Bij het fiasco van de pnvd

Hoe Den Haag de pedo’s vertroetelde

Consensus anno 2006: de gemankeerde ‘pedopartij’ is afschuwelijk. Maar dat zijn krokodillentranen. Pedoseks werd lange tijd wettelijk gedoogd. Het speelkwartier voor pedofielen is pas in 2002 wettelijk afgeblazen.

Het was in de zomer van 1975 toen fractievoorzitter Bram van der Lek van de Pacifistisch Socialistische Partij (psp) zijn opwachting maakte bij de ncrv-actualiteitenrubriek Hier en Nu. In Arnhem speelde een rechtszaak rond kinderporno. De programmamakers waren benieuwd naar de opinie van de parlementariër. ‘Kinderporno is niet het probleem, maar de zedelijkheidswetgeving’, sprak Van der Lek. ‘Seksuele handelingen zijn normaal, dus als kinderen die een beetje imiteren, ach. (…) Zolang volwassenen en kinderen vrijwillig seks hebben met elkaar, lijkt het me geen probleem.’ Hoe anders lijken de kaarten te liggen bij GroenLinks, de rechtsopvolger van onder meer de psp. De Partij voor Naastenliefde, Vrijheid & Diversiteit (pnvd), die kinderporno wil legaliseren en zich tevergeefs heeft aangemeld voor de verkiezingen van 22 november, is ‘ronduit walgelijk’, vindt GroenLinks nu. ‘Wij begrijpen uw onbegrip en woede over de pnvd heel erg goed. De programmapunten van deze partij zijn onbespreekbaar’, was het antwoord aan ongeveer honderd verontruste briefschrijvers. GroenLinks ziet evenwel geen noodzaak de pnvd te verbieden. ‘Een sterke democratie kan ook walgelijke partijen hebben.’

De pvda, die in 1995 een rapport publiceerde dat in sommige opzichten verderging dan wat de ‘pedopartij’ nu wil, twijfelt wél aan het bestaansrecht van de pnvd. In vragen aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken suggereren de sociaal-democratische kamerleden Arib en Dubbelboer dat er wellicht nieuwe juridische instrumenten nodig zijn om partijen te ‘corrigeren’ wier doelstellingen ‘indruisen tegen de openbare orde en goede zeden’. Bij de VVD al even grote weerzin. ‘De ideeën van de pnvd zijn absoluut verwerpelijk’, kregen briefschrijvers en e-mailers te horen. ‘Seks tussen volwassenen en minderjarigen is strafbaar en zal dat, als het aan de VVD ligt, ook blijven.’

Toch was het VVD-minister Frits Korthals Altes die al in 1985, net als de pnvd nu, voorstelde seks met jongeren vanaf twaalf jaar te legaliseren. Alleen als er sprake was van omkoping met geld of goederen, machtsmisbruik of misleiding zou er straf moeten volgen. Nederland zat midden in de discussie over kruisraketten en de liberale bewindsman had, zo vertelde hij triomfantelijk, zijn voorstel zonder enige discussie ‘tussen de 47ste en 48ste kruisraket’ door de ministerraad gekregen. In het land sloeg het wetsvoorstel in als een bom en Korthals Altes besloot het niet in te dienen bij het parlement.

Dit tot groot verdriet van Herman Meijer, toen actief in de cpn en later voorzitter van GroenLinks. In het communistische dagblad De Waarheid reageerde hij in september 1985 op een commentaar in Trouw dat als strekking had dat er uit de samenleving geen signalen waren gekomen om de leeftijdsgrens te verlagen van zestien naar twaalf. ‘Oehoe, Trouw, ziet u mij? Ik sta hier te zwaaien met een roze vlaggetje. Ik geef een signaal af, ik ben ervoor.’ Acht jaar later betoonde hij zich in een interview in de Gay Krant voorstander van het schrappen van ‘álle leeftijdsgrenzen uit de zedelijkheidswet’. De homo-emancipatie was volgens hem ten koste gegaan van de acceptatie van pedofilie. In Meijers ogen een treurige ontwikkeling. ‘Ik kan ook wel op een knaapje vallen. Men gaat ervan uit dat je met een kind geen erotische verhouding kunt hebben zonder het te benadelen. Onzin. Alleen misbruik en geweld moeten worden bestraft.’ Hetzelfde wil nu de ‘pedopartij’.

