Richard Clarke, Against All Enemies

Hoe Bush al-Qaeda helpt

Richard Clarke

Against All Enemies: Inside America’s War on Terror

Free Press, 320 blz., € 24,09

Al in de eerste reclamespot van zijn herverkiezingscampagne gebruikte president Bush beelden van de aanslagen van 11 september 2001. Als hij in november wint zal dat niet vanwege zijn sociaal-economisch beleid zijn maar omdat de kiezers vertrouwen in zijn aanpak van het terrorisme. Bush wil beoordeeld worden als «oorlogspresident». In een recent interview met NBC gebruikte hij de term 31 keer. Geen wonder dus dat het Witte Huis furieus reageerde op Against All Enemies, het boek waarin de man die Bush’ antiterrorismebeleid coördineerde hem verwijt dat hij het terrorisme nog sterker heeft gemaakt.

Van Against All Enemies was de eerste druk, driehonderdduizend exemplaren, na twee dagen uitverkocht. Als Bush in november verliest zal de auteur, Richard Clarke, een van de oorzaken zijn. Volgens Clarke negeerde de regering-Bush vóór «9/11» al-Qaeda en gebruikte de aanslag als excuus voor de realisatie van haar eerder gesmede plannen om Irak te bezetten. Door die oorlog en door te weinig te doen om al-Qaeda te elimineren en Amerika te beschermen, heeft de regering het terroris tische gevaar groter gemaakt.

Deze beschuldigingen zijn niet nieuw, al heeft zelfs John Kerry ze nooit zo scherp geformuleerd. Het is ook niet de eerste keer dat insiders de Irak-obsessie van de regering-Bush aan de kaak stellen: ex-minister Paul O’Neill van Financiën en de VN-wapen inspecteur Hans Blix deden in recente boeken hetzelfde. Maar nooit eerder werd Bush’ troefkaart, zijn antiterrorismebeleid, zo genadeloos bekritiseerd door iemand die zelf op de eerste rij zat toen dat beleid tot stand kwam.

Al in het eerste hoofdstuk dompelt Clarke de lezer in het heetst van de strijd met een levendige beschrijving van de toestand op het Witte Huis op 11 september. Clarke was de crisismanager die de respons op de aanslagen coördineerde. Intrigerend detail: al na enkele uren wist de FBI dat al-Qaeda erachter zat. FBI-agenten herkenden de namen van al-Qaeda-leden op de passagierslijsten van de gekaapte vliegtuigen. «Ik was verbluft», schrijft Clarke, «niet omdat het al-Qaeda was, maar omdat ze aan boord konden terwijl ze namen gebruikten waarvan de FBI wist dat het al-Qaeda-leden betrof.» Ondanks de schok en verwarring hoopte Clarke dat zijn waarschuwingen over al-Qaeda nu eindelijk ernstig zouden worden genomen. Maar toen hij de volgende dag in het Witte Huis kwam, gingen de discussies al over Irak. Defensie minister Donald Rumsfeld wilde Irak bombarderen omdat er in Afghanistan geen goede doelwitten waren; minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell toomde hem in. Diezelfde avond nam de president Clarke apart. «Onderzoek of Saddam dit heeft gedaan», zei Bush, «of hij er op een of andere manier mee te maken heeft.» Clarke wees hem erop dat er geen banden waren tussen Irak en al-Qaeda, maar Bush vroeg hem, volgens Clarke op een intimiderende manier, om dat opnieuw te onderzoeken. Dat gebeurde. Het rapport dat concludeerde dat er inderdaad geen banden waren, werd echter geretourneerd met de melding: «Verkeerd antwoord, doe het opnieuw.»

