Weg met het democratisch doemdenken (1)

Hobbits en hooligans

Nu het populisme de wind in de zeilen heeft, groeit de roep om alternatieven voor de electorale democratie. Is het een goed idee om de verkiezingen af te schaffen?

Medium democratie

De gedachte zal zijn opgekomen bij velen die rillingen kregen toen Donald Trump tot president van de Verenigde Staten werd gekozen. En wie uit zijn slaap wordt gehouden door het succes van de populisten in Europa heeft op het dieptepunt van zijn wanhoop vast ook wel eens met de gedachte gespeeld: als verkiezingen politici opleveren die zich tegen minderheden en de rechtsstaat keren, waarom dan niet het probleem bij de bron aanpakken en het kiesrecht inperken? Zou het niet fijn zijn als alleen verstandige, weldenkende mensen naar de stembus mogen? Dan krijgen demagogen niet de kans het volk op te jutten.

Dit soort vragen komen vaak voort uit een zekere gekrenktheid, die ontstaat omdat kiezers zich in onze huidige democratie ongestraft kunnen overgeven aan intellectuele luiheid. De stem van een politiek geïnteresseerde met uitvoerige kennis van het staatsbestel weegt precies even zwaar als die van burgers die niet eens weten welke partijen er in de regering zitten (een derde van het Nederlands electoraat, bleek uit een internationaal vergelijkend onderzoek uit 2013). Aan de stemformulieren valt niet af te lezen of de stemmer alle verkiezingsprogramma’s punt voor punt heeft vergeleken of simpelweg een muntje heeft opgegooid. Vrouwe Justitia wil nog wel eens onder haar blinddoek door gluren (klassenjustitie), maar haar collega op democratie is werkelijk blind. En dat wringt, al sinds de eerste experimenten met volksbestuur op de agora’s van het oude Griekenland.

Plato, bijvoorbeeld, had weinig op met democratie. Hij meende dat een stembusgang bestuurders oplevert die voornamelijk goed zijn in verkiezingen winnen. Bovendien vond hij burgers maar wispelturig en beschikten in zijn ogen slechts weinigen over de talenten die nodig zijn om bekwaam te leiden. In De Republiek betoogde de filosoof dat monarchie, aristocratie en oligarchie daarom superieur zijn aan democratie.

Bij Plato’s leermeester Socrates hoefde je evenmin aan te komen met massademocratie, omdat zij ‘gelijkheid verdeelt tussen gelijken en ongelijken’. Op die manier wezen deze oude denkers op de uitdaging waar politieke filosofie om draait: hoe ervoor te zorgen dat de macht in handen komt van de juiste personen? (De ervaring leert dat meningen over wat geldt als ‘juist’ permanent verdeeld zijn. Vandaar dat we op gezette tijden verkiezingen organiseren.)

De vrees dat het scheutig verlenen van de politieke rechten om te kiezen en verkiesbaar te zijn een risico voor goed bestuur vormen, was lange tijd leidend bij de inrichting van de democratie. Dat argument is gebruikt om vrouwen, armen, gekleurden en migranten het stemrecht te onthouden. Alexis de Tocqueville, die aan het begin van de negentiende eeuw door Amerika reisde om de democratie te bestuderen, vreesde dat algemeen kiesrecht ruim baan zou geven aan ‘proletarische voorkeuren en cultuur’. Nietzsche, vol van haat jegens zwakkelingen, gruwde van volksbestuur. John Stuart Mill, de brave aartsvader van de vooruitstrevendheid, pleitte ervoor om de stem van hoogopgeleiden extra zwaar te laten wegen, als tegenwicht voor de kiezers zonder diploma. Een liberaal als Mill vond overigens wel dat politiek engagement heilzaam is voor mensen, en pleitte daarom ook voor een goed opgeleide bevolking. Nietzsche niet. Die riep op tot een ‘oorlogsverklaring van de Hogere Mensen’ aan alles wat ‘zacht en vrouwelijk maakt’. Het algemeen kiesrecht rekende hij daartoe.

