De WWR over het nieuwe werken

Hoe de postbode een robot werd

Flexibilisering, nieuwe technologie en intensivering van het werk bepalen de arbeidsmarkt van vandaag. Dat komt niet alleen door de globalisering, constateert de WRR. De ontelbare flexbanen in Nederland zijn ‘een gevolg van politieke besluiten in eigen land’.

Wat betreft flexbanen is Nederland koploper in Europa © Guus Schoonewille / HH

‘Maak omzet wanneer jij dat wilt’, staat er op de aanmeldpagina voor Uber-chauffeurs. ‘Jij bent de baas. Beslis zelf wanneer je rijdt. Werken als chauffeur is dus perfect te combineren met alle andere belangrijke dingen in het leven.’ Maar de realiteit is weerbarstiger. Je kunt aardig verdienen als chauffeur voor de app, maar dan moet je wel zestig uur per week en twaalf uur achter elkaar werken op uitgaansavonden, vertelt Jeroen van Bergeijk, schrijver van het boek Uberleven, in een interview met Het Parool. Van Bergeijk werkte een half jaar als undercover Uber-chauffeur. ‘Wie denkt dat rijden voor het bedrijf vrijheid biedt, vergist zich. Je mag niets zelf bedenken, de app kijkt voortdurend mee. Zelf klanten werven? Onmogelijk, de app bepaalt welke klant aan welke chauffeur wordt gekoppeld. Eigen beslissingen nemen wordt niet op prijs gesteld. Uber bepaalt waar je heen gaat, hoe jij je werk doet. Je levert jezelf uit aan een algoritme.’

De omgang van Uber met zijn chauffeurs kenmerkt de verandering die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden op de arbeidsmarkt. In een recent verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr), Het betere werk, schetst de raad deze ontwikkelingen: flexibilisering, nieuwe technologieën en intensivering hebben sterk hun stempel gedrukt op het werk van vandaag.

Wat betreft flexbanen is Nederland koploper in Europa: twee miljoen mensen hebben een tijdelijk contract of zijn oproepkracht en 1,1 miljoen zijn zzp’er, een verdubbeling in tien jaar. De lager opgeleiden zijn oververtegenwoordigd: maar liefst 35 procent van hen heeft een flexibel contract, ten opzichte van 15 procent van de hoger opgeleiden. Flexibel werk is niet per definitie negatief, maar voor lager opgeleiden geldt door de bank genomen dat flexibele contracten leiden tot grotere onzekerheid, minder waardering voor het werk en slechtere sociale voorzieningen, stelt de wrr.

Nieuwe technologieën worden nu te vaak ingezet ten koste van de autonomie en de sociale kant van het werk, stelt wrr-onderzoeker Robert Went tijdens de presentatie van het rapport in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Zo verwordt de postbode tot een ‘vleesrobot’ geregeerd door zijn navigatiesysteem met timer en spreekt de klassieke caissière geen enkele klant meer. Maar technologie kan juist ook worden ingezet als steuntje in de rug, om mensen te helpen met hun taken en de arbeidsmarkt inclusiever te maken: ‘We moeten een discussie voeren over hoe we technologie kunnen gebruiken om de banen aangenamer te maken’, zegt Went.

De intensivering van het werk en de daarmee gepaard gaande tempoversnelling zorgen ervoor dat mensen meer druk ervaren. 38 procent van de werkenden geeft aan vaak of altijd snel te moeten werken en een op de tien vindt het werk emotioneel zwaar. Als buffer tegen deze intensivering is voldoende autonomie in het werk belangrijk, legt de wrr uit: ‘Geringe autonomie én hoge werkeisen zijn een giftige combinatie voor hoge werkstress en uitval.’ De autonomie daalt in Nederland over de hele linie. Onder hoogopgeleiden ervaart 31,1 procent te weinig autonomie, onder lager opgeleiden is dit maar liefst 59,2 procent, bijna tien procent hoger dan in 2007. Dit is weer terug te zien in het groeiende percentage (17,5) burn-outklachten.

