Opheffer

Hoe aangepast ben ik?

Ik zou me het liefst willen kleden zoals ik eruitzag in 1973. Ik had een paars jasje, een rood hemd, een bloemetjesbroek en mooie laarzen. Ik durf er zo niet meer uit te zien. Integendeel. Ik loop door de stad en wil een pak kopen. Een pak! Want bij de Amsterdamse televisiezender AT5, waar ik weleens werk, hebben ze gezegd dat ik me netjes moet kleden. «Koop eens een pak, of zo, dat staat meteen een stuk beter.» En ik, lul, doe dat.

Nu zou ik het liefst een raar pak hebben. Zes weken geleden zag ik op het Waterlooplein een zeventiende-eeuws kostuum, waarschijnlijk afkomstig uit een toneelstuk. Dat pak had ik graag gekocht, maar ik durfde niet.

Voor mij loopt toevallig Felix Rottenberg. Hij werkt ook bij AT5. Hij heeft ook een net pak, zie ik. Het is een blauw streepjespak. Het is misschien het veiligst om ook zo'n pak te kopen. Zit je altijd goed. Mijn hoofdredacteur bij AT5, Matthijs van Nieuwkerk, ziet er ook altijd tiptop uit. En ik ga nu dus ook een pak kopen. Een mooi donkerblauw pak, of grijs. Of zwart. Nee, zwart is té, vind ik.

Ik ga een winkel in en hijs me in een pak. Zweet staat op mijn rug. Mijn spijkerbroek hangt over een stoel of hij kunstmatig beademd moet worden. Ik loop het kleedhokje uit en kijk in de spiegel. Kijk, daar staat de verrader van ‘73. In een donkerblauw streepjespak.

Herhaalt u dat eens. Dat is goed: in een donkerblauw streepjespak! Een onbekende man gaat met zijn vingers tussen de broekband en mijn buik en zegt: «Mag wel een maatje groter.» De verrader van '73 knikt. Waar zijn de hippies gebleven? Waar zijn de paarse broeken, de kettingen, de gekke zelfgemaakte kleren? Waar zijn de jassen van markiezenstof en de fluwelen col berts. Ja, je ziet ze bij gekken, maar niet meer bij weldenkende mensen zoals ik.

Opeens zeg ik het: «Ik wil er nog even over denken.»

«Dat is goed, mijnheer.»

Ik snel de winkel uit. Bij rare kleren hoort rare muziek plus een rare manier van denken. Zo was het toch? Alles hield vroeger verband met el kaar. Je zag er zo uit omdat je je verzette; niets mocht normaal lijken, want normaal was burgerlijk. Je was tegen normaal. Ik ben nog tegen normaal. Ik haat normaal!

Ik bel nog even met de redactie. «Je ziet er echt niet uit, je moet wat aan je uiterlijk doen. Ga naar de kapper en koop dan in ieder geval iets netjes. Niet altijd die eeuwige spijkerbroek.» Hoe aangepast ben ik in mijn denken? Goh, dat ik dezelfde persoon ben die ooit tegen het maken van winst was. Ja, er mocht wel winst worden gemaakt, maar die moest onmiddellijk naar de armen, het onderwijs, de gezondheidszorg, de Derde Wereld. Nu ben ik heel erg vóór het maken van winst. Ik wil zelf rijk worden. Ik ben al bijna vijftig, en nog moet ik bikkelen. Rijk wil ik zijn. Plat rijk. Onnoemlijk rijk. Ik weet wel leuke dingen te doen met mijn geld.

Ik loop weer een winkel binnen en hijs me weer in een pak. Het is dit keer een grijs pak. Ik kijk in de spiegel en zie: «De burgerlul van middelbare leeftijd van 2001.»

«Kan ik met zo'n debiel pak wel indruk maken op vrouwen?» wil ik vragen. Maar ik weet het antwoord al: «Juist met zo'n pak!» God, wat zou ik nu graag een knalrood jasje willen hebben, en van die cowboylaarzen, en misschien zo'n beetje hoge hoed die fundamentalistische joden in Israël wel eens ophebben.

«Wat kost dit pak?»

«1250 gulden, mijnheer, maar voor u iets meer dan de helft in euro’s, mijnheer.» O hemel, een grapje.

«Ik wil toch nog even denken.»

De jaren zeventig moeten terugkomen! Alsjeblieft.