De twintigste eeuw stond in het teken van de overwinning op al dat wantrouwen dat ervan uitging dat het openstellen van verkiezingen voor alle seksen, rassen, inkomens en diploma’s tot chaos zou leiden. De tweede helft van de twintigste eeuw, waarin het algemeen kiesrecht in de meeste democratieën werd vervolmaakt, was tevens een van de meest vreedzame periodes ooit in die landen. Democratie, weten we inmiddels, heeft vele voordelen. Zelfs als verkiezingen een volslagen malloot in het zadel helpen, is er goede kans dat na een paar jaar de tanden op elkaar iemand anders de beurt krijgt. Amartya Sen, de Indiase Nobelprijswinnaar, wijst erop dat in een democratie hongersnood niet voorkomt. En vooralsnog houdt de stelling dat functionele democratieën elkaar nog nooit de oorlog verklaarden redelijk stand. ‘Two cheers for democracy’, zou je zeggen. E.M. Forster, van wie die uitspraak afkomstig is, vond dat democratie een dubbel hoera verdiende omdat ze diversiteit en kritiek toestond.

Van dat laatste voorrecht wordt op dit moment volop gebruik gemaakt, maar dan vooral om tegen de electorale democratie te pleiten. Onlangs berichtten in één week twee Nederlandse columnisten dat ze in hun eigen omgeving steeds vaker opvingen dat mensen er genoeg van hebben dat iedereen zomaar mag stemmen. In Elsevier schreef politiek commentator Syp Wynia ‘vaak wat besmuikt, de suggestie [te horen] dat het toch eigenlijk maar ergerlijk is, dat ook domme mensen mogen stemmen’. René Cuperus, die een column heeft in de Volkskrant, komt zelfs ‘geregeld in gezelschappen waar zo’n weerzin tegen het populisme bestaat, dat men het algemeen kiesrecht ter discussie stelt (vaak via de band van het referendum), en flirt met het idee van examenkiesrecht’. Voorzover deze opiniemakers graadmeters zijn van wat er in hun kringen speelt, lijkt onder hoogopgeleiden zowel Nietzsche als Mill bezig met een comeback. In een opiniestuk in Trouw pleitten Andrea Wagemans en Mays Talib, respectievelijk journalist en promovendus, voor een examen dat iedere kiezer moet afleggen alvorens te mogen stemmen. Dit om ‘gevaarlijk stemgedrag’ te voorkomen.

Zonder dat die term erbij wordt gehaald, klinkt in Nederland blijkbaar het pleidooi voor een epistocratie. Letterlijk: de macht aan kennis, en aangezien kennis alleen bestaat in het hoofd van mensen komt deze bestuursvorm erop neer dat wie veel weet de baas mag spelen over de onwetenden. Die term werd gemunt door politiek filosoof David Estlund in een artikel uit 2003, en geldt sindsdien als aanduiding van een systeem waarbij de macht in handen van een kenniselite wordt gelegd. Dat kan op verschillende manieren: een kaste van kennisbezitters die de eigen opvolgers aanwijst, of het inperken van kiesrecht van de onwetenden (of juist, zoals Mill wilde, dat van geleerden verruimen). Een andere mogelijkheid is het organiseren van een ‘epistemische loterij’ waarbij het lot bepaalt welke breinbazen morgen regeren. Zolang er maar wordt voorkomen dat iemand die onder aan de ladder van cognitieve vaardigheden staat op het pluche terechtkomt.

Zelf ging David Estlund enigszins schoorvoetend aan de slag met de vraag of kennis aan de macht wellicht een goed idee zou zijn. (Why Not Epistocracy? was de voorzichtige titel van zijn artikel.) Wat vooral in het voordeel spreekt van epistocratie is de algehele consensus dat opleiding mensen wijzer maakt, redeneerde hij. En als we dat aannemen, ‘hoe kunnen we dan ontkennen dat het opgeleide deel van de samenleving wijzere bestuurders zal zijn dan anderen?’ Maar zelfs als de resultaten beter zijn (ook slimme mensen nemen domme beslissingen) kunnen er nog steeds goede redenen zijn om epistocratie af te wijzen, concludeerde Estlund. Het feit dat om dit systeem in te voeren grote delen van de bevolking hun stemrecht actief moet worden ontnomen, bijvoorbeeld.

Dat Estlunds betoog doorspekt is met vraagtekens toont aan hoe glad dit terrein is. Voor anderen geldt dat juist als een voordeel omdat tegen democratie pleiten een goede manier is om je als intellectuele rebel te profileren (ook al staan er twee eeuwen aan dode filosofen langs de zijlijn te applaudisseren wanneer je roept dat het toch belachelijk is dat iedereen zomaar mag stemmen). De hedendaagse denker die deze truc het best heeft begrepen is Jason Brennan, hoogleraar aan Georgetown University en auteur van het veelbesproken boek Against Democracy, waarin hij een hartstochtelijk pleidooi houdt om het volk toch vooral geen invloed te gunnen.

