Hoe dan ook bouwen

De Any-conferentie is een jaarlijkse bijeenkomst van architecten, critici en filosofen over de toekomst van de architectuur. Omdat volgens de organiserende Newyorkse Any Corporation de architectuur verkeert in een tijdperk van onbeslisbaarheid en onbepaaldheid, vormt het voorvoegsel any het leidende principe. De afgelopen jaren kwamen achtereenvolgens anyplace (Montreal), anywise (Seoul) en anybody (Buenos Aires) aan de orde, waarbij het suffix de invalshoek bepaalde: plaatsbepaling, wijsheid, het lichaam. Afgelopen week vond het evenement in het Nederlands Architectuur instituut in Rotterdam plaats. En het onderwerp betrof anyhow.

De vraag naar het hoe in de architectuur lijkt wellicht een open vraag maar is in werkelijkheid nauwelijks interessant. Het hoe suggereert een mogelijke keuze uit verschillende opties, een vrije wil, een traject van idee via plan naar uitvoering. Het hoe is de vraag die uiteindelijk leidt tot praktisch resultaat. Toch is deze vraag naar de methode voor architectuur steeds minder relevant. Ten eerste omdat voor een immer groeiend gedeelte van de bouwopgave het antwoord nog alleen bestaat uit de combinatie van snel, goedkoop en efficiënt. In ieder geval is het een vraag die steeds minder door architecten wordt beantwoord, maar door ontwikkelaars, aannemers en bouwconsultants. Zolang architectuur vastgoed is, is de vraag naar het hoe niet architectonisch, niet creatief.
Ten tweede, en dat is veel fundamenteler, is die vrije wil een dubieuze kwestie geworden. Architectuur was altijd een toekomstgerichte, planmatige discipline en was bij uitstek een ingreep in het bestaande. Architectuur verbond daarmee verleden en toekomst. Het ontwerp als interpretatie van de tijd. Deze functie van architectuur wordt steeds meer gerelativeerd. Architectuur hoeft steeds minder te interpreteren. Moet er gewoon even zijn, en gaat dan al even gewoon weer spoedig weg. Architectuur wordt steeds meer het logische gevolg van een paar op elkaar inspelende krachten en belangen, zonder dat daarbij nog iets esthetisch, kritisch of ethisch wordt gemedieerd. Architectuur wordt steeds minder een cultuurmedium, steeds meer een effect. Zo'n effect kan een duizelingwekkende omloopsnelheid krijgen en een ultrakorte afschrijftijd, hetgeen ook al niet bijdraagt aan een kunst met het vermogen tot interventie. In zo'n situatie is de vrije wil van een individueel ontwerper nauwelijks nog aan de orde.
Natuurlijk is zo'n verhaal volstrekt onaantrekkelijk voor architecten, en zeker voor de topontwerpers van vandaag. De eersten wordt met zo'n analyse de wacht aangezegd, hun beroepsperspectief wordt uiterst somber. Het is geen wonder dat zij daar weinig van gecharmeerd zijn. Niemand wil immers in machteloosheid irrelevant worden. Voor de topontwerpers komt daar nog bij dat zij van de beschreven situatie het minste last hebben. Zo hebben Peter Eisenman, Bernard Tschumi, Ben van Berkel, Greg Lynn en Alejandro Zaera Polo, allen aanwezig, nauwelijks te maken met de anonimisering omdat zij in hun praktijk nog altijd veelgevraagd zijn. Voorlopig kunnen zij nog wel even verder op de oude voet. Zelfs Rem Koolhaas, die in zijn lezing de onweerstaanbare opmars van de ‘Aziatische’ bouwwoede voor de hele wereld voorspelde, kan in werkelijkheid nog altijd mooie gebouwen maken. En zolang er voor hen op het niveau van het kwaliteitsontwerp nog eer te behalen valt, is het onwaarschijnlijk dat deze architecten zich vrijwillig op heel andere methoden zullen werpen dan het superieure design in geïsoleerde bouwopdrachten.
Niettemin, wie over de toekomst van de architectuur nadenkt, stuit onherroepelijk op begrippen als modernisering en globalisering. De vraag is hoe deze ontwikkelingen door de grootste creatieven niet alleen worden opgemerkt maar werkelijk aanleiding kunnen geven tot een geheel ander praktijk. De Any-conferentie blijft in ieder geval doorzoeken tot het jaar 2000.