In 1991 kregen Meijer c.s. (gedeeltelijk) hun zin. De Tweede Kamer aanvaardde een voorstel om een klachtvereiste in te voeren voor jongeren tussen twaalf en zestien jaar. Seks met jongens en meisjes in die leeftijd zou alleen nog strafrechtelijk worden vervolgd als de betrokkene, diens wettelijke vertegenwoordiger of de Raad voor de Kinderbescherming een klacht zou indienen bij justitie. Het voorstel werd met een overweldigende meerderheid aangenomen. Alleen SGP, RPF en CD stemden tegen.

De rechten van het kind stonden weliswaar voorop, maar voor de pedo’s begon het speelkwartier. ‘Nederland werd het liberaalste land van de wereld. In de praktijk werden pedoseksuele contacten vanaf 1991 gedoogd’, aldus pnvd -voorzitter Marthijn Uittenbogaard.

De gevolgen waren desastreus. Het vermaarde Verwey-Jonker Instituut noemde het klachtvereiste ‘een barrière voor aangifte, vervolging en berechting’. Onderzoekster prof. dr. Jacqueline de Savornin Lohman sprak in EO’s Tijdsein van een ‘balans die was doorgeslagen richting vrijheid en behoeften van volwassenen’. ‘Dit gaat ten koste van de bescherming van kinderen. Het is voor een kind van twaalf niet gemakkelijk om naar de politie te gaan, zeker niet als het zijn eigen lijf betreft. Ouders zullen het kind daarbij niet helpen, want die hebben meestal zelf boter op hun hoofd.’ Enkele rechercheurs en een officier van justitie die de gevaren van de wet in het tv-programma wilden toelichten, kregen van hogerhand echter een cameraverbod. Tweede-Kamerlid Marian Soutendijk van het CDA vroeg zich af of de wet wellicht niet alleen de seksuele vrijheid van minderjarigen onderling, maar ook die van pedofielen had vergroot.

Een uitspraak die de naïveteit illustreert van de Nederlandse zedelijkheidswetgeving sinds de jaren zeventig. Seksuele bevrijding was het parool. De overheid moest terugtreden als zedenmeester en zich toeleggen op de bescherming van het seksuele zelfbeschikkingsrecht. Ook van de zeer jonge burger. Zoals pvda-kamerlid Hein Roethof het in 1988 op de lustrumbijeenkomst van pedofielenvereniging Martijn verwoordde: ‘De opvatting dat een kind überhaupt geen erotische gevoelens heeft of daarover mag beschikken, leidt tot een moralisering van de ergste soort.’ Geen woord over scheve machtsverhoudingen in een pedoseksuele relatie. Predikanten als de Rotterdamse ds. Hans Visser gingen ineens onderscheid maken tussen lieve pedofielen die te vertrouwen waren (‘een beetje wederzijds masturberen moet toch kunnen’) en de gewelddadige, gestoorde variant. Waar is de tijd gebleven dat je van de kerk níet eens aan je eigen orgaan mocht zitten? Dat het afschaffen van de publieke moraal op seksueel terrein risico’s in zich droeg, werd weggewuifd.

Die luchthartigheid trad pijnlijk aan het licht toen minister Korthals Altes in 1984 was ‘vergeten’ een verbod op de verspreiding en openbare tentoonstelling van kinderporno in de wet op te nemen. Dat verbod werd pas op het allerlaatste moment ingelast. Handel in kinderporno was tot halverwege de jaren tachtig feitelijk vrij, als onbedoeld gevolg van de liberalisering van volwassenenpornografie in de decennia ervoor. Kinderpornobaas Joop Wilhelmus spon er goed garen bij.

Pedofielen vinden het misschien onjuist dat er een verband wordt gelegd tussen pedoseksuele geaardheid en kinderpornografie, maar dat verband brengt de ‘sector’ zelf voortdurend aan. Niet alleen de nvsh (die in de jaren zeventig voorlichtingsfilmpjes vertoonde van masturberende kinderen), maar nu ook de pnvd. Vanaf zestien jaar moeten kinderen kunnen meedoen aan pornoproducties en het privé-bezit van kinderporno dient, net als voor 1998, te worden toegestaan, schrijft die partij in haar programma.