Er werd gepleit voor een examen dat iedere kiezer aflegt voordat hij mag stemmen. Dit om ‘gevaarlijk stemgedrag’ te voorkomen

In Against Democracy deelt Brennan kiezers op in verschillende categorieën. De eerste groep kiezers zijn ‘Hobbits’: overwegend apathisch en onwetend als het de politiek betreft. Ze zijn vooral bezig met hun dagelijkse zaken, net als de zachtaardige fantasiewezens met harige voeten uit de werken van Tolkien die de boze buitenwereld het liefst laten voor wat die is. Daarnaast identificeert Brennan ‘hooligans’, de ‘sportfanaten van de politiek’. Hun wereldbeeld staat grotendeels vast, ze hebben diepe overtuigingen en een batterij van argumenten om die te ondersteunen. Hooligans zijn dol op politieke informatie en weetjes, maar vooral voorzover die hun eigen mening ondersteunen. Tegengestelde of ongemakkelijke informatie wordt doorgaans genegeerd. Het zijn deze wezens die het politieke spel toejuichen en het tegelijkertijd verzieken voor de rest.

Ten slotte zijn er de ‘Vulcans’: zij die over politiek denken op ‘wetenschappelijke en rationele wijze’ en hun mening baseren op de sociale wetenschappen en de filosofie. Ze luisteren naar de mening van anderen, zijn zelfs bereid hun mening voor een betere in te ruilen en vinden niet, zoals hooligans, dat wie het met hem of haar oneens is per definitie dom, slecht of egoïstisch is. Voor de volledigheid: de kalme, verstandige Dr Spock uit Star Trek is een Vulcan (half mens, half Vulcan om precies te zijn; vandaar dat hij af en toe een misstap begaat). Vulcans zijn de types die Brennan in gedachten lijkt te hebben als ideale heersers in een epistocratie. Er is slechts één probleem: er zijn er maar weinig van. De meeste kiezers zijn dan wel Hobbit, dan wel hooligan.

Vanuit deze politieke zoölogie rekent Brennan in Against Democracy af met de idealen waarmee de democratie doorgaans omkleed wordt. Puttend uit stapels onderzoek waaruit blijkt dat kiezers vaak slecht geïnformeerd zijn en zelden beschikken over de kennis die nodig is om complexe beslissingen te nemen (een derde van de Amerikanen denkt dat de uitspraak van Marx ‘Van ieder naar zijn vermogen, aan ieder naar zijn behoefte’ voorkomt in de grondwet) komt hij tot de conclusie dat in een electorale democratie de domheid letterlijk regeert. Hij sluit aan bij wat de econoom Bryan Caplan laat zien in The Myth of the Rational Voter: kiezers stemmen regelmatig tegen hun eigen belang in en praten vandaag recht wat ze gisteren nog krom vonden. Brennan trekt een vergelijking met het rijbewijs: iemand zonder ervaring en kennis van de verkeersregels mag niet de weg op, maar aan politieke participatie wordt geen enkele voorwaarde gesteld.

Medium democratie2

De argumenten waarmee het algemeen kiesrecht is veroverd voor en door groepen voor wie de stemlokalen lange tijd gesloten waren vindt Brennan hol. Het idee dat democratie mensen een stem geeft waarmee ze belangen kunnen laten vertegenwoordigen spat uiteen zodra het op de harde werkelijkheid aankomt. De kans is groter dat je een paar keer achter elkaar de loterij wint dan dat je tijdens verkiezingen een bepalende stem uitdeelt, meldt Brennan, dus of je nu wel of niet komt opdagen maakt in feite geen verschil. In de stembus wordt de werking van jouw ene stem verdund tot een homeopathische hoeveelheid. Bovendien is de kans groot dat de belangen van het electoraat niet worden gehonoreerd omdat politici gedurende hun mandaat toch kunnen besluiten wat ze willen. Of anders wordt er wel met verkiezingsbeloften gemarchandeerd door een coalitie.

