Hoe begon het in Oene?

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn papieren kroniek kan bespreken. Deze week: De Boerenrepubliek.

© BNNVARA

Landbouw is sinds de jaren zestig overwegend in christelijke hand, gezien de bezetting van het ministerie van Marijnen tot en met Schouten; en gezien het televisiemonopolie van KRO-NCRV en bijbeunend ambassadeur Yvon Jaspers. Maar socialisten drukten en drukken een grote stempel: van Sicco Mansholt – minister van 1945 tot 1958 (‘nooit meer honger’) en Europees commissaris van 1958 tot 1973 (‘grootschaligheid’) – tot Europees vicevoorzitter Frans Timmermans (‘biologische landbouw’). En recent ook door BNNVARA met een Zembla over De uitgeputte bodem; en nu lopend het vierluik De Boerenrepubliek, waarvan ik de eerste drie delen zag. Een absolute aanrader.

Voor de duidelijkheid: de term ‘Boerenrepubliek’ komt in aflevering twee uit de mond van een actievoerder. Niet eentje uit het protesterende tractorgilde. En niet een links, demonstrerend of dierenbevrijdend jonkie, maar een Brave Brabantse Burger, procederend man op leeftijd, woonachtig in de Graspeel, buurtschap bij het dorp Zeeland in oostelijk Noord-Brabant. Piet Catsburgs grootouders hadden er zelf een kleine boerderij. Het was er doodstil. Nu, door industriële veeteelt en continue aanvoer van voer en afvoer van mest is er altijd herrie en zwaar verkeer en valt er bij mist een stinkende lappendeken over het gebied. Er leven 36 à 37 miljoen dieren op een piepklein oppervlak, onzichtbaar in gigantische stallen. ‘En dan vinden ze het gek dat zoiets zoönose oplevert. Stop met die onzin. Welke idioot heeft bedacht dat er nu een stal voor zeventienduizend varkens gebouwd gaat worden?’ Zijn conclusie: ‘Boeren hebben rechten, burgers plichten: we wonen in een Boerenrepubliek’ (historische verwijzing naar Zuid-Afrika in de negentiende eeuw).

Die ‘idioot’ heet Frans Meulenmeesters, die nu nog op twee locaties samen met een jonge naamgenoot veertienduizend ‘productieve zeugen’ houdt. Dat gaat dus samengevoegd en vergroot worden. Hij beschrijft en toont de cyclus: op dag één werpen; dag 28 ‘spenen’ (= de biggen weghalen); op dag 33 insemineren – er wordt dan een ‘beer’ voor de zeugen gezet om de bronst op te wekken, en de nieuwe cyclus begint. Tot aan de slacht. Nee, ze leven niet lang maar wel goed: altijd genoeg eten, drinken en de juiste temperatuur. ‘Ik zou willen dat alle mensen op de wereld het zo hadden als onze varkens.’ Die mensen (vrouwen) zouden dan wel altijd binnen vast liggen op piepklein oppervlak, stenen vloer, in kunstlicht, denk ik. Nee, dat bedoelt Frans natuurlijk niet, maar als niet-varkensboer kijk je met huilend hart naar deze extreem onnatuurlijke situatie waarin dieren van alle instinctieve behoeften zijn afgesneden, op de geur van de beer na die louter als katalysator voor het industriële proces werkt. En dat terwijl je er volgens Frans voor het geld niet aan moet beginnen (oftewel, het levert weinig op), ‘maar het is zulk prachtig werk, hoe dat springt en zingt’ – doelend op de biggetjes. Het is maar wat je erin wil zien.

En dan springen wij met de makers terug in de tijd, naar 1997. We zien een boer door zijn varkensstal lopen. ‘Deze zijn vanmorgen geboren’, zegt hij. Is dat niet …? Jawel, dat is dezelfde Frans, een kwart eeuw jonger. Die voor camera telefonisch te horen krijgt dat zijn bedrijf geruimd gaat worden vanwege varkenspest in de buurt. ‘Gezonde dieren die een minister kennelijk af wil maken. Vier jaar nodig gehad dit bedrijf op peil te krijgen. Anderhalf miljoen schade.’ En hij loopt geëmotioneerd weg.

