratie niet zonder gevolgen. In de tien jaar daarna veranderde de verzetsbeweging tegen de oorlog in Vietnam van een studentikoze club in een goed geolied, landelijk netwerk, dat twintig jaar geleden eindelijk zijn zin kreeg. De Amerikanen moesten toen de ambassade in Saigon ontruimen en trokken zich defintief terug uit Vietnam. De nederlaag was een feit.

Todd Gitlin was Harvard-student toen hij in de vroege jaren zestig voorzitter werd van de radicale studentenbeweging Students for a Democratic Society. Hij was in 1965 nauw betrokken bij de organisatie van die eerste nationale demonstratie en herinnert zich vooral het pessimisme van de activisten uit die tijd. Gitlin: ‘Johnson had net van een unaniem Huis van Afgevaardigden de vrije hand gekregen in Vietnam door het incident in de Golf van Tonkin. De publieke opinie stond onwrikbaar achter de oorlog, dus we hadden geen illusies.’
Toch was de opkomst bij die eerste demonstratie hoger dan verwacht. Niets vergeleken bij de massale burgerrechtendemonstraties van de jaren daarvoor, waar soms wel een kwart miljoen mensen in meeliepen, maar toch. En het bleef niet bij die ene.r Gitlin: 'In 1967 waren de demonstraties zo veelvuldig dat er in de New York Times een speciale protestpagina kwam, met uitgebreide verslaggeving over de grote demonstraties en kleinere artikelen over lokale acties, varierend van vreedzame demonstraties bij recruteringsbureaus tot zeer dramatische zelfverbrandingen. Het zwaartepunt van de demonstraties verschoof geleidelijk van de elite-universiteiten naar de openbare universiteiten en beroepsopleidingen. Daarna kwamen er opstandjes binnen het leger zelf, soldaten die hun eigen anti-oorlogskrantjes gingen uitgeven of plannen maakten voor desertie of zelfs muiterij in Vietnam.’
Gitlin, geboren en getogen Newyorker, is inmiddels hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Californie in Berkeley, waar hij al 27 jaar in 'plezierige ballingschap’ vertoeft. Het baardje en de bril heeft hij nog steeds. In de VS en daarbuiten werd hij bekend door zijn boek The Sixties: Years of Hope, Days of Rage (1987), een standaardwerk over de jaren zestig in Amerika.
Momenteel verblijft hij een jaar als gastdocent in Parijs, waar hij colleges geeft over politieke correctheid en zich blijft verbazen over de opvattingen van zijn Franse collega’s daaromtrent: 'Als je de Franse kranten mag geloven is Amerika ten prooi gevallen aan een nieuw totalitarisme, een rigide moraal die political correctness heet. Er is naturlijk wel wat van waar, maar het is hysterisch om te denken dat de nieuwe McCarthy’s zijn opgestaan.’
OP BEZOEK IN Amsterdam, waar hij zich meer thuis voelt dan in Parijs, laat hij zich graag verleiden tot een terugblik. Uitgebreid gaat hij in op de, in zijn ogen overschatte, rol die de media hebben gespeeld in het beeindigen van de oorlog in Vietnam. Gitlin: 'De meeste journalisten zullen het niet met mij eens zijn, maar ik ben van mening dat de media zichzelf te veel op de borst hebben geklopt. Tot aan het Tet-r offensief waren ze niet erg kritisch in hun berichtgeving over de oorlog, op enkele uitzonderingen na, zoals Neil Sheehan van de New York Times. In het algemeen werd ervan uitgegaan dat Amerika redelijke motieven had om in Vietnam te zijn.’
Hoe werd de oorlog door de Amerikaanse media verslagen?
'Er was vooral veel aandacht voor de grote demonstraties. Al in een vroeg stadium was het binnenlandse conflict over de oorlog voorpaginanieuws, maar vaak werd het verzet getrivialiseerd. De media besteedden vooral aandacht aan demonstranten met baarden in opvallende kleding, die vloekten, Noordvietnamese vlaggen meedroegen, “Ho, Ho, Ho Chi Minh” zongen en Amerikaanse vlaggen verbrandden. Als er honderd Amerikaanse vlaggen werden meegedragen in een demonstratie en een Vietnamese vlag, dan kon je er donder op zeggen dat die ene 'savonds in het nieuws te zien zou zijn. De media hebben de kloof tussen de militante en de minder militante vleugel van de anti-oorlogsbeweging vergroot. Ze versterkten het idee dat er een soort wilde, barbaarse opstand aan de gang was onder Amerikaanse jongeren, bijvoorbeeld door steeds maar weer uitspraken te publiceren als die van Jerry Rubins: “Kill your parents.”
