De bedelaarsprins en de kindermoordenaars

Hoe bang is een Chinees

Terwijl de ogen van de wereld zijn gericht op China en de Wereldtentoonstelling beleeft het land een geestelijke-gezondheidscrisis. Talloze psychiatrisch patiënten, zelfdodingen en kindermoorden suggereren dat veel bewoners van het nieuwe China de toekomst gedesoriënteerd, kwaad en bang tegemoet zien.

DE AFGELOPEN MAANDEN was de 33-jarige Cheng Guo Rong heel even de coolste man van China. Terwijl de natie aftelde naar de openingsdag van de grootste en duurste Wereldtentoonstelling ooit was de Chinese blogosfeer in de ban van dit mysterieuze mode-icoon. Gephotoshopte plaatjes van zijn beeltenis circuleerden in cyberspace: nu eens omringd door Dolce & Gabana-modellen, dan weer tussen internationale toppolitici of op de boeg van de Titanic met actrice Kate Winslet in de armen. Een gigantisch muurschilderij van zijn gezicht dook op in het centrum van de zuidelijke grootstad Guangzhou en zelfs de online lentemode van 2010 werd op zijn kledingstijl geënt. Nu valt dit soort e-idolatrie wel meer mensen te beurt in het steeds modebewuster wordende China, maar Chengs geval is opmerkelijk. Tot voor kort was hij namelijk een anonieme bedelaar in Ningbo, een grijze industriestad die in Oost-China’s Zhejiang-provincie ligt, drie uur rijden van Shanghai.
Eind januari 2010 plaatste een stadsgenoot voor het eerst foto’s van de dakloze man online. Gehuld in gelaagde winterkleding of in een zomerjurk wandelt hij door het straatbeeld, snuffelt in vuilnisbakken of vraagt voorbijgangers om een aalmoes, steeds met een intense blik en de sigaret nonchalant tussen vingers of lippen bengelend. Als Grieks vuur verspreidden de kiekjes zich over het net, en een sneeuwbaleffect was ingezet. Een snel groeiend leger e-fans riep de charismatische vagebond uit tot ‘Prins der Bedelaars’, 'Coole Grote Broer’ en 'knapste underdog van de eeuw’. Een week later achtervolgden paparazzi en groupies de angstige zwerver door de straten van Ningbo en begin maart verscheen zowaar een stuk gewijd aan de hype in de Britse kwaliteitskrant The Independent.
Uiteindelijk leidde de intense speculatie over zijn identiteit en levensverhaal tot een publieke hereniging met zijn familie. Chengs jongere broer herkende hem in een tv-reportage en reisde met hun moeder vanuit de naburige provincie Jiangxi naar Ningbo om na te gaan of de beruchte bedelaarsprins wel degelijk hun vermiste zoon en broer was. Nadat Cheng door hen was opgespoord, bleek hij aan schizofrenie en een milde vorm van autisme te lijden. Voor de camera’s deed zijn broer hun verhaal: elf jaar geleden was Cheng het platgetreden pad van het platteland naar de geïndustrialiseerde buurprovincie gevolgd, op zoek naar vast fabriekswerk om de toekomst van zijn twee pasgeboren kinderen veilig te stellen. Net in Zhejiang aangekomen kreeg hij echter nieuws dat zijn echtgenote en zijn vader bij een verkeersongeval waren omgekomen. Cheng verbrak alle contact en raakte op drift, niet langer in staat om op eigen kracht terug te keren. Intussen bleef de familie elf lange jaren in het ongewisse over zijn lot, tot de bewuste reportage werd uitgezonden.
Intussen is Cheng opnieuw veilig en wel thuis. Zijn verstandelijke vermogens keren langzaam terug en stapsgewijs integreert hij opnieuw in de samenleving. Hij werkt op proef als manager van een modeshow in het zuidelijke stadje Shunde, al verklaart het voormalige idool niks van mode te snappen. De internetgemeenschap is hij dankbaar voor haar rol in de hereniging met zijn familie en met zijn zonen, nu elf en twaalf jaar oud.
