Hoe bedoelt u?

Paul Witteman, Jan van Friesland, Opgenomen: Witteman bij de psychiater. Uitgeverij Balans, 326 blz., f34,90.
BEETJE PEPTALK moet kunnen. Maar de uitgeverij van Opgenomen: Witteman bij de pyschiater heeft het wel heel bont gemaakt. We lezen: ‘Paul Witteman confronteert zes vooraanstaande psychiaters met de macht en onmacht van de hulpverlening in Nederland: KAN DE PSYCHIATER JE WERKELIJK HELPEN?’ En: ‘OPGENOMEN van Paul Witteman markeert een omwenteling in de visie op patienten en psychiaters.’

Opgenomen is een handzaam overzicht voor de leek, een voorlichtend werkje. Er wordt iets over de geschiedenis van de psychiatrie gezegd, er is een overzichtje van de psychiatrische ziektebeelden. Het is helemaal geen slecht boek. Integendeel. Maar het markeert natuurlijk geen ‘omwenteling in de visie op patienten en psychiaters’. Wat een gelul.
Eerst was er de serie Vara-televisieprogramma’s, Opgenomen in Oegstgeest. Daarin werden zes Nederlandse (vooraanstaande? waar blijkt dat uit?) psychiaters ondervraagd op de van Witteman bekende wijze: kritisch, ad rem, maar toch schijnbaar terloops, luchtig en o zo ironisch en daardoor des te venijniger. Ik ken op de Nederlandse televisie niemand die zoveel luchtig gehanteerde vaardigheid aan de dag kan leggen als het er om gaat met een te interviewen persoon 'momenten’ tot stand te brengen. Altijd weer ontstaat er een sprankelend spel tussen vrager en bevraagde, het swingt, het charmeert, het verveelt geen seconde. Maar… confronteren? Dacht het niet. Witteman is geen Ischa Meijer. Nooit komt bij hem het ene grote gelijk muurvast tegen het ander te staan. Het blijft een spel van enerzijds-anderzijds.
MISSCHIEN uit misplaatste bescheidenheid heeft Paul Witteman in het boek Opgenomen de vragen weggelaten. Nu zie je dus niet meer waarop de geinterviewde psychiaters reageren. Het is net alsof ze een betoog houden, alleen wordt niet duidelijk waarom opeens van het ene op het andere onderwerp wordt overgesprongen. En waar je een vraag van Witteman zou verwachten omdat iets vaag wordt, of iemand zichzelf tegenspreekt, blijft dit nu uit. Wat ik des te vreemder vind, omdat in het voorwoord van Opgenomen staat dat de betrokken psychiaters hun tekst achteraf hebben bewerkt en geautoriseerd.
Zo laat de psychiater Nelleke Nicolai in haar verhaal de term 'dissocieren’ vallen. Een ingewikkeld begrip, dat zeker niet bij de leek bekend verondersteld kan worden. Maar het wordt rustig op twee verschillende manieren uitgelegd, beide keren ronduit populistisch en daardoor vooral vaag. Eerst zegt Nicolai: 'Mensen die voortdurend blootstaan aan de herhaling van emotionele schokken, gaan hun geheugen en gevoelens splitsen, dissocieren, om het leed en de pijn te verdragen.’ Op deze manier gezegd betekent dissocieren natuurlijk niks abnormaals meer. Want wie weet nu nog bij elke herinnering de juiste emotie op te vissen? Lijken herinneringen niet soms stilgezette plaatjes waarbij geen enkele emotie zit, behalve die welke er in het heden aan wordt vastgeplakt? En is dat dan ziekelijk? En komen er in andere gevallen niet zomaar ineens, omdat je iets ruikt bijvoorbeeld, emoties naar boven, zonder dat je die met de betreffende herinnering kunt verbinden?
Maar goed, als je de eerste definitie van dissocieren al mag begrijpen, wat heeft die dan te maken met het even verderop gehanteerde woordgebruik van Nicolai: 'Patienten dissocieren soms volledig. Dan zijn ze even “weg”, dan heb je even geen contact.’ Wat ontbreekt is een meer volledige uitleg van het begrip. Hier was toch echt een luchtig Wittemanse 'Hoe bedoelt u?’ noodzakelijk geweest. En waar hij het op de tv daarbij had kunnen laten, was het voor een boek erg interessant geweest om daarna nog eens wat verder door te vragen in dit soort essentiele, maar duistere kwesties, waar - volgens mij althans - het falen van de psychiatrie tot uiting komt. Want wat al die begrippen nu precies betekenen, is zeer duister en omstreden.
DE AFWEZIGHEID van Witteman in een groot deel van zijn boek is des te vreemder, daar hij met grote persoonlijke betrokkenheid van start gaat en zich in eerste instantie zeer kritisch opstelt tegenover de soms zo autoritaire houding van de quasi-wetenschap die psychologie heet en die een ontzagwekkende invloed op alleen al ons dagelijks taalgebruik heeft gekregen. Hoe vaak menen wij bijvoorbeeld niet dat we iets verdringen of dat we iets misschien onbewust wel vinden - en wat bedoelen we daar in godsnaam mee?
Dat Witteman zich sceptisch opstelt, is dapper. En terecht. Maar gaandeweg lijkt de evenwichtige journalist het van de gedreven criticus te winnen. Waar Witteman inzet met de schrijnende, adembenemend mooie verhalen van zijn nooit echt door de psychiatrie geholpen tante Jos en vriend Dirk Beentjes, begint hij vervolgens zonder overgang psychiaters te interviewen.
Witteman stelt in zijn persoonlijk getinte inleiding een intrigerende vraag: 'Wat opvalt, is de andere toon die de psychiaters aanslaan, je zou bijna zeggen: van hoogmoed tot bescheidenheid. Het klinkt heel wat toegankelijker, sympathieker dan vroeger maar hebben hun behandelingen daarmee meer effect?’
Dat lijkt een retorische vraag. Maar gaandeweg de gesprekken raken niet die evenwichtige en sympathieke psychiaters maar Witteman zelf geconfronteerd met een overvloed aan stellingen, dan weer nuances, dan weer twijfels waaronder zijn scepsis lijkt te verpulveren. Soms boekt de pyschiatrie succes, opvallend vaak waar het de biologische aanpak betreft, soms gaat het erg moeilijk, zoals bij oudere patienten of bij kinderen; we leren iets over de levens van die psychiaters zelf, iets van hun maatschappijvisie; er wordt ons interessant cijfermateriaal gegeven.
En dan zijn er nog de getuigenissen van de patienten, wat ik het hoogtepunt van de televisieserie vond. Zo vertelt de schizofrene Arend van Breda: 'Maar zelfs met de medicijnen voel ik me een Porsche die niet verder komt dan z'n eerste versnelling.’
Maar wat heeft dit alles Witteman nu geleerd? Wat is de visie waar de flaptekst van spreekt? Durft hij soms niet?