In 1990 presenteerde de WRR ook een rapport over werk en sprak toen zijn zorg uit over de lage arbeidsparticipatie van vrouwen en oudere mannen in Nederland en de grote werkloosheid in algemene zin. Dertig jaar later staat de kwantiteit van het werk er goed voor. De werkloosheid is laag en de arbeidsparticipatie is aanzienlijk toegenomen, en dus ademt het nieuwe rapport een totaal andere zorg: de kwaliteit van het werk laat te wensen over, waarbij opvalt dat de lager opgeleiden er het slechtst van afkomen. ‘Iedereen heeft te maken met de veranderende aard van werk’, stelt Godfried Engbersen, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit en lid van de wrr, ‘maar we zien dat de lager opgeleiden het kwetsbaarst zijn voor deze veranderingen.’

Opvallend is dat de wrr globalisering niet benoemt als een van de grote beïnvloeders van de kwaliteit van het werk. Wel wordt er gekeken hoe je in de context van een geglobaliseerde wereld beleid kunt voeren om toch de kwaliteit van werk te verbeteren, maar de niet te ontkennen invloed van de globalisering zelf is onderbelicht, stelt ook Paul de Beer, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Als je kijkt naar trends die invloed hebben gehad op ons werk, is het opmerkelijk dat globalisering niet is opgenomen als een van deze centrale thema’s.’ De aftakeling van de kwaliteit van werk in Nederland staat namelijk niet op zichzelf. In verschillende ontwikkelde landen, zoals de VS, Duitsland en Frankrijk, is de afgelopen jaren de baanonzekerheid gestegen en het bruto-inkomen niet of nauwelijks gegroeid. Lange tijd werd globalisering gezien als een onontkoombaar en positief proces, maar sinds een brede onvrede aan de oppervlakte kwam met enkele opvallende verkiezingsuitslagen als resultaat, zijn de negatieve kanten van globalisering niet langer te negeren.

'Uber bepaalt waar je heen gaat, hoe jij je werk doet. Je levert jezelf uit aan een algoritme’

‘We hebben het over banen, maar wat is de kwaliteit van die banen’, stelde Winnie Byanyima, directeur van Oxfam, in een discussie over ongelijkheid tijdens Davos 2019, nadat er was geopperd dat er toch niet zo veel aan de hand was omdat de werkloosheidscijfers laag waren. ‘In de VS moeten werknemers van pluimveebedrijven in luiers naar het werk omdat ze geen tijd hebben om naar het toilet te gaan. Dat zijn de banen die globalisering brengt’, zei ze. ‘Kom dus niet aanzetten met lage werkloosheidscijfers, want je telt de verkeerde dingen. Je telt uitgebuite mensen, niet mensen die een waardige baan hebben.’

De Servisch-Amerikaanse econoom Branko Milanovic, voormalig hoofdeconoom van de Wereldbank en gespecialiseerd in mondiale ongelijkheid, deed onderzoek naar de invloed van globalisering op samenlevingen en maakte inzichtelijk wie de ‘winnaars en verliezers’ van de globalisering zijn. De middenklassen in opkomende landen als China, India, Indonesië en Brazilië hebben geprofiteerd van de globalisering, samen met de rijkste één procent wereldwijd; de lager opgeleiden in ontwikkelde landen zoals Nederland zijn erop achteruit gegaan. Hun lonen zijn gestagneerd, veel van het werk is naar het buitenland verplaatst en om te concurreren op de wereldmarkt zijn de arbeidsvoorwaarden verslechterd. Het cbs heeft recentelijk in Nederland onderzoek gedaan naar de lusten en lasten van de globalisering en concludeert net als de wrr dat de kwaliteit van werk heeft ingeboet en dat de lasten ongelijk verdeeld zijn.

‘Je leest nu vaak dat er krapte is aan de onderkant van de arbeidsmarkt, toch leidt dit niet tot betere arbeidsomstandigheden voor lager opgeleiden’, zegt Paul de Beer. ‘Maar deze “krappe arbeidsmarkt” laat het effect van globalisering en robotisering buiten beschouwing: de arbeidsmigranten die naar Nederland komen, outsourcing van werk naar het buitenland en automatisering. Zo kan de werkgever de arbeidsomstandigheden onder druk blijven zetten.’