Ook de hoop dat politieke participatie ons betere mensen maakt omdat ze dwingt tot nadenken en delibereren, is volgens Brennan een illusie. Politiek is in zijn optiek zelfs schadelijk. Het maakt ons, in de woorden van Brennan, ‘bozer en dommer’. Bozer omdat politieke discussie in de praktijk vooral verdeeldheid aanwakkert, dommer omdat zodra iemand de politieke arena betreedt hij in aanraking komt met alle leugens, spin en desinformatie waarmee politici stemmen proberen te winnen. Aandringen op meer politieke participatie levert niet meer Vulcans op. Hooguit worden sommige Hobbits hooligans. In het belang van het algemeen welzijn moet het aantal mensen dat met politiek in aanraking komt tot een minimum beperkt worden, concludeert Brennan, die zich laat kennen als denker van libertaire snit.

Democratie om wille van de democratie is wat Brennan betreft kortom een verkeerd ideaal. Hij beschouwt dit systeem niet als een nobele uitkomst van een strijd tussen volksbestuur en autocratie, maar puur als instrument. ‘Democratie is niets meer dan een hamer. Als we een betere hamer kunnen vinden, dan moeten we die gebruiken’, schrijft Brennan. Een epistocratie waarin de macht is voorbehouden aan Vulcans is wat hij daarbij in gedachten heeft. Op die manier hoef je Hobbits niet lastig te vallen met politiek en wordt hooligans de toegang tot het stadion ontzegd, waardoor ze de wedstrijd niet kunnen vergallen. Hoe precies tot die situatie te komen, laat Brennan in het midden. Dat kun je gemakzuchtig noemen, maar als het gaat om het aantonen dat kiezers net mensen zijn slaagt Brennan met vlag en wimpel. Wie Brennans boek leest leert eens en voor altijd dat stemmers beïnvloedbaar en irrationeel zijn. Voor hem is dat reden om het tapijt onder de democratie vandaan te trekken.

Brennan staat niet alleen in zijn zoektocht naar een betere hamer. Ook de historicus en publicist David Van Reybrouck houdt zich daarmee bezig. Van Reybrouck is niet zoals Brennan tegen democratie tout court maar wel tegen verkiezingen. Tegen verkiezingen luidt dan ook de titel van zijn veelgelezen pamflet uit 2013. Waar volgens Brennan mensen worden verziekt door algemene verkiezingen komt Van Reybrouck tot de omgekeerde conclusie: verkiezingen worden verziekt door de mensen die eraan deelnemen. We hebben collectief last van een ‘democratisch vermoeidheidssyndroom’, schrijft Van Reybrouck, een aandoening die hij afleest aan tussentijds vallende kabinetten, een verhit publiek debat, teruglopende kiezersaantallen en ‘kiezersverloop’ van de ene naar de andere partij (al lijkt dat laatste mij eerder een teken dat de democratie juist vitaal is).

De overtuiging dat de democratie grondig op de schop moet, is bij Van Reybrouck ook gestoeld op historische logica. De grondslagen van de hedendaagse democratie (verkiezingen, een parlement) komen immers uit een vorig tijdperk. ‘Hoeveel uitvindingen van de late achttiende eeuw doen het nog aan het begin van de 21ste eeuw?’ vraagt hij zich af. Ter illustratie noemt hij onder meer de snuifdoos. Nu zijn er genoeg uitvindingen uit die tijd die we niet achterhaald vinden (de parachute, bijvoorbeeld, of mayonaise), maar Van Reybroucks boodschap is duidelijk: verkiezingen zijn een belediging van de democratie, een ‘bizar, archaïsch ritueel’ dat ongeschikt is om ‘de volkswil te leren kennen’. Ook wat hem betreft kan de huidige democratie op het hakblok.

Voor een alternatief systeem gaat Van Reybrouck te rade bij het oude Griekenland, dat blijkbaar minder archaïsch is dan de achttiende eeuw. In de Atheense democratie was ook een belangrijke rol weggelegd voor gelote bestuurders. De wetgevende en de uitvoerende macht bestonden uit burgers die middels loting tot dit ambt geroepen werden. Een volksvergadering, waar iedere volwassen man met burgerrechten zich voor kon aanmelden, stemde over wetten. Dat systeem lijkt Van Reybrouck wel wat: hij wil volksraden op basis van loting samenstellen die voorstellen voorleggen aan een parlement, dat op den duur wellicht ook kan worden samengesteld door namen uit de hoge hoed te trekken. Volgens Van Reybrouck is dat een ‘bewust neutrale procedure waarmee politieke kansen rechtvaardig worden verdeeld en onmin wordt vermeden’.