Hoewel Chengs lot gevoelig is verbeterd dankzij alle media-aandacht werpt zijn verhaal ook licht op een donkere, relatief nieuwe kant van de Chinese maatschappij. Zodra bekend werd dat de bedelaarsprins aan schizofrenie leed, verdween zijn verhaal meteen uit de blogosfeer. Een mogelijke verklaring voor die bijna allergische reactie is dat Cheng niet langer voldeed aan het traditionele Chinese beeld van de zwerver. Sinds de oudheid worden landlopers verheerlijkt als nobele zielen die bewust uit het keurslijf van de samenleving stappen, vaak uit protest tegen corruptie of andere wantoestanden. In het grotendeels rurale China zijn opeenvolgende generaties aan eenzelfde stuk landbouwgrond gebonden, waar ze als een hechte familie-eenheid onder één dak leven. Het individu wordt gezien als te klein en te zwak om het leven in z'n eentje het hoofd te bieden. De landloze levenswijze wordt daarom geassocieerd met sterke en spirituele persoonlijkheden, een plaatje waarin de ogenschijnlijk coole Cheng perfect paste. En blijkbaar was de internetgemeenschap op zoek naar een klassieke held in - letterlijk - nieuwe kleren. Toen zijn achtergrond en fragiele geestelijke toestand bekend raakten, viel de mythe van de rebellerende vagebond in duigen en verdampte de interesse.
Een tweede verklaring is de Chinese tendens om zich van mentaal zwakkeren af te keren, uit schaamte of zelfbehoud. Traditionele Chinese geneeskunde beschouwt psychische ziektes als een fysiek probleem, veroorzaakt door een verstoring van het evenwicht in de organen. Tot twintig jaar geleden werd algemeen aangenomen dat niet enkel mentale patiënten, maar ook de psychiaters die hen behandelen uiterst besmettelijk zijn. Op het platteland is de angst voor dergelijke 'besmetting’ nog steeds aanwezig. Tijdens de Culturele Revolutie van de jaren zestig werd het psychiatersberoep zelfs buiten de wet gesteld, zij het uit praktische overwegingen. Klinieken en hospitalen werden omgeturnd tot psychiatrische gevangenissen voor al wie kritiek had op het beleid van Mao, een trend die zich tot op vandaag heeft doorgezet. Wie te opzichtig aan het gezag van de Communistische Partij (CPC) tornt, verdwijnt spoorloos en wordt als een psychiatrische patiënt geïnterneerd voor 'heropvoeding’.

DIT ALLES MAAKT dat psychiatrie nog steeds een negatieve bijklank heeft in het nieuwe China. Het aantal gediplomeerde psychologen - twintigduizend in heel China - ligt verhoudingsgewijs dan ook op slechts tien procent van het internationale gemiddelde en hun expertise is bijzonder duur. Voor de vele daadwerkelijk mentaal gehandicapte, klinisch depressieve en krankzinnige mensen blijft er daardoor bijna geen opvang over. Ze zien er minder hip uit dan Cheng Guo Rong, maar ook zij dwalen door China’s straten. De Wereldgezondheidsorganisatie schat hun aantal op zeventien procent van het bevolkingstotaal, waarvan 91 procent geen enkele vorm van behandeling geniet. Dat zijn meer dan tweehonderd miljoen mentaal instabiele mensen voor wie geen bijstand voorhanden is. Dit cijfer wordt niet bestreden in de lokale pers, wat vele waarnemers ertoe brengt aan te nemen dat het ware aantal nog hoger ligt. De regering stuurt de nationale media en staat erom bekend enkel met ultraconservatieve cijfers naar buiten te komen als het positieve imago van haar beleid of de Chinese natie in het gedrang komt. Openlijk toegeven dat zeventien procent van haar bevolking depressief is, betekent voor de Communistische Partij zoveel als aan de alarmbel hangen. Wat is er aan de hand?
