Hobbelende moeders

‘Eenmaal geworpen hebbende zijn vrouwen verloren’, schreef onze eiguh Marja Pruis in haar roman Atoomgeheimen (2008), en de nieuwe verhalenbundel van Sanneke van Hassel, Ezels, lijkt een exemplarische uitwerking van dat aforisme. Misschien dat er nog nergens in de bundel een bakfiets figureert, maar er wordt wat afgefietst, door jonge moeders in de grote stad – je ziet ze gaan, de vermoeide, uitgebluste wezentjes, van werk, naar kindercrèche, boodschappen doen, koken, afwasmachines in- en uitruimen, tijd wordt opgeslokt. De kinderen hebben namen als Heintje, Hugo, Feetje, Boet en Mijntje: in de verhalen in Ezels zijn ze nog jong, als we ze over vijf jaar weer zouden tegenkomen in nieuwe verhalen zijn het ongetwijfeld het type kids dat met huiswerk, playdates, hockey en vioolles een drukkere agenda dan zijn ouders heeft. De ouders (lees: moeders) hobbelen erachter aan, geketend aan wat ze zelf gebaard hebben.

Sanneke van Hassel, Ezels. De Bezige Bij, 128 blz, € 12,90

Medium hassel ezels

Van Hassel schrijft niet zo duister als iemand als Lydia Davis, die in haar verhalenbundels toch ook steeds over de moeilijke, vrouwelijke conditione humaine schrijft – sociaal, maar vooral fysiek: veel verhalen over veranderende lichamen – maar toont op een montere toon een algehele lulligheid van het bestaan. Als er al een vrijer op hun pad komt is die meestal alweer gepasseerd voordat ze er erg in hebben, alsof het moederschap hen ontkoppeld heeft van liefde en seks. Als zo’n moeder eens door een exotische man wordt aangesproken, ‘Wat drink je?’, moet ze bekennen dat ze niet eens koffie drinkt, maar chocomel, kinderdrank nummer één.

In dat eerste verhaal, typerend genoeg Motherhood geheten, maken we de mislukte flirt mee van zo’n jonge moeder. ‘Voor het eerst sinds maanden ben ik van huis.’ Op het perron ontdekt ze een spuugvlek op haar jas, net als een gesoigneerde, donkere man haar aanspreekt. Ze vertelt hem dat ze schrijver is en hij vraagt – de klassieker – of ze dan ook over hem gaat schrijven. Wanneer ze zegt dat ze nog niet zo lang geleden moeder is geworden, valt hij even stil, en vraagt uiteindelijk: ‘Hoe bevalt het, motherhood?’ Tegen de tijd dat zij haar antwoord klaar heeft is zijn blik al afgedwaald en maakt hij zich met een slap excuusje uit de voeten.

In het tweede verhaal, Indian time, ontmoet een vrouw, Mijs, een als Indiaan uitgedoste man, met wie ze een stukje oploopt naar de westernbeurs waar hij moet optreden. Een dag later wacht ze hem op en daarna begint ze met trillende benen een korte affaire met hem. ‘Hij draaide zich om en pakte haar bij haar schouders. Hard duwde hij haar op haar rug en ging op haar liggen. Zijn aanrakingen waren niet langer verkennend.’ Als ze na afloop haar telefoon controleert, ze is langer van huis gebleven dan afgesproken, heeft ze niet eens een berichtje van haar man.

Indian time eindigt ermee dat Mijs thuiskomt en een hete douche neemt, naar de mozaïek in de badkamermuur kijkt en zich afvraagt waarom ze dit ooit mooi heeft gevonden. ‘Nog vijftien jaar en dan zou ze op reis gaan, voor een hele tijd, alleen’, denkt ze als ze de kinderen met veel kabaal de deur uit hoort gaan. Nog vijftien jaar en dan zijn haar kinderen volwassen, bedoelt ze, dan kan ze weg. En toch weet je als lezer niet of ze het meent, of beter: je neigt er niet naar haar te geloven. Zo sterk, zo cynisch voert ze het moederschap-als-gevangenisstraf-idee ook weer niet op. Van Hassel maakt het liever ongemakkelijk dan echt pijnlijk.

Heel kundig laat Van Hassel het kleine ongeluk van de dagelijkse praktijk zien, al kun je niet anders dan opmerken dat ze dat ook wel heel dagelijks doet; ze moet het hebben van sprekende beelden, niet van fraaie zinnen, mooie vergelijkingen of eens een poëtisch gekozen woord. Soms blijven de observaties net te veel in het luchtledige steken: ‘Na de slopers, ruwe kerels die nooit om een servetje vragen, komen de mannen van beton en staal.’ Het is wat flauw om bouwvakkers ‘mannen van beton en staal’ te noemen, en de observatie dat ze geen servetje gebruiken moet iets over de natuur van de mannen zeggen, maar doet dat niet: welke bouwvakker stopt in godsnaam een servetje tussen de bammetjes in zijn broodtrommeltje? Waarom zou-ie?

In onderwerp en thematiek overlappen de verhalen elkaar, wat soms wat te veel doubleert, maar waarmee ze elkaar toch ook versterken. Er is een verhaal over een langzaam doordraaiende crècheleidster, wanneer een van haar kinderen vermist is en daarna naast een fles chloor wordt aangetroffen; een verhaal over een moeder die de kat van de kinderen, Dropje, uitlaat aan een riem, en de kat zo moet verstoppen dat de buren niet gaan klagen. Een vrouw wordt als ze in de speeltuin staat opgebeld door een oude vlam. En wat voor Indian time geldt, geldt ook voor deze verhalen: het zijn kleine incidenten, waarvan het nooit helemaal duidelijk wordt of ze nu momenten van openbaring zijn, of dat ze de zoveelste zijn in een lange reeks in een leven dat al lang voor jou beslist is.