‘Democratie is niets meer dan een hamer. Als we een betere hamer kunnen vinden, dan moeten we die gebruiken’

Op deze manier kan volgens Van Reybrouck tegemoet gekomen worden aan de roep om meer inspraak. Dat klinkt aannemelijk, ware het niet dat de kans om de democratische loterij te winnen aanzienlijk is afgenomen: de Atheense democratie telde op haar hoogtepunt zo’n zestigduizend volwassen mannen die in aanmerking kwamen voor zevenduizend verkiesbare posten. Nederland kent bijna dertien miljoen stemgerechtigden. Om die dezelfde kans op macht te geven, moeten er ruim anderhalf miljoen bestuursplaatsen worden gecreëerd.

Winston Churchill vond dat democratie de slechtste vorm van bestuur is, op alle andere vormen die ooit geprobeerd zijn na. Toch zijn er altijd wel denkers die het tegendeel willen bewijzen. Jason Brennan en David Van Reybrouck vertegenwoordigen twee denkrichtingen die momenteel allebei aan een andere arm van de politiek trekken en de electorale democratie langzaam in tweeën scheuren. Brennan laat in Against Democracy alle ruimte voor verkiezingen, zolang de Hobbits en de hooligans maar niet meedoen. In Tegen verkiezingen probeert Van Reybrouck het ideaal van volksbestuur te redden door de electorale component eraan te geven. Beide type redeneringen lijken op die van Amerikaanse soldaten ten tijde van de Vietnamoorlog: ‘Om het dorp te redden, moesten we het platbranden.’

Wat betreft tactiek lijken de twee aanvallen op de electorale democratie op elkaar. Om de geest rijp te maken voor een nieuw systeem moet eerst het oude zo zwart mogelijk worden afgeschilderd. Van Reybrouck heeft het over stemlokalen gehuld in ‘schemerduister’ waar burgers een bolletje rood mogen kleuren, ‘niet naast een idee, maar naast namen op een lijst waarover maandenlang rusteloos is bericht door commerciële media die baat hebben bij die rusteloosheid’. Brennan probeert lezers ervan te overtuigen dat hun stem geen invloed heeft en dat het daarom niet zo erg is als de macht komt te liggen bij een klasse van epistocraten. In beide gevallen is de suggestie hetzelfde: in feite doet de stem van de kiezer er niet toe, dus kun je die net zo goed weglaten uit de politiek.

Zo bezien is onze democratie inderdaad rijp voor de sloop. Maar in de praktijk is democratie, hoe oververhit die ook mag zijn, veel meer dan de karikatuur die Brennan en Van Reybrouck ervan maken. De namen op de kieslijst zijn wel degelijk verbonden met ideeën. Wie in Nederland stemt op, zeg, Marianne Thieme van de Partij voor de Dieren kiest voor andere uitgangspunten om de samenleving richting te geven dan wie kiest voor, bijvoorbeeld, Henk Krol van 50PLUS. In de Verenigde Staten maakte het wel degelijk uit of Donald Trump of Hillary Cinton won, niet alleen voor de Amerikanen maar voor de wereld als geheel: Hillary stond voor de liberale wereldorde, Trump stond voor de tegenpool daarvan. Van Reybroucks wens om onmin te vermijden (waarom zou je dat willen?) draait uit op het vermijden van een openbare strijd tussen idealen. En daarmee valt iedere prikkel om aan politieke ideaalvorming te doen weg.

Brennans verleidelijke voorstel om ingewikkelde beslissingen over te laten aan een kliek van verstandige experts die zich niet druk hoeven te maken over wat de kiezers willen, is gebaseerd op een smalle kijk op democratie. Net als Van Reybrouck lijkt Brennan ervan uit te gaan dat politiek vooral draait om juiste beslissingen nemen, als ware het een quiz met goede en foute antwoorden. Vandaar dat Brennan in Against Democracy suggereert dat kiezers atomaire burgers zijn met hun eigen wensen die ze hopen te verwezenlijken door te stemmen. Maar de meeste mensen stemmen niet alleen in de hoop daar zelf beter van te worden, maar ook omdat ze een mening hebben over wat goed is voor anderen, voor de toekomstige generaties, voor dieren of voor de planeet. Een stem geeft uitdrukking aan die overtuiging.