China beleeft een reële geestelijke-gezondheidscrisis. De groei is meetbaar: het nationale zelfmoordcijfer is volgens officiële media nu al het hoogste ter wereld. Elk jaar opnieuw proberen 2,25 miljoen Chinezen zichzelf van het leven te beroven; 250.000 tot 300.000 onder hen slagen in hun opzet en onder vijftien- tot 34-jarigen is zelfmoord de belangrijkste doodsoorzaak. Het zijn cijfers waarachter een geschokte natie schuilgaat. De afgelopen dertig jaar werd de Chinese bevolking gedwongen om de sprong te maken van een rurale planeconomie naar een hyperkapitalistische exporteconomie, een transformatie waar het geïndustrialiseerde Westen tweehonderd jaar over heeft gedaan. Om dit te bewerkstelligen is de regering een duidelijk sociaal contract aangegaan met haar burgers: werk zo hard je kan, vergeet solidariteit en grijp je kansen; wij garanderen een ongekend hoge levensstandaard.
De CPC heeft woord gehouden, zij het niet aan al haar burgers. De economisch geïsoleerde westelijke provincies hinken achterop, met een steeds groter wordende sociaal-economische kloof tussen de koplopers in de race en de honderden miljoenen achterblijvers als resultaat. In het oosten van het land leven de meeste burgers ontegensprekelijk in betere huizen, eten ze beter voedsel, kunnen velen naar het buitenland reizen en hun mening relatief ongestraft verkondigen in een scala aan moderne media. Juist deze economische winnaars gebruiken nu het internet om een dakloze, berooide en onmondige schooier uit te roepen tot hun nationale held en voorbeeld. Dat doen ze op het moment dat de ogen van de wereld zich op China en de Expo-extravaganza richten en alle burgers geacht worden een positief imago te projecteren naar de buitenwereld - een onuitgesproken deel van het sociale contract. De timing en buitensporige afmetingen van het prins-bedelaarfenomeen suggereren een diepgewortelde ontevredenheid met de richting die de Chinese maatschappij uitgaat. Alle geboekte vooruitgang en positieve vooruitzichten ten spijt zien veel bewoners van het nieuwe China de toekomst gedesoriënteerd, kwaad en bang tegemoet. Het is een existentiële verwarring die afgelopen maand onverwachte slachtoffers maakte.

MEER NOG DAN landloperij wordt zelfdoding in China beschouwd als de meest effectieve manier om de publieke aandacht te vestigen op persoonlijk of maatschappelijk onrecht. Tot voor kort grepen de miljoenen zelfmoordpogingen echter plaats in de privé-sfeer. Op 23 maart werd op een wrede manier gebroken met die aloude traditie in het stadje Nanping in de zuidoostelijke kustprovincie Fujian. Die ochtend werden de scholieren aan de schoolpoort van Nanpings experimentele basisschool opgewacht door de 41-jarige Zheng Minsheng. Gewapend met een slagersmes hakte de ex-chirurg willekeurig in op dertien kinderen. Acht lieten ter plekke het leven voor de man overmeesterd kon worden; de overige vijf overleefden de slachting. Op 28 april werd de voormalige dokter na een kort proces veroordeeld. Voor zijn executie verklaarde hij rationeel en met voorbedachten rade te hebben gehandeld. Opeenvolgende tegenslagen hadden hem tot het besef gebracht dat zijn leven geen zin had; daarom had hij het plan opgevat om dertig kinderen om te brengen.
Tussen augustus en december 2004 trok een eerste golf studentenmoorden door China, maar toen was er geen oorzakelijk verband tussen de individuele gevallen. Zheng vond echter verontrustend snel en accuraat navolging. Was 28 april de dag van zijn executie, het was ook die van de tweede aanslag. In de namiddag brak een dorpsleraar in de basisschool van het zuidelijke Leizhou in. Hij viel een collega aan, verwondde zestien leerlingen met een keukenmes en werd door de politie tegen het dak gewerkt toen hij van het schoolgebouw probeerde te springen.