Twee dingen. Eén. Zijn emoties zijn maar al te begrijpelijk. We zien die hier, en we zagen ze in de eerste aflevering nog vaker, heftiger en uitgebreider in Oene, Veluwe, waar in 2001 mond-en-klauwzeer was uitgebroken. Oene is vertrek- en terugkeerpunt door de hele reeks. We zagen getroffenen in filmfragmenten van toen. We zien ze nu, twintig jaar later terugblikken en weer houden ze het niet droog: zo diep zit het trauma over die gezonde afgemaakte dieren; over een bedrijf, vaak generaties oud, dat naar de knoppen leek te gaan. Je kunt je schouders erover ophalen, maar dan begrijp je echt niet wat een oorlogssituatie (zo beschrijven vriend en vijand en minister die periode, in totale lockdown met geliquideerd vee) en existentiële bedreiging van alles waarmee en waarvoor je leefde met mensen doet.

Twee. Een ijzersterk element van de reeks is dat de terugblik op jonge Frans geen incident maar methode is. Van verreweg de meeste gesprekspartners blijkt ook filmmateriaal te zijn uit de tijd dat hun crisis speelde – gemaakt door een omroep of door henzelf met eigen camera. (Het is natuurlijk andersom: de research heeft destijds gefilmde mensen opgespoord.) Dat betreft boeren, boerinnen, dierenartsen (zowel particuliere als in overheidsdienst) en ministers (Brinkhorst). We zien Frans, kennelijk al vroeg activistisch, in 1995 in gesprek met premier Wim Kok over het voor boeren onwelkome mestakkoord. Van toen tot nu stelde en stelt Frans: ‘Natuurlijk moet er wat gebeuren, maar dit gaat veel te snel.’ En ‘te ver’, bedoelt hij. Maar Frans zegt ook maar al te ware dingen, waarmee tegenstanders van de intensieve veeteelt (en landbouw) het alleen maar eens kunnen zijn: ‘Mensen hebben een mening, maar ze zijn ook consument; als consument willen ze het goedkoopste en als burger het maximale – dat gaat niet samen.’ Want ze kopen kiloknallers. Die hij produceert, dat dan weer wel.

Trouwens: in 2001, tijdens de MKZ-crisis, zegt een viroloog bij Achter het nieuws tegen Kees Driehuis: ‘Die crisis is mogelijk doordat dieren zo dicht op elkaar zitten en doordat we met ze zijn gaan slepen, op grote schaal. We hebben gekke koeien, varkenspest en mond-en-klauwzeer kort na elkaar. Ik denk dat je die trend binnenkort ook bij de mens kunt verwachten.’ Driehuis: ‘Bestaat echt de kans dat een nieuw virus via dieren bij de mens terechtkomt?’ De viroloog: ‘De vraag is eerder “wanneer” dan “of”.’

Zijn naam: Ab Osterhaus. Ja, corona gluurt herhaald om de hoek in deze reeks over landbouw en veeteelt.

De Boerenrepubliek is een ijzersterke, vaak mooi gefilmde reeks van Hans Hermans en Martin Maat, waarin goedgekozen archiefmateriaal wordt afgewisseld met aandachtige gesprekken met betrokken partijen. Waarbij zowel boer als politicus als milieuactivist uitgebreid aan het woord komen. Een reeks die vergeten of vaag herinnerde gebeurtenissen terughaalt. Zo was ik kwijt dat het tractorrammen van de poort van het Gronings provinciehuis meerdere voorlopers had, waaronder eentje die de trap naar de Ridderzaal beklom en, godlof, tegen de deur aan nog wel stopte. Dertig jaar geleden. Zou toch een iconisch beeld moeten zijn en Mene Tekel. De trap moest voor Prinsjesdag wel gerestaureerd en ik vermoed dat de boeren niet betaalden. Want de overheid durft soms wel, maar vaak ook niet. De tractoren van nu zijn sterker, zoals het protest van hun bestuurders radicaler is. (En stuitend, wanneer ze zich de Holocaust toe-eigenen.) Terwijl andersom, met de niet eens meer sluipende maar doorrennende klimaatcrisis radicale maatregelen inzake landbouw en veeteelt onvermijdelijk worden. Die Meulenmeesters en de zijnen steeds feller zullen bestrijden.

De akelige cijfers zijn naar aanleiding van Timmermans’ plannen weer op tafel. We hebben een postzegel aarde die industrieel een groot deel van de wereldproductie verzorgt. Met uitputting, verschraling, razendsnel verdwijnende biodiversiteit, mestoverschot enzovoorts tot gevolg. En dat is dan ‘alleen nog maar’ ons regionale probleem (met effecten elders). Wat te doen, als persoon?