Clarke werkte ook voor president Reagan en de eerste president Bush. In enkele hoofdstukken beschrijft hij hoe het islamistisch terrorisme tijdens hun regeerperiodes opkwam en groeide en geeft net als Bush II ook Reagan en Bush I een veeg uit de pan. Het was onder president Clinton dat Clarke antiterrorismecoördinator werd. Al-Qaeda werd zijn obsessie. Clinton begreep volgens Clarke het gevaar, maar ging naar zijn smaak niet ver genoeg om de dreiging te elimineren. Bovendien werd Clinton gehinderd door het Lewinsky-schandaal en het daarop volgende impeachment. Die leidden zijn aandacht af en maakten elke militaire actie verdacht. Toen Clinton op de al-Qaeda-aanslagen op Amerikaanse ambassades in Afrika reageerde met kruisraketten tegen Afghanistan en Soedan — waar de VS een onschuldige farmaceutische fabriek vernietigden, maar dat vertelt Clarke er niet bij — werd hij beschuldigd van Wag the Dog-praktijken. In die film lanceert een president een oorlog om de aandacht af te leiden van een binnenlands schandaal. Maar volgens Clarke is Bush de ware Wag the Dog-president die oorlog voert onder valse voorwendsels en zo de verkiezingen hoopt te winnen.

Hoewel Clinton volgens Clarke soms te aarzelend was, boekte hij wel successen. Zo verhinderde hij, door een goede samen werking te forceren tussen de inlichtingendiensten, dat al-Qaeda het nieuwe millennium kon inluiden met een aanslag op de lucht haven van Los Angeles en belette hij dat al-Qaeda zich kon inplanten in Bosnië.

De nieuwe regering-Bush begreep volgens Clarke het gevaar van al-Qaeda niet. Ze zaten met hun hoofd nog in de Koude Oorlog en konden alleen staten als een bedreiging zien. Irak was van meet af aan hun prioriteit. Clarke liep met zijn hoofd tegen de muur. Van nationale-veiligheidsadviseur Condoleezza Rice had Clarke de indruk dat zij niet wist wie of wat al-Qaeda was. Adjunct-defensieminister Paul Wolfowitz verweet Clarke dat hij zich blindstaarde op Bin Laden, die volgens hem slechts een stroman van Irak was. Clarke kon het kabinet zelfs niet bijeen krijgen om over het terrorisme te vergaderen. Ook in de zomer van 2001, toen de waarschuwingen over een nakende catastrofale al-Qaeda-aanval een piek bereikten, bleef de Bush-regering volgens Clarke op haar handen zitten. Daarna verschoof de focus heel snel naar Irak.

Clarke vraagt zich af welk verschil het gemaakt zou hebben als niet Bush maar Clinton of Gore president geweest zou zijn: «Elke leider die men zich kan inbeelden als president op 11 september zou het terrorisme de oorlog hebben verklaard en zou Afghanistan zijn binnengevallen. Elke president zou de binnenlandse beveiliging en paraatheid hebben opgevoerd. Wat deed George Bush dat niet elke andere president ook zou hebben gedaan? Wat uniek was in Bush’ reactie op het terrorisme is dat hij, om staten die terrorisme sponsoren een les te leren, geen land koos dat anti-Amerikaans terrorisme had bedreven, maar een land dat dit niet had gedaan, Irak. Het is moeilijk zich een andere president in te beelden die die keuze zou maken.»

Volgens Clarke ondermijnde de oorlog in Irak de strijd tegen het terrorisme op drie manieren. Een gevolg van die oorlog was dat er te weinig Amerikaanse militairen werden ingezet in Afghanistan, minder dan het aantal politieagenten in Manhattan, zodat veel al-Qaeda-leden het net ontglipten. Een ander gevolg was dat door de dure oorlog te weinig middelen konden worden ingezet om Amerika te beveiligen. De treinen en container schepen zijn nog steeds erg kwetsbaar. Verder gaf Bush «de vijand precies wat hij wilde, een bewijs dat Amerika oorlog voert tegen de islam, dat we de nieuwe kruisvaarders zijn die het moslimland komen bezetten». Al-Qaeda is volgens Clarke niet «op de vlucht», zoals Bush beweert, maar wordt integendeel gevoed door vele nieuwe rekruten.

Clarke wijst erop dat al-Qaeda veel meer aanslagen heeft gepleegd in de dertig maanden na 11 september 2001 dan in de dertig maanden ervoor. Bush is niet dom, schrijft Clarke, maar hij wil simpele oplossingen en wordt omringd door een kleine kring adviseurs die hem slechts een klok laten horen.

Het vooruitzicht van Bush’ herverkiezing stemt hem somber. «Ik ril als ik denk welke nieuwe vergissingen hij zal begaan die al-Qaeda zullen versterken: Syrië of Iran aanvallen, of het Saoedi-regime ondermijnen zonder plan voor wat er daarna komt?»