Hoe arrogant is de Chinees?

Als inwoner van Peking maakte ik met mijn gezin in de weekends regelmatig een uitstapje naar de Grote Muur, bij voorkeur naar die delen die nog niet gerestaureerd en dus nog niet door toeristen overstroomd waren. Naar één bijzonder mooie plek keerden we keer op keer terug.

Fokke Obbema, China en Europa. Waar twee werelden elkaar raken, € 24,50 e-book, € 18,99

Medium cover 2

Dat was de lokale boeren ook opgevallen, met als gevolg dat er plotseling een slagboom over de toegangsweg was aangebracht. Doorgang was alleen mogelijk bij betaling van vijftig renminbi, toen (jaren negentig) een fors bedrag. Een vriendin die ons begeleidde ging in discussie met een boerenmeisje en de gemoederen liepen hoog op. Zo hoog dat onze vriendin het meisje sloeg, of liever gezegd: haar wang licht beroerde. Het meisje verstarde, trok wit weg en riep met schrille stem: ‘Ni shi ren ma?’ (‘Ben jij een mens?’).

Fokke Obbema’s China en Europa: Waar twee werelden elkaar raken is in de kern een zoektocht naar een antwoord op die menselijke vraag. Zijn er gebieden waar wij westerlingen hetzelfde voelen en denken als de Chinese mens? Is een ontmoeting van hart en geest mogelijk, of zijn we gedoemd in twee gescheiden werelden te leven, de waarheid te onderschrijven van Kiplings beroemde woorden: ‘East is East, West is West and never the twain shall meet’? De vraag over het menszijn van de ander is overigens van westerse kant ook vaak gesteld, om te beginnen door Matteo Ricci, de Italiaanse jezuïet die aan het begin van de zeventiende eeuw de onmogelijke taak op zich nam om de elite van het Chinese rijk tot het christendom te bekeren. Zijn antwoord: het zijn mensen, net als wij.

Op zijn zoektocht bezoekt Obbema Franse wijngaarden, Italiaanse textielfabrieken, Duitse gemeenten en Chinese ministeries. Hij praat met politici, professoren, zakenmensen en boeren in de provincie Guizhou. Hij constateert nuchter dat het enorm meevalt met het ‘Gele Gevaar’: de Europese investeringen in China waren in 2011 zes maal zo groot als de Chinese investeringen in Europa. We moeten ons eerder, waarschuwt Obbema, zorgen maken dat de Chinezen niet komen en hun energie en geld steken in landen met grote grondstoffenreserves, of in het land waar Peking vanwege diens macht een bijna obsessieve relatie mee heeft: Amerika.

Het uitstekend geschreven boek bevat nog tal van andere inzichten. Weinig westerlingen weten dat sommige Chinese media een sterker nationalistisch geluid uitslaan dan de overheid, omdat ze hun eigen broek moeten ophouden en nationalisme goed verkoopt. Of dat het internet niet alleen tot meer vrijheid van meningsuiting leidt, maar ook de overheid een sterkere greep geeft op het publieke discours door het filteren van ongewenste meningen. Al schrijvende ontdekt Obbema de waarheid van China-kenner Orville Schells uitspraak ‘Modern China is best understood by those capable of embracing contradictions’. Dat onderscheidt het boek op plezierige wijze van de meerderheid van westerse boeken over China die het land de hemel in prijzen of tot op het bot afkraken. Dat is Obbema vreemd, redelijkheid en nuance zitten hem diep in de genen. Het gevolg is een zeker cultuur­relativisme, maar gelukkig maakt hij voor naleving van de mensenrechten een uitzondering.

Wat zijn de gevolgen van de steeds hechtere economische relaties tussen Europa en China? Gaan we er samen in slagen om een betere wereld te creëren, of gaan wederzijdse vijandsbeelden en stereotypen overheersen? Die vraag is van belang, omdat beide machtsblokken goed zijn voor een groot deel van de wereldhandel en meer dan dertig procent van het mondiale product. Obbema wijst er terecht op dat niet alleen de relaties tussen overheden, maar ook het contact op microniveau – de uitwisseling van zakenlui, toeristen en academici – tot meer begrip en respect leidt. Daaruit volgt dan weer vertrouwen (een kernwoord in het boek) en aandacht voor ‘het gemeenschappelijke’, die zich niet alleen uit in de behoefte aan een iPad, maar ook in de herkenning van een gemeenschappelijke behoefte aan schone lucht, veilig voedsel en een ‘goed boek’.

Het moet, zo luidt de boodschap, mogelijk zijn elkaar halverwege te ontmoeten door meer te leren van elkaar en minder arrogant te zijn. Het egalitaire vooruitgangsgeloof dat daaruit spreekt houdt naar mijn smaak te weinig rekening met het feit dat macht en ongelijkheid in China’s (politieke) denken centraal staan. En zelfs als die filosofische bagage onder de zegenende invloed van de mondialisering zou slijten, is het de vraag op welke termijn. Het punt is niet zozeer dat ‘de Chinees’ (Obbema zegt terecht dat generaliseren onmogelijk is, maar feit is wel dat de culturele homogeniteit van de Chinezen groter is dan die van de Europeanen) net als de westerling arrogant is, maar dat tot vrij recent zijn cultuur de enige maatgevende was: een ander referentiepunt voor menselijk denken en handelen bestond eenvoudig niet. Het proces van verkenning van andere werelden kwam in Europa vanaf de Renaissance op gang, in China pas vanaf eind negentiende eeuw – om vervolgens weer door Mao te worden afgeknepen.

En dat brengt me op de tweede kanttekening, dat het boek nauwelijks melding maakt van de misvormende invloed van het communisme op de Chinese mens – want veel van wat het oude rijk van het Westen scheidt wordt niet veroorzaakt door het ‘Eeuwige China’, maar door Mao’s giftige injectie van het volk met xeno­fobie en wantrouwen tegenover het Westen. Maar dat zijn, om Obbema’s woorden te gebruiken, slechts wijnvlekjes op een groot wit tafel­laken. De meeste in het Nederlands geschreven geschriften over China zijn monografisch of anekdotisch van opzet, Obbema’s boek opent een breder vergezicht dat bekoort en tot nadenken stemt.