Goed stemmen. Maar dat is dus al behoorlijk mislukt – niet individueel maar collectief. (Corona, dat de urgentie om systematisch te veranderen alleen maar meer heeft aangetoond, heeft de aandacht voor die noodzaak tegelijk afgeleid, driftig geholpen door Van Haga-leugens.) Ik herlees Jaap Tielbeke’s ‘De mythe van de groene consument’ en kom daar weer twee opties tegen die wél zoden aan de dijk zetten. ‘Niet naar New York vliegen’ en waar dat voor staat. En minder of geen vlees eten. Nou, ik kom wel in de eco-hemel. Weinig gevlogen (door omstandigheden, maar je moet voor de eeuwigheid ook mazzel/pech hebben). En ben sinds mijn vijftiende vegetariër (toen vanuit pubersentimentaliteit, maar ook dat blijkt dus mazzel). Destijds was je een zonderling en was vegetarisch eten buiten de deur onmogelijk of onsmakelijk.

Nu kun je overal en vaak voortreffelijk terecht. Ook als veganist (ik niet). Ik wil weten hoe mijn afwijking, die tot noodzaak is gepromoveerd, ervoor staat. Met hoeveel zijn we? Volgens de Vegetariërsbond eet vier tot zes procent van de Nederlanders (bijna) nooit vlees. Maar als je vraagt of mensen zich vegetariër noemen en ook geen vis eten houd je twee procent over. Veganisten één procent. Het is allemaal veel minder dan ik dacht en hoopte. We gaan onszelf en de wereld zo niet redden. Maar ik heb schone handen (vergeet het).

Hoe begon het in Oene? Er was mond-en-klauwzeer in Engeland. Gerrit van der Weerd kreeg kalveren uit Ierland (slepen met dieren, dixit Osterhaus). Was dat niet gevaarlijk, vroeg buurman Bert ter Beek (een man om in het hart te sluiten, gaat dat zien). Welnee, ze waren om de mond-en-klauwzeer heen gereden. Dus maakte Bert een klusje op eigen erf af en ging Gerrit van de Weerd helpen met uitladen. Het begin van wat hij de ‘killing fields’ noemde.

Dierenarts Arie Plaisier had nog nooit mond-en-klauwzeer gezien. Toen wel, en hóe: op één dag dier na dier dat blaren kreeg. Een wereld stortte in. Quarantaine dus, maar qua hygiëne werden er nog de stomste dingen gedaan. Boeren met niet besmet vee eisten vaccinatie. Maar dat weigerde de minister: dan zou het vlees niet meer van topkwaliteit zijn en dat zou tot handelsboycot tegen al het Nederlandse vlees kunnen leiden. Ook Brussel was tegen. Dat wat boeren zelf hadden geëist – niet vaccineren, uit economisch motief – werd nu dringend gevraagd om ruiming te voorkomen.

Ruiming die kwam en waarvan Zwier van der Weerd, Alberts zoon, nu zegt: ‘Zodat je ontdekt dat je hard gewerkt hebt om je bedrijf en grond te kopen, maar dat je erachter komt dat niets van jou is. Dat je geen recht hebt op je eigen erf, dat de overheid alles in de grip heeft.’ Oftewel: de absolute tegenhanger van de Boerenrepubliek.

Caroline Bech van actiegroep Animal Rebellion rekent voor: in Nederland worden jaarlijks 650 miljoen dieren geslacht, 1,8 miljoen per dag, meer dan duizend per minuut. Ze zal dus ook bitter grijnzen als ze ziet hoe Brinkhorst door boeren werd uitgescholden voor ‘dierenmoordenaar’. Maar 270.000 merendeels gezonde dieren ruimen is echt niet niks. (Overigens, als ze niet gezond zijn mogen ze ook niet naar het abattoir, dus dat ‘gezond’ als grondslag voor verontwaardiging is niet helemaal overtuigend.) De crisis leidde bij de overheid tot de conclusie dat deze intensiteit van vee houden niet langer verantwoord was en dat de veestapel drastisch moest gereduceerd. Daarvan is niets terechtgekomen. Toch Boerenrepubliek dus? En dan heb ik het nog niet eens over de intensieve akkerbouw gehad. De documentaire wel, uitgebreid.


Hans Hermans, Martin Maat, De Boerenrepubliek, BNNVARA, vier delen sinds 22 maart, NPO 2, 20.30 uur