Naomi Klein

Hoe Canada kan helpen Bush uit Irak te krijgen

Jeremy Hinzman zegt dat hij overweegt naar Ottawa te gaan om mee te doen aan de protesten tegen George W. Bush. Maar als hij dat doet, zal hij geen vurige toespraken houden. «Daar is het geen goede tijd voor», vindt hij.

Verstandig. Volgende week zal de 25-jaar oude Hinzman verschijnen voor de Canadese Immigratie en Vluchtelingen Commissie. Hij zal stellen dat hij als soldaat bij de 82ste Airborne Division die weigerde in Irak te vechten, de vluchtelingenstatus in Canada zou moeten krijgen. Hinzmans advocaat, Jeffry House, was van plan de zaak te baseren op het argument dat de oorlog zelf onwettig was omdat er geen goedkeuring voor was van de VN. Ze hadden een hele rij deskundigen klaarstaan, maar vorige week kwam het slechte nieuws: de Canadese regering had ingegrepen en de commissie besliste dat de wettigheid van de oorlog «irrelevant» is voor de zaak.

Nu zal House aanvoeren dat Hinzman een politiek vluchteling is omdat hij weigert te vechten in een oorlog waarin het internationaal recht systematisch wordt geschonden, van martelingen in Abu Ghraib tot aanslagen op burgergebieden. Voor Hinzman zal getuigen voormalig sergeant van de mariniers Jimmy Massey, die in Irak diende tijdens de oorspronkelijke invasie. Massey zal tijdens de hoorzitting vertellen dat toen zijn bataljon naar Bagdad optrok elk burgervoertuig werd beschouwd als vijandelijk doelwit. Als auto’s niet stopten bij Amerikaanse checkpoints «namen wij ze te grazen (…) schoten onze wapens, 50 cals en M-16’s leeg op de burgervoertuigen». In mei zei Massey tegen het Amerikaanse radio- en tv-programma Democracy Now! dat de mariniers altijd de auto’s doorzochten die ze hadden aangevallen, maar: «We vonden nooit wapens (…) Ik denk dat alleen mijn peloton al meer dan dertig onschuldige burgers heeft vermoord.» Massey herinnerde zich ook hoe ze schoten op een demonstratie bij het Internationale Vliegveld van Bagdad en dat hij zich toen realiseerde: «Oh my God — we hebben net het vuur geopend op een groep vreedzame demonstranten.» Hij benadrukt dat dit geen geïsoleerde ongelukken waren, maar dat de oorlog «iedere regel van de Geneefse Conventie schond die ik heb geleerd».

Elke week duiken er meer feiten op die Hinzmans zaak ondersteunen. Op 13 november, tijdens de belegering van Fallujah, berichtte The New York Times dat Amerikaanse troepen alle mannen «in gevechtsleeftijd» terugstuurden de belegerde stad in, zelfs als ze ongewapend waren en een test op kruitresten negatief uitviel. James Ross, senior juridisch adviseur van Human Rights Watch, zei tegen The Times: «Als dat werkelijk is gebeurd, dan zou dat een oorlogsmisdaad zijn.» De dag daarop citeerde The Washington Post sergeant van de mariniers Aristotel Barbosa, die zei dat «basically, in ieder huis [in Fallujah] een gat zit». Iedere man is de vijand en ieder huis is een doelwit — dat is de betekenis van collectieve straf en het is verboden onder de Conventies van Genève.

Maar aangezien de Amerikaanse regering zichzelf heeft uitgesloten van het Internationaal Gerechtshof komen deze misdaden misschien nooit voor de rechter. En daarom is de zaak van Jeremy Hinzman zo belangrijk: hij gaat de regering-Bush voor de rechter dagen voor oorlogsmisdaden. Als hij wint, dan gaat er niemand naar de gevangenis, maar er zullen consequenties zijn. En dat is waar de Canadese regering zo zenuwachtig van wordt. Ons standpunt over de oorlog in Irak is nauwelijks evangelisch geweest. We «hebben het uitgezeten» alsof de onwettigheid van de oorlog hem willekeurig maakte — maar niet hatenswaardig. En we probeerden te helpen waar we konden: door troepen te sturen naar Afghanistan en Haïti, bedrijven naar Irak, en politie-trainers naar Jordanië. En nu proberen veel mensen weer zowel het een als het ander te doen: het is prima om Bush te bekritiseren, zeggen ze — net nadat hij is vertrokken, als er niemand luistert.

Omdat we moe zijn van dit soort morele dubbelheid trekken velen van ons naar de straten van Ottawa: niet alleen om tegen Bush te protesteren, maar om te eisen dat Canada zijn retorische beloften nakomt als een werkelijk alternatief, in plaats van een tweederangs burger in Fort Noord-Amerika. Tot nu toe hebben we onze zwakke standpunten gerechtvaardigd door tegen onszelf te zeggen dat niemand kracht van ons verwacht. Terwijl landen als Frankrijk en Duitsland over het wereldtoneel schrijden als de imperiums die ze ooit waren, heeft Canada de neiging zijn eigen belang te bagatelliseren, en de zeer reële macht die we hebben te ont kennen.

Jeremy Hinzmans hoorzitting is heel toepasselijk. Nu al zijn Amerikaanse en Britse troepen zo dun gespreid dat een infanterie bataljon onlangs moest worden omgeleid van Mosul naar Fallujah en toen weer terug naar Mosul. Senator John McCain heeft geroepen om veertig- tot vijftigduizend extra troepen en de coalitie is aan het leegbloeden, nu leden als Hongarije, Polen en Nederland recentelijk het plan hebben aangekondigd zich terug te trekken.

En als Hinzman de vluchtelingenstatus krijgt toegekend, zou dat heel goed de laatste strohalm kunnen zijn en de sluizen openzetten voor andere Amerikaanse soldaten die niet willen vechten.

Tijdens de Vietnamoorlog kwamen vijftigduizend Amerikanen in de dienstplichtige leeftijd naar Canada; een fractie daarvan zou de rug van de oorlog kunnen breken. Als Canada weer een toevluchtshaven voor dienstweigeraars zou worden, zou dat betekenen dat we niet alleen maar stilletjes ons terugtrekken uit de onwettige en immorele oorlog in Irak. We zouden daadwerkelijk helpen er een einde aan te maken.