Dus aan de ene kant hebben de media het verzet tegen de oorlog helpen versprei den, maar aan de andere kant hebben ze de groei van de beweging ook beperkt door almaar de excessen ervan te laten zien. Het is paradoxaal dat in de vroege jaren zeventig een meerderheid van de Amerikanen genoeg had van de oorlog in Vietnam, terwijl de anti-oorlogsbeweging op dat moment de minst populaire en meest gehate politieke beweging was. Die paradox werd gedeeltelijk door de media veroorzaakt.’
Als het niet de media waren die een einde aan de oorlog hebben gemaakt, was het dan de anti-oorlogsbeweging?
'Aan het eind van de jaren zestig had de beweging genoeg kracht om een verdere escalatie van de oorlog tegen te houden, hoewel we ons daar niet van bewust waren. Ze hielp de oorlog te verstikken en bood steun aan politici die zich tegen de oorlog verzetten. Je zou kunnen zeggen dat het Watergate-schandaal een indirect gevolg was van de anti-oorlogsbeweging, maar het was voor ons toen heel frustrerend, omdat we lange tijd geen concrete overwinningen behaalden.’
OVER ZIJN MOTIVATIE om actief te worden in de anti-oorlogsbeweging zegt Gitlin: 'Ach, het was net als verliefd worden. Achteraf weet je nooit meer precies waarom.’ Ieder had z'n eigen redenen om zich tegen de oorlog te verzetten, zegt hij, maar de Vietnam-activisten hadden zeker niet allemaal een broer aan het front. Integendeel. Door het klasse-selectieve systeem van dienstplicht werden met name de arme en laag opgeleide Amerikanen opgeroepen om in Vietnam te vechten, terwijl de meeste demonstranten studenten waren, die vaak niemand kenden in Vietnam.
Gitlin: 'Als student was je tot 1966 vrijgesteld en ook als je een kind had of een beroepsopleiding volgde, hoefde je niet naar Vietnam. Na 1966 begonnen ze studenten op te roepen door middel van een loterij, maar het was nog steeds heel makkelijk om eronderuit te komen. Als je slechte cijfers had, had je meer kans om opgeroepen te worden, maar toen dat werd ingevoerd, weigerden veel universiteiten de cijfers van hun studenten bekend te maken. Er waren allerlei manieren om een vrijstelling te krijgen. Ook Republikeinen als Newt Gingrich en Phill Gramm hebben vrijstellingen gekregen. Heus niet alleen Bill Clinton. Het was doodnormaal voor de middenklasse van die generatie.
Tot 1966 was het riskant om mee te doen aan demonstraties, maar toen de loterij kwam, bekeerden veel studenten zich terloops tot de anti-oorlogsbeweging, vooral om zichzelf te beschermen. Er zijn eigenlijk twee verzetsbewegingen geweest: de eerste gedreven door idealisme en de andere later, toen er op grote schaal dienst geweigerd werd en iedereen probeerde ver van het front te blijven.’
Als Amerikanen nu terugkijken op de Vietnamoorlog, zien ze die dan als een nederlaag en een vergissing?
'Een grote meerderheid van de bevolking ziet de oorlog zeker als een vergissing, maar een vergissing is nog geen misdaad. Ik denk dat de meeste Amerikanen het geen misdaad zouden noemen en ook geen nederlaag. Ze zouden misschien zeggen dat het een patstelling was. Maar ze zien het zeker niet als een overwinning.’
Waarom is het dan een voordeel in de politiek om in Vietnam gevochten te hebben? Hoe komt het dat het de grootste zwakte van Clinton is dat hij niet heeft meegevochten in een oorlog die algemeen gezien wordt als een vergissing?