Wat kan Nederland doen om zijn burgers te beschermen tegen de negatieve kanten van de globalisering? Er is lang gedacht dat sleutelen aan de kwaliteit van arbeid – minder sociale voorzieningen, lagere lonen en flexibelere contracten – nodig was om wereldwijd te kunnen concurreren, stelt Godfried Engbersen, mede-opsteller van het wrr-rapport. ‘Maar als je de balans nu opmaakt, zie je dat landen met een grote mate van sociale bescherming, zoals de Scandinavische landen, economisch goed presteren. Je kunt mensen op een nette manier in dienst nemen zonder dat het per se tot een teloorgang van de economie zal leiden.’

‘Dat er in Nederland veel flexbanen en zzp’ers zijn, is een gevolg van politieke besluiten in eigen land’, stelt de wrr onomwonden. Door dat nationale beleid is ons land een Europese uitzondering met zijn hoge aantal zzp’ers. De politiek kan er dus ook voor kiezen om de flexibilisering terug te dringen, concludeert Engbersen. ‘Tijdelijke arbeid kun je duurder maken en we kunnen verplichten dat werkgevers altijd mee moeten betalen aan arbeidsongeschiktheid en pensioen.’ Om de negatieve gevolgen van flex tegen te gaan, zijn er knoppen om aan te draaien, maar wat betreft de impact van de technologisering en intensivering is het minder evident wat de overheid kan doen. ‘Deze twee ontwikkelingen zijn veel minder sterk afdwingbaar door de overheid, daarvoor ben je ook afhankelijk van sociale partners en bedrijven zelf.’

Maar in hoeverre zijn bedrijven hiertoe bereid? De befaamd Harvard-econoom Dani Rodrik heeft hier zijn twijfels over. Hij stelt dat de maatschappelijke baten van goed werk groter zijn dan de baten voor het bedrijf zelf, dat vooral zijn aandeelhouders tevreden wil stellen. Het is de vraag of bedrijven deze maatschappelijke verantwoordelijkheid voelen, zeker als het gaat om een buitenlands bedrijf dat geen diepe maatschappelijke binding met Nederland heeft. De wrr stelt dat de overheid wel kan proberen de bedrijven een duwtje in de goede richting te geven met ‘zachte regulering’ naar Fins voorbeeld – campagnes, aanbevelingen, informatievoorziening – maar de effectiviteit hiervan is ambivalent.

Rodrik is van mening dat als je binnen de eigen landsgrenzen meer macht wil om nationaal beleid te voeren dat kwetsbare inwoners beschermt, je de internationale economische samenwerking op een lager pitje moet zetten. Een stapje terug hoeft niet direct tot protectionistische schrikbeelden te leiden. Tijdens de naoorlogse jaren die nu bekend staan als ‘de gouden jaren van het kapitalisme’ werd internationale handel gestimuleerd, maar het vrije verkeer van kapitaal was aan banden gelegd.

‘Nederlandse bedrijven hebben hun concurrentiepositie de laatste jaren vooral verbeterd door te snijden in de kosten en dus de kwaliteit van werk’, zegt Paul de Beer. ‘Dit is een strijd die je gaat verliezen van landen als China. Nederland moet juist inzetten op kwaliteit. Op de lange termijn is het voor bedrijven beter om zich te richten op de kwaliteit van werk, maar vaak gebeurt dit niet vanwege de kortetermijnbelangen van de aandeelhouders. Dit vergt een cultuuromslag en die bereik je niet van de ene op de andere dag, dat is een traject van jaren. Als bedrijven geen langere horizon ontwikkelen, vrees ik dat maatregelen van de overheid niet afdoende zijn om de kwaliteit van werk significant te verbeteren.’

Godfried Engbersen is hoopvoller gestemd: ‘De wetenschap is het er nog niet helemaal over eens, maar er komt steeds meer bewijs dat bedrijven die aandacht besteden aan de kwaliteit van het werk ook economisch succesvol kunnen zijn. We zien dat bedrijven niet direct op de fles gaan als ze zich maatschappelijker opstellen.’ Daarnaast ziet hij een kanteling in het publieke debat. ‘Bij publicatie van het rapport ontvingen we uit allerlei hoeken positieve reacties, van de vakbonden fnv en cnv, maar ook van de werkgeversorganisatie vno-ncw. Er lijkt een gedeeld besef te zijn dat er echt wat moet veranderen.’