De volgende ochtend, 29 april, in de oostelijke provincie Jiangsu: een 47-jarige werkloze man valt binnen in een kleuterklas en steekt er een veiligheidsagent, twee leraren en 28 kinderen neer. Daarop beveelt de regering een quarantaine en een nationale media-blackout, maar het moorden gaat gewoon door. Terwijl de volgende dag ongeïnformeerde ouders een protestmars houden omdat hen nog steeds de toegang wordt geweigerd tot de school en het ziekenhuis waar hun gewonde kinderen worden verzorgd, slaat enkele honderden kilometers noordwaarts een nieuwe copycat toe. Een kippenkweker stormt een middelbare school binnen, verwondt vijf leerlingen en een leraar met een hamer, overgiet zichzelf met olie en drukt twee kinderen tegen het lijf in een poging hen mee te sleuren in zijn dood. Dankzij de interventie van twee leraren mislukt het plan en is de man de enige die levend verbrandt.
Dan wordt het eindelijk stil en komt het veiligheidsdebat op gang. Verscherpte maatregelen worden aangekondigd om in heel China peutertuinen en scholen beter te beveiligen. Er komen meer veiligheidsagenten, meer beveiligingscamera’s, hogere hekken. De politie introduceert een metalen grijparm om razende indringers in bedwang te houden. Langzaam komt men dichter bij de kern van het probleem, en de waarom-vraag wordt net openlijk gesteld als een nieuwe aanval voor een nieuwe schok zorgt. Op 12 mei, in de centrale provincie Shaanxi ditmaal, stormt de eigenaar van een privé-kleuterschool door zijn eigen gebouw met een slagersmes in de hand. Hij houdt halt in het directiekantoor waar de directrice en haar moeder zich bevinden, slacht beide vrouwen af, doodt zeven kinderen en verwondt elf andere. Slechts twee van de aanwezige kleuters blijven ongedeerd. Daarop keert hij huiswaarts, steekt een sigaret op en aanschouwt volgens ooggetuigen kalm vanuit zijn raam het tafereel van de heen en weer snellende hulpdiensten, alvorens zichzelf de keel door te snijden.
Opnieuw wordt het verhaal uit de nationale media geweerd, met als onderschrift naar de pers dat niets het vredige verloop van de Expo 2010 in de weg mag staan. In de populaire Global Times, die door de CPC wordt gefilterd, verschijnt de volgende dag echter een verklaring van de nationale politiediensten dat sinds 23 maart zeven andere aanvallen werden verijdeld. Op hetzelfde moment spreekt premier Wen Jiabao als eerste politieke leider openlijk over het probleem op de Hongkongse televisie, en geeft aan dat er behoefte is aan een socialer China, waarin mensen met klachten of psychische problemen binnen hun eigen gemeenschap terecht kunnen voor hulp. Zijn mening wordt gedeeld door de meeste vooraanstaande Chinese intellectuelen en universiteitsprofessoren, die ook pleiten voor meer openheid in de pers.
ALS CHINA’S BEKENDSTE blogger Han Han zich in het debat mengt, komt de CPC zelf onder vuur te liggen: de blogger beschuldigt de overheid er openlijk van alleen om de Wereldexpo in Shanghai te geven en niet om de dode kinderen, en eist vrije ziekenhuistoegang voor families van slachtoffers. Zijn weblog wordt meteen geblokkeerd, maar de bewuste post blijft op het net circuleren. Nieuwe stemmen in de media leggen daarop de schuld volledig bij de daders en hameren op het consequent toepassen van de doodstraf. Intussen wordt in het huidige vijfjarenplan van de centrale regering in alle stilte een ruim budget uitgetrokken voor onderzoek naar mentale problemen.