'Dat is inderdaad moeilijk te begrijpen. In de eerste plaats is de minderheid die de anti-oorlogsbeweging hartgrondig gehaat heeft, luidruchtig, toegewijd en niet geneigd te vergeten of te vergeven. Ze gaan ook consequenter naar de stembus dan de oude medestanders van de beweging. Hoewel de meeste Amerikanen tegen de oorlog waren, zijn ze ook van mening dat je moreel verplicht bent om de regering te dienen. Dus zelfs als het verzet tegen de oorlog achteraf gelegitimeerd is, zijn de illegale methoden dat nog niet. Clinton heeft vrijwel zeker de wet overtreden. Als je, zoals Al Gore, tegen de oorlog was, maar je hebt er wel aan meegedaan, dan ben je in politiek opzicht in orde. Zijn vader was al in een vroeg stadium een moedig tegenstander van de oorlog, maar zijn zoon is wel naar Vietnam gegaan, dus die zit goed. Helemaal perfect is de Democraat Bob Kerrey. Hij was officier in Vietnam, raakte gewond en verloor er een been. Mooier kan niet.’
Dus deelnemen in de collectieve vergissing maakt je een beter mens?
'Ja, want als je land je nodig heeft, dan moet je klaar staan.’
NA DE GOLFOORLOG zei president Bush: 'Mijn God, we hebben het Vietnam-syndroom afgeschud!’ Klopt dat?
'Nee, helemaal niet. Amerikanen doen nog steeds heel erg moeilijk over het sturen van troepen naar het buitenland. De oorlogen die we sindsdien hebben gevoerd, zijn allemaal weekend-oorlogen geweest: een bom op Libie, een invasie in Grenada en een inval in Panama. Een beetje zielig eigenlijk.
De Golfoorlog was een uitzondering omdat het toen ging om grote aantallen troepen voor een langere periode, maar de kracht van de tegenstander werd dan ook enorm overdreven. Bovendien hebben de Amerikanen zich daar al voor de totale overwinning teruggetrokken. Ik zeg niet dat het nooit meer zal gebeuren, maar de Amerikaanse bevolking is er in principe fel op tegen. Ze wilde zelfs geen toestemming geven om een kleine troepenmacht naar Haiti te sturen. En ook de actie in Somalie wordt als een ramp gezien. Als er tegenwoordig ook maar een Amerikaanse soldaat wordt gedood in het buitenland, gaat er onmiddellijk een alarm af. Dat is eigenlijk een heel raar fenomeen, dat een gesneuvelde soldaat al voorpaginanieuws is. Dat is de erfenis van Vietnam.’
Wat is er gebeurd met de Vietnam-activisten? Wat is er waar van het cliche dat de hippies yuppies zijn geworden?
'Er is wel wat van waar, maar de meeste activisten zijn gewoon verder gegaan met hun leven. Sommigen zijn bij de tegencultuur betrokken gebleven en hebben zich van de samenleving afgekeerd, maar de meesten zitten gewoon overal en nergens in de maatschappij, in alle mogelijke beroepen. Er zitten er veel in de politiek. Voor sommigen, zoals Bill Clinton, was de beweging het begin van een politieke carriere. Clinton was in 1972 campagneleider voor George McGovern, die gesteund werd door de Vietnam-activisten. In het algemeen kun je zeggen dat ze zich nog steeds aan de linkerzijde van het politieke spectrum bevinden, dat ze minder verdienen dan hun generatiegenoten en dat ze vaak nog op een of andere manier aan politiek doen.’
En een van hen is president?
'Ja, een van hen is president. Er zijn veel mensen zoals Bill Clinton die eigenlijk een ondergeschikte rol speelden in de anti-oorlogsbeweging, maar voor wie het wel een heel belangrijke periode is geweest. Voor veel rechtse Amerikanen betekent die kleine rol toch dat hij geen respect verdient. Senator Jesse Helms zegt bijvoorbeeld dat hij Clinton niet als opperbevelhebber aanvaardt. Dat is nogal een radicale uitspraak voor een Amerikaan, aangezien de grondwet zegt dat de president opperbevelhebber is. Dus daar zie je weer dat ze niet erg vergevingsgezind zijn in die hoek. Ze hebben hem wel gekozen, maar ze respecteren hem niet.’