Voor- en naschoolse opvang

Hoe breed is de school?

De invoering van naschoolse opvang is ingegeven door economische motieven, niet door sympathie voor het lot van de werkende moeder. Het is bovendien een stap in een geleidelijk proces: de langzame verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de ouders naar de school.

Het voormalige VVD-kamerlid Eric Balemans kon er op zijn Haagse werkkamer gloedvol over vertellen. Over hoe in Denemarken, het land waar zijn vrouw vandaan komt, de kinderopvang is geregeld. Die is bij de school van de kinderen, geen gesleep dus met het kroost gedurende de dag. Voor de kinderen is er van alles te doen tijdens de opvanguren, in prettige ruimtes, ook buiten kan gespeeld en gesport worden, ze eten samen en dat allemaal begeleid door gekwalificeerd personeel.
Balemans vond dat het in Nederland ook zo moest. Dus toen toenmalig VVD-fractievoorzitter Jozias van Aartsen tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen in september 2005 pleitte voor opvangfaciliteiten voor kinderen van 4 tot 12 jaar op de basisscholen, tussen half acht ’s morgens en half zeven ’s avonds, wisten insiders hoe Balemans daar op de achtergrond voor had gepleit.

In de motie die in die septembermaand twee jaar geleden werd aangenomen, staat ‘dat het van groot belang is dat alle schoolgebouwen en het terrein van de school ook na de schooldag, in het belang van de ouders en de kinderen, ter beschikking gesteld worden voor naschoolse opvang’. De motie vroeg het toenmalige kabinet te regelen dat scholen daar met ingang van 1 januari 2007 toe verplicht zouden worden.

Veel Nederlanders zal de motie van Van Aartsen destijds zijn ontgaan, zeker degenen die geen schoolgaande kinderen hebben. Op het eerste gezicht lijkt het voor sommigen misschien ook wel een puur organisatorisch probleem waar de scholen door het parlement mee worden opgescheept. Maar de motie kan door zowel voor- als tegenstanders worden gezien als een breekijzer in een taai veranderingsproces dat gaande is in de Nederlandse samenleving, een proces waarin allerlei zaken, opvattingen en waardeoordelen samenkomen: ideeën over de rol van de moeder, ideeën over de economie en de werkende vrouw in het licht van de vergrijzing en de globalisering en ideeën over de opvoeding, wie daar verantwoordelijk voor is en de taak van de school daarin.

Dat de motie praktisch gezien niet zo gemakkelijk uitvoerbaar blijkt te zijn, heeft alles te maken met (vroegere) opvattingen over de rol van moeders, werkende vrouwen en de school. Zo werd de ingangsdatum met een half jaar verschoven naar 1 augustus van dit jaar, omdat het te kort dag was voor de scholen om deze totaal nieuwe taak geregeld te krijgen. Scholen waren tot nu toe immers nooit verantwoordelijk geweest voor opvang van hun leerlingen voor en na schooltijd. Dat was de verantwoordelijkheid van de ouders. Dat weer was het logische gevolg van de ideeën over werk, vrouwen en opvoeding die tot ver in de vorige eeuw in Nederland gemeengoed waren: de man is kostwinner, vrouwen werken niet buitenshuis, maar zijn thuis voor de kinderen.

Die opvattingen zorgen er nu ook voor dat aan de voorwaarde van de motie, dat de opvang in de schoolgebouwen zelf moet geschieden, in het merendeel van de gevallen niet kan worden voldaan. Veel scholen zijn er gewoonweg niet geschikt voor. Hun bouw weerspiegelt de idee dat de school onderwijst en de moeder verzorgt en opvoedt. De gebouwen stammen nog uit de tijd dat de kinderen kort voordat de eerste bel ging het schoolplein opkwamen, tussen de middag naar huis gingen voor een boterham en na de laatste bel ook niet lang bij school bleven hangen, maar naar het eigen huis of dat van een vriendje of vriendinnetje gingen om te spelen. Moeders waren immers thuis. Een school had alleen klaslokalen, een gymzaal, een lerarenkamer, een klein keukentje voor het zetten van koffie en thee, en een schoolplein nodig.

Buitenschoolse opvang stelt echter andere eisen aan ruimtes. Het is niet de bedoeling dat de kinderen van half acht ’s morgens tot half zeven ’s avonds in de klaslokalen zitten en de opvang het karakter van een verlengde schooldag krijgt. De meeste scholen hebben mede om deze reden de opvang dan ook uitbesteed. Dat heet inmiddels het makelaarsmodel: het is de plicht van de scholen opvang te regelen als ouders daarom vragen, maar professionele kinderopvangorganisaties voeren het uit. Die zijn dan ook naarstig op zoek naar geschikte locaties. Deze zullen straks sterk van elkaar verschillen: het ene kind gaat naar het scoutingclubhuis in het bos, een ander naar de kindercaravan op het schoolplein.

Dat de Nederlandse ideeën over wie er voor de kinderen zorgt verschillen van die in het land van Balemans echtgenote blijkt uit cijfers. In Denemarken gaat ongeveer 95 procent van de kinderen tussen de 4 en 12 jaar naar een opvang, voor en na school. In Nederland was dat bij de laatste meting, die in 2006 in opdracht van de overheid is gedaan, 32 procent. Dat veel lagere percentage is niet het gevolg van de minder goede aansluiting tussen opvang en school in Nederland of de kosten van de opvang, maar van de manier waarop in de eigen sociale kring van de ouders wordt gedacht over werkende moeders, zo liet het Sociaal Cultureel Planbureau onlangs weten.

