Hoe becijfer je een waterhoofd?

Het Nederlandse financiële waterhoofd zadelt de belastingbetaler op met een risico van 67.763.500.000 euro, zo berekende De Groene Amsterdammer op basis van cijfers van de Rekenkamer en het Ministerie van Financiën

Daarbij is bewust gekozen om zowel leningen en garanties als daadwerkelijke uitgaven bij elkaar op te tellen. De Rekenkamer berekent ook de kosten die de Nederlandse staat maakte om het benodigde geld op de internationale kapitaalmarkten te lenen. En natuurlijk zijn de opbrengsten van de reddingsoperatie - rente- en premiebetalingen van de banken, bijvoorbeeld - op het bedrag in mindering gebracht. Alle gebruikte getallen zijn tot en met 2012; alleen de rentekosten die de Nederlandse staat kwijt was aan de hulpoperatie zijn voor dat jaar nog niet altijd bekend. Het werkelijke risico per 1 januari kan daarom nog iets hoger uitvallen.

Maar wat kost de financiële sector nou daadwerkelijk? Die vraag is veel moeilijker te beantwoorden. Veel maatregelen die in 2008 zijn genomen om de financiële sector te redden, lopen nog lange tijd door. De echte verliezen zullen daardoor slechts beetje bij beetje aan het licht komen. Neem de nationalisatie van Fortis/ABN Amro. Aangenomen wordt dat hier miljarden teveel voor is betaald; de staat zal er dus geld op verliezen. Maar hoeveel precies? Dat is pas over meerdere jaren duidelijk, als ABN Amro terug naar de beurs wordt gebracht.

Een getal dat de kosten van de bankenredding uitdrukt, zegt op zijn best dan ook weinig over de werkelijke bedragen die hiermee gemoeid zijn. Op zijn slechtst is het niet meer dan een slag in de lucht. Een gok. Om die reden heeft de Groene Amsterdammer ervoor gekozen om zoveel mogelijk over concrete risico’s te praten.

In het artikel worden ook andere kostenposten genoemd van een omvangrijke financiële sector: van de huidige, door de banken veroorzaakte recessie (zo'n 150 miljard euro, volgens oud-minister De Jager en de Rekenkamer) tot een mogelijke ‘braindrain’, waarbij talentvol personeel wordt onttrokken aan de rest van de economie. Deze extra kosten zijn niet opgeteld bij het reeds genoemde bedrag van bijna 68 miljard. De reden ligt voor de hand. De kosten van zo'n braindrain zijn niet in een betrouwbaar getal te vatten. De kosten van de op de bankencrisis volgende recessie zijn dat wel, maar kunnen natuurlijk niet uitsluitend op het bordje van de Nederlandse banken en andere financiële instellingen worden geschoven.