Een analyse van het profiel en de motieven van de daders toont aan dat de premier perfect geïnformeerd was over het probleem en dat de regering tot op zekere hoogte open kaart speelt met haar bevolking via haar verschillende mediakanalen. Allen waren ze mannen van middelbare leeftijd die zich herhaaldelijk door de maatschappij in de steek gelaten voelden, hetzij omdat ze werden afgedankt en vruchteloos naar een nieuwe baan zochten (in het voormalige communistische systeem werden alle werknemers in staatsbedrijven nog voor het leven benoemd), omdat ze door corrupte lokale politici uit hun huis waren gezet of omdat ze zich door dorpsgenoten met guanxi, relaties met hooggeplaatste ambtenaren, in een hoek gedrukt voelden. Steeds achtten ze zichzelf niet bij machte om gerechtigheid te krijgen of terug te vechten, tenzij door de hele samenleving te treffen via haar allerzwakste schakels. En het meest opmerkelijke: bij ieder van de vijf daders was het empathisch vermogen dat een normaal functionerend mens ervan weerhoudt in koelen bloede een kind te vermoorden, volledig uitgewist.
Een kind vermoorden in het China van vandaag betekent meer dan alleen kindermoord; het is de eliminatie van een hele familielijn. Een stamboom is er van oudsher een spiritueel gegeven: men is ervan overtuigd dat een overleden voorouder terugkeert in een nieuwgeboren kind, dat de ziel en bepaalde karaktertrekken van die persoon overneemt. Aan de continuïteit van dit familiegevoel ontlenen Chinezen een zin van de eeuwigheid van het leven, dat altijd een gedeeld leven is en niet een individueel bestaan. Men leeft letterlijk verder in en door de (achter)kleinkinderen. Door de eenkindpolitiek hebben de meeste families echter maar één enkel kind of zelfs kleinkind waarop alle hoop rust. Daarom houdt de hele familieclan op te bestaan als een kleinkind sterft en de familienaam met zich meeneemt in het graf. Een grotere ramp is voor een Chinese familie niet denkbaar.
Een man die met dit denken is opgegroeid en toch kinderen vermoordt, zonder aarzeling of berouw, moet bezeten zijn door een wanhoop die veel dieper snijdt dan het vooruitzicht van de doodstraf. De daders van de vijf aanslagen zagen hun dood als een oplossing tegemoet. Niet als een straf, maar als het einde van hun lijdensweg, het punt waarop er eindelijk naar hen zou worden geluisterd. Sinds de beroemde poëet Qu Yuan tijdens de Zhou-dynastie ten onrechte van hoogverraad werd beschuldigd en uit protest de Miluo-rivier in waadde met een rotsblok in de armen, is rituele zelfmoord in China altijd het meest dramatische symbool voor totale machteloosheid geweest. Ruim 2250 jaar later is dit rituele kindermoord geworden.

ONWREEKBAAR ONRECHT creëert eenzaamheid, en het nieuwe China telt vele machtelozen. Het is een gigantische uitdaging om deze tientallen miljoenen zwakke schakels opnieuw in het systeem te integreren en sterker te maken, in plaats van hen naar de periferie te verbannen. Het is ook een uitdaging die zich aftekent voor China’s leiders, onvermijdelijk en hoogdringend. In de maand juni alleen al opende een man het vuur op twee rechters en een griffier in een Hunanese rechtbank, verwondde een vrouw negen slapende passagiers op een Noord-Chinese nachttrein met een scherp stuk staal en reed een net dakloos geworden man uit Henan in op een groepje onschuldigen met drie doden en dertien gewonden tot gevolg. Ook sprongen opnieuw twee werknemers van iPad-fabrikant Foxxcon hun dood tegemoet - de twaalfde en dertiende zelfmoordpoging die dit jaar al plaatsgrepen op het gigantische fabrieksterrein.
Op dit moment lijkt het vermoorden van kleuters het allerergste te zijn wat een mens een ander kan aandoen in een civiele maatschappij. Maar amper twee maanden geleden hield niemand dit soort seriële uitbarstingen nog voor mogelijk. Wie weet in welke vorm de wanhoop van de eenzamen een volgende keer toeslaat.