Een werkgroep van de PVDA wilde in 1995 nog een stapje verder gaan. De door het partijbestuur ingestelde commissie ‘Overheid en seksuele integriteit’ stelde voor kinderen vanaf twaalf jaar zelf te laten uitmaken of van hen gemaakte pornografische afbeeldingen strafwaardig waren. Ondanks de forse kritiek van het Verwey-Jonker Instituut wilde de commissie, met daarin prominenten als Aad Kosto en Eric Jurgens, ook van kinderpornografie een klachtdelict maken. Voor jeugdige slachtoffers van seksueel gezagsmisbruik zou hetzelfde moeten gelden: pas justitieel ingrijpen na een klacht. De rol van de Raad voor de Kinderbescherming zou hierbij moeten worden verkleind. Op de vraag of dit voorstel betekende dat een leraar vrijelijk seksuele contacten zou kunnen onderhouden met zijn twaalfjarige leerling, antwoordde rapportschrijver Cees Straver in 1996 voor de EO-microfoon: ‘Jazeker. Zolang het gebeurt op vrijwillige basis en in de vrije tijd.’ Saillant detail: de ‘pedopartij’ pleit in afhankelijkheidsrelaties voor een leeftijdsgrens van zestien jaar.

In het 260 pagina’s tellende rapport komt het woord pedoseksualiteit niet voor, maar de gretigheid om de speelruimte te vergroten druipt ervan af. Geen wonder. De pedo-wetenschappelijke lobby was met Cees Straver (huidig bestuurslid van de naar de pedofiele pvda-senator vernoemde Dr. Edward Brongersma Stichting), Jan Schuijer en Theo Sandfort (beiden destijds medewerkers van het Engelse pedofielenblad Paidika) goed vertegenwoordigd. Ofschoon we in het geval van Santfort beter kunnen spreken van een pseudo-wetenschappelijke lobby, gezien zijn uitlatingen in 1996 voor de vpro-radio: incestueuze relaties zouden vrijwillig door het kind worden aangegaan en baby’s zouden het prettig vinden als met hen werd gevreeën.

De politieke voorhoede mocht dan libertijnse opvattingen huldigen over pedoseksualiteit en kinderporno, het ‘volk’ dacht er anders over. Dat bleek niet alleen uit het verzet tegen het wetsvoorstel van Korthals Altes in 1985, maar ook uit de vorming van uit burgers bestaande actiegroepen, zoals de groep Morkhoven, die een rol speelde bij het Zandvoortse kinderporno-schandaal in 1998. De affaire-Dutroux (1996) en grootscheeps kindermisbruik door katholieke priesters openden in de loop van het nieuwe millennium ook de ogen van de politiek voor de schaduwzijden van de seksuele revolutie.

Het rapport van de pvda-commissie ‘Overheid en seksuele integriteit’ verdween in een diepe la. Zo diep dat Eric Jurgens niet eens meer weet dat hij deel uitmaakte van de werkgroep. ‘Ben ik daar lid van geweest? Ik weet van niets. Maar goed, ik heb in zoveel commissies gezeten, en ik word een dagje ouder.’

Na een decennium lang te hebben geëxperimenteerd met de seksuele beschermwaardigheid van twaalf- tot zestienjarigen, schafte Den Haag in 2002 het klachtvereiste af. Het OM zou voortaan weer de doorslaggevende stem hebben bij de vervolging van pedoseksuelen, ook als zo’n berechting tegen de wens van de betrokken jongere inging. Ook werd de kinderpornowet aangescherpt. Senator Jurgens deed met een verwijzing naar de wereldliteratuur – de liefde van de vijftienjarige Romeo voor de dertienjarige Julia – nog een vergeefse poging om minister Benk Korthals (VVD) van Justitie op andere gedachten te brengen. Slechts een kleine minderheid in de Eerste Kamer stemde tegen het wetsvoorstel.

Boris Dittrich (D66) voelde in de zomer van dat jaar de tijdgeest haarfijn aan. Waar zijn partijgenote Louise Groenman in 1986 in het huisorgaan van Martijn had geroepen dat er te weinig aandacht was voor de ‘positieve, emotionele kanten’ van pedoseks, erkende Dittrich zestien jaar later dat het ‘politieke zelfmoord’ zou zijn om te morrelen aan leeftijdsgrenzen. ‘Dit is wat het Nederlandse volk in alle geledingen wil’, sprak hij in De Nieuwe Sekstant. Waarmee meteen de enige reden tot oprichting van de pnvd is gegeven: voortschrijdend inzicht van de gevestigde politiek. Lousewies van der Laan (D66) vatte afgelopen juni in The Independent de omslag in het politieke denken over pedo’s in een knallende oneliner samen: ‘These people need a psychiatrist, not a political party.’