Hobby

Scheppende kunstenaars in Nederland vragen zich straks af of het toiletpapier ook te eten is.

Mijn zwager belde over de lijst met beroepsgroepen die in aanmerking komen voor een corona-tegemoetkoming.

‘Jij staat er niet op’, zei hij, en hij noemde een paar bezigheden die het wel hadden gehaald. Ik moest even slikken toen hij de laatste noemde.

‘Alternatieve wat?’

‘Genezers. Alternatieve genezers. SBI-code 86.91.9.’

De lijst is lang en uitvoerig. Scheppende kunstenaars komen er net zomin in voor als uitvoerende kunstenaars. Schrijvers, schilders, musici, dansers, noem maar op, ze nemen blijkbaar geen deel aan de economie ‘as we know it’. In tegenstelling tot lui die met Tibetaanse klankschalen, kleurentherapie en zelfbereide drankjes van klaverblad en de pis van drachtige merries nog nooit iemand hebben genezen. Veel van hen zijn ook nog tegen verplichte vaccinatie. Dat verandert misschien als er een coronavaccin is. Ik hoop dat hun principes dan zo sterk zijn dat ze vrijwillig achter aansluiten in de rij voor vaccinatie.

In Duitsland, meldt mijn vertaalster, krijgen ‘Kulturschaffende’ eenmalig negenduizend euro van de overheid als gift. Daar is blijkbaar een dieper besef van het belang van kunst en cultuur enerzijds en anderzijds de relatieve armoede waarin kunstenaars sowieso al leven. Tijdens de laatste economische crisis was dat hetzelfde. De Duitse overheid injecteerde de cultuursector met tientallen miljoenen, terwijl we hier Halbe Zijlstra hadden die er met de grasmaaier overheen ging en premier Rutte die zei dat ‘de kunstsector met zijn rug naar het publiek staat en met een geopende portemonnee richting de overheid’.

Ziekte en literatuur, dat is bijna twee handen op een buik

Gelukkig komen videotheken wel in aanmerking voor steun. Waarschijnlijk is er ook een potje voor de verkopers van schellakplaten en toverlantaarns.

Het doet me allemaal zo ontzettend denken aan de opdrachtgever die ooit een omvangrijk essay van mij vroeg en toen schrok dat ik daar geld voor wilde hebben. ‘Het is toch ook je passie?’ zei hij. Toen het waas van bloed voor mijn ogen was weggetrokken en ik vroeg of hij dan niet voor zijn werk werd betaald, vond hij dat ik appels met peren vergeleek. Scheppende kunst is in Nederland een hobby. Misschien ligt dat ook wel aan ons, creatieven. De coronacrisis was nog niet uitgebroken of we begonnen allemaal gratis concerten, voordrachten, boeken en weet ik veel wat meer aan te bieden. Het is in dank aanvaard, maar dat is dan ook alles. Het geld gaat naar de KLM, zodat die als alles voorbij is door kan gaan met mensen naar vakanties in Verweggistan te vliegen. De scheppende kunstenaars in Nederland hebben tegen die tijd het laatste conservenblik uit de voorraad opengedraaid en vragen zich af of het gehamsterde toiletpapier misschien ook te eten is.

Ondertussen gaan mijn gedachten uit naar de polio-uitbraak van 1961 toen mijn moeder mij ’s middags thuishield van school om te rusten. Andere kinderen hoefden dat niet, maar toen ik dat zei maakte dat geen indruk. En zo lag ik op bed, starend naar het zonlicht door de gordijnen, tot ik weer mocht opstaan.

De uitbraak van 1961 was niet groot, 83 gevallen, maar voor mijn moeder bestond de wereld uit vele vormen van bedreiging, waarvan polio waarschijnlijk nog de minste was. Ik vraag me af wat ze van de coronacrisis zou hebben gevonden. Waarschijnlijk zou ze vooral niets anders hebben verwacht.

De herinnering aan die middagen in bed, in de vroege jaren zestig, voert me terug naar het jaar dat ik voor een groot deel in het ziekenhuis doorbracht. Dat moet 1967 zijn geweest. Ook daar gingen ’s middags de gordijnen dicht en werden wij kinderen geacht een middagslaapje te doen. Ik kan me niet herinneren dat een van ons, acht op een zaal, dat werkelijk deed. Ik zeker niet, want ik had van de hoofdzuster de opdracht gekregen om alarm te slaan als het jongetje aan de overkant weer een toeval kreeg. Ze had me zelfs geïnstrueerd om dan eerst een rubberen wig tussen zijn tanden te duwen: ‘Anders bijt hij zijn tong af.’ Zelfs als we doodmoe waren geweest hadden we trouwens niet kunnen slapen. Hij zong van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat onafgebroken hetzelfde liedje: doe-doe-doe-doebie-doebie-doe… Wat er van hem geworden is weet ik niet, maar ik ben niet optimistisch.

Ziekte en literatuur, dat is bijna twee handen op een buik. De hoogtijdagen van de roman worden vaak verbonden met lange periodes van ziekte. Hoofdverdachte is tuberculose, de witte plaag die Keats slachtofferde, Kafka, Tsjechov, Elizabeth Barrett Browning, Poe, de gezusters Brontë en hun broer Branwell, D. H. Lawrence, Katherine Mansfield, Dostojevski, Robert Louis Stevenson en George Orwell.

Zieken hadden de tijd om te lezen en te denken. Terwijl hun lichaam wegteerde, kwam de geest tot bloei. Het is een romantisch idee en ik weet niet of het klopt, maar voor mij gaat het misschien op. Langdurige periodes in het ziekenhuis en even langdurige periodes van herstel thuis verschaften mij alle tijd om te lezen en als ik genoeg had van het lezen dwaalde de geest, want er was geen afleiding. Verveling is de moeder van de kunsten. Hoe dat nu zit, weet ik niet. Ik vermoed dat iedereen naar Netflix, Prime en dergelijke grijpt en hoewel je de tijd wel doodt met series kijken, weet ik niet of de geest daardoor wordt geprikkeld om zelf beelden en verhalen te bedenken. Maar de schoorvoetende optimist in mij heeft hoop.