Toen VVD’er Van Aartsen in 2005 in de Tweede Kamer over de kinderopvang begon, was hij bezig Nederland te schilderen zoals hij graag wilde dat ons land er in 2015 uit zou zien. Volgens Van Aartsen waren we er in dat jaar door hard te werken in geslaagd de nieuwe, opkomende economieën het hoofd te bieden. Ouders konden volgens hem zo hard werken, omdat ze zich echt vrij voelden te kiezen voor een combinatie van arbeid en zorg. De scholen maakten dat in Van Aartsens toekomstdroom mogelijk.

Van Aartsen sprak zorgvuldig over ouders. Maar menige vrouw, die jaren heeft moeten regelen en rennen om werk en kinderen te combineren, zal toen gedacht hebben: nu wij vrouwen nodig zijn omdat India en China ons economisch dreigen te verslaan en er door de vergrijzing niet voldoende jeugdige aanwas van de beroepsbevolking is om onze levensstandaard op peil te houden, gaat de politiek zich ineens echt interesseren voor kinderopvang. Vroeger mochten we niet werken, nu moeten we werken. Hoezo zijn we vrij om te kiezen?

Degenen die de moeders graag thuis voor de kinderen zien zorgen is dit achterliggende economische motief een doorn in het oog. Maar de ironie wil dat zij in het verdedigen van de voordelen van moederlijke zorg uiteindelijk vaak ook op een economisch motief uitkomen: kinderen van wie de moeder thuis is, worden later evenwichtigere volwassenen en zorgen daardoor voor minder kosten voor de maatschappij dan kinderen die meer aan hun lot en de kinderopvang zijn overgelaten. Ook deze redenering belemmert vrouwen in hun keuzevrijheid; ze zadelt hen op met schuldgevoelens.

Bij de scholen zelf wordt er net zo divers gedacht over de nieuwe plicht om voor opvang te zorgen als elders in de maatschappij. Uit onderzoek van de Algemene Onderwijsbond, gedaan vlak voor het zomerreces, blijkt dat bijna veertig procent van de leerkrachten voor- en naschoolse opvang een verantwoordelijkheid van de ouders vindt en niet van de school. In de onderwijswereld wordt wel eens verzucht dat Nederland alle problemen denkt op te kunnen lossen via het onderwijs. Daar zit voor onderwijskrachten vaak de angel. Zij vinden dat er een proces gaande is waarin de per 1 augustus ingegane opvangverplichting een nieuwe stap is: de langzame verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de ouders richting de school.

Deze onderwijskrachten vinden dat er een onderscheid moet zijn tussen onderwijs, opvang en opvoeding. Dat is niet hetzelfde, al zijn de scheidslijnen ertussen geen scherpe. Leerkrachten hebben steeds vaker het gevoel dat zij er zijn voor de opvoeding en de ouders slechts voor de opvang. Dat is dan volgens hen niet of niet alleen omdat de ouders beide werken, maar omdat die ouders uit onvermogen, gemakzucht of onverschilligheid hun kinderen onvoldoende opvoeden. Daardoor rijzen vragen als: wie traint een kind op zindelijkheid, wie leert het zijn schoenen strikken en wat gezonde voeding is? Wie leert het wat de gevaren zijn van alcohol, van seks zonder voorbehoedsmiddelen, van anonieme e-mailcontacten? Wie leert kinderen om te gaan met kinderen met een ander geloof of van een andere cultuur?

Pragmatici zeggen dat de scholen dit moeten doen als blijkt dat ouders dat laten liggen: de kinderen worden er anders de dupe van. Anderen vinden juist dat je ouders niet van deze taken mag ontslaan, omdat ze dan steeds meer zullen gaan weglopen van hun verantwoordelijkheid voor de opvoeding. Zo woedde in de stad Den Haag ooit de strijd over het ontbijt: als je merkt dat ouders hun kinderen zonder ontbijt naar school sturen, moet je die kinderen dan een ontbijt op school geven of geef je dan toe aan luiheid, onverschilligheid en een uitgavenpatroon met verkeerde prioriteiten?

Op het Ministerie van Onderwijs zien ze de plicht van scholen om opvang te regelen als een goede stap in de richting van wat in het onderwijsjargon ‘de brede school’ heet. Dat is een school waaraan alles breder is: die school heeft een breder aanbod, omdat er ook veel wordt gedaan aan sport en cultuur, een bredere organisatie, omdat ook instellingen als het wijkhuis of de jeugdzorg in de school zitten, een bredere doelgroep, omdat ook wijkbewoners en ouderen naar het schoolgebouw komen voor hun koffieochtend of bridgeclub, en ten slotte ook nóg bredere doelen, omdat de school zijn leerlingen ook sociale omgangsvormen en maatschappelijke vaardigheden wil bijbrengen. En dus zijn ook de tijden breder.

De motie van Van Aartsen, twee jaar geleden, leek te gaan over eenvoudige opvang voor en na school, maar het is in de praktijk al een antwoord op minstens twee principiële vragen: hoe breed willen wij dat de school in Nederland is en waarom? Die vragen zijn in september 2005 niet uitgebreid aan de orde geweest. Niet dat deze vragen ooit voor eens en voor altijd beantwoord kunnen worden door de politiek, de school beweegt immers mee met de tijd. Maar door ze af en toe expliciet te stellen, komt wel duidelijker voor het voetlicht wat er allemaal aan ontwikkelingen, opvattingen en ideeën een rol spelen als de school ‘slechts’ een uurtje eerder en een uurtje langer zijn ruimtes beschikbaar stelt voor de jeugd. Dat leidt vervolgens tot meer visie op wat de school is en moet doen, en daardoor tot minder kunst- en vliegwerk, zoals nu wel hier en daar het geval is. Ook al kunnen ook daaruit mooie dingen voortkomen.