De alternatieven die nu worden geopperd voor electorale democratie zijn kortom door en door technocratisch. Maar politiek is behalve een strijd om plannen en maatregelen vooral ook een strijd om moraal. Dat is het werkelijke uitgangspunt van het systeem waarbij iedereen een politieke stem heeft: we gaan ervan uit dat iedereen overtuigingen heeft over het goede leven en een oordeel velt over goed en kwaad, zelfs die burgers die weinig tot niets van politiek weten. In plaats van elkaar daarover de hersens in te slaan, organiseren we verkiezingen als een soort Idols voor ideologie. Dat die idealen soms pover verwoord worden of worden verraden zodra de winst binnen is, doet daar niets aan af. Daarom loopt de vergelijking tussen een rijbewijs en een stembewijs ook spaak. Er bestaat niet zoiets als de moreel incompetente kiezer.

Als er een titel zou zijn waarmee de pleidooien tegen de bestaande democratie kunnen worden samengevat dan is het: tegen vertegenwoordiging. Daar lijkt het probleem te zitten, zowel bij de voorstanders van epistocratie als bij voorstanders van loting. Zowel Brennan als Van Reybrouck concludeert dat het misgaat op het moment dat burgers onderling iemand uit hun midden kiezen om tijdelijk macht uit te oefenen over de rest. Brennan constateert dat domme mensen domme vertegenwoordigers kiezen, Van Reybrouck heeft argumenten die lijken op die van Plato: de stembusgang is een prikkel om verkiezingen te winnen, niet om het algemeen belang te dienen. Ze zoeken de oplossing in het doorsnijden van de band tussen bestuurde en bestuurder zodat die laatste in alle rust kan regeren, zonder de adem van die opgefokte dan wel domme kiezer in de nek te voelen.

De vraag die hier wordt vermeden is: bestaat er politiek zonder machtsvraag? Politiek draait om de fundamentele vraag: wat maakt dat jij de baas bent? Het enige eerlijke antwoord is: dat hebben u en uw medeburgers besloten. Het antwoord ‘omdat ik nu eenmaal slimmer ben dan u’ is een goede manier om een opstand uit te lokken. Het antwoord ‘puur toeval’ ontslaat de bestuurders van de verplichting verantwoording af te leggen omdat ze de macht niet van anderen in bruikleen hebben gekregen en niet opnieuw om die gunst kunnen vragen bij de volgende verkiezingen.

Zo vormt het pleidooi tegen electorale democratie een spiegelbeeld van de populistische fictie dat er geen onderscheid zou moeten bestaan tussen leider en volk. Het gaat ervan uit dat er twee soorten mensen zijn: politici en kiezers. In werkelijkheid zijn die labels vooral cosmetisch en hoe dan ook tijdelijk. Niemand wordt als volksvertegenwoordiger geboren en in een gezonde democratie is niemand zijn hele leven aan de macht. Iedere politicus is ook burger en iedere burger heeft, op papier, de mogelijkheid politicus te zijn. De praktijk is ver van dat ideaal verwijderd. De drempel om de politiek te betreden is hoog, maar beweren dat er iets mis is met het democratisch ideaal omdat de praktijk er niet aan voldoet, is de wagen voor het paard spannen.

En nu we het over populisten hebben: het kan geen toeval zijn dat de pleidooien om electorale democratie in te ruilen voor een ander systeem precies klinken nu het populisme de wind mee heeft. Het heeft er alle schijn van dat het vuur waarmee er tegen democratie en verkiezingen wordt gepleit vooral wordt aangewakkerd omdat de uitslag sommige denkers maar matig bevalt. Ik weet niet wat Brennan heeft gestemd, maar een recent opiniestuk in Foreign Policy lijkt te suggereren dat Trump niet zijn voorkeur heeft: Trump Won Because Voters Are Ignorant, Literally was de kop. Van Reybroucks politieke voorkeuren zijn gemakkelijker te raden, en zijn politieke afkeuren al helemaal. Geert Wilders, Marine Le Pen en Donald Trump zijn de politici die worden opgevoerd in het betoog voor loting. Van Reybrouck was fel tegen een Brexit en schrijft regelmatig opiniestukken waarin waarschuwingen voor de opkomst van rechtse partijen worden verweven met het pleidooi verkiezingen in te ruilen voor lotingen, omdat anders de democratie gevaar loopt.

Die context geeft beide alternatieven voor electorale democratie een schijn van opportunisme: omdat de winnaars niet bevallen, moeten de regels van het spel worden aangepast. Een gedachte-experiment: stel, een politicus roept publiekelijk op tot ‘minder democratie’, en belooft vervolgens om dat te gaan regelen door verkiezingen af te schaffen? Zou die dan welwillend aangehoord worden? Het is te hopen dat de aanval op de democratische rechtsstaat blijft steken in de voorbereidende fase.