Van Jeruzalem naar Bouillon #29: Ik had het oudje met mijn lichaam moeten verwarmen

Hoe dóe je dat nu, dat wandelen?

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel 29: nog even over die ‘omgekeerde kruistocht’.

In de vroege ochtend van 3 januari 2020 vloog een Boeing 737 me naar Israël. Op Ben-Gurion bracht bus 458 me naar Jeruzalem. Nog diezelfde vrijdagavond stond ik aan de Westmuur tussen honderden ultraorthodoxe joden. Zij vierden het begin van de sabbat. Ik startte een lange sabbatical, voor zover freelancers al sabbaticals kunnen nemen. Ik had er zin in, verschrikkelijk veel zin in.

In Jeruzalem begon mijn ‘omgekeerde kruistocht’, een wandeling van duizenden kilometers in het voetspoor van Godfried van Bouillon. Van de legendarische kruisvaarder die in 1099 Jeruzalem veroverde en de hele stad vervolgens liet uitmoorden. Een vol jaar zou mijn voettocht duren met als eindpunt het Belgische Bouillon op oudejaarsavond. Het liep anders. Afgelopen donderdag lagen nog 1200 kilometer op me te wachten.

Van corona of Covid-19 had op die derde januari 2020 nog niemand gehoord. Er waren nog geen negatieve reisadviezen, lockdowns of gele, oranje en rode landen. Dat veranderde half maart. Ik had Israël, Cyprus en Libanon nog maar net achter de rug, of de landen gingen op slot. Vanuit Turkije vloog ik noodgedwongen terug naar Nederland. Drie maanden later ging Turkije weer open en begon ik weer te lopen. In Bulgarije velde het virus ook mij. Na een maand kon ik, hersteld en wel, weer op pad. Ik rechtvaardigde het met de gedachte dat je post-corona toch niemand kunt besmetten. En nu, op 3 januari 2021, ligt de Balkan achter me. En voor me ligt een muur: zowel Slovenië als Oostenrijk en Duitsland zijn op slot. Voor de derde keer onderbreek ik zowel mijn wandeling als deze blog.

‘Hoe gáát dat nu, dat wandelen?’ vragen vrienden. ‘Heb je er nog steeds verschrikkelijk veel zin in?’ ‘Hoe zit het met blaren en spierpijn?’ ‘Waar slaap je?’ ‘Voel je je wel eens eenzaam?’ ‘Waarvan geniet je het meest?’ ‘Wat zal je bijblijven?’ Doorgaans antwoord ik het volgende.

Ja, met zo’n 2000 kilometer in de benen heb ik er nog steeds verschrikkelijk veel zin in. Ik zie uit naar de sneeuw, het ontluikende groen en de lenteregens. Ik wil stil blijven staan bij het geboortehuis van Stefan Zweig in Wenen, de auteur van Die Welt von Gestern die zoveel te vertellen had over de wereld van vandaag. Ik verlang weer terug naar de Donau en ben benieuwd naar Linz, de stad van Hitler, Eichmann én Ludwig Wittgenstein. Bij Passau steek ik dan de grens over en loop naar Regensburg, de eerste grote verzamelplaats van Godfried van Bouillons kruisvaarders.

Feitelijk is wandelen niet meer dan het verplaatsen van je voeten, minuut na minuut, uur na uur, dag na dag. Blaren en spierpijn horen bij de eerste week. Daarna zijn het geen thema’s meer. Zodra je ’s ochtends je rugzak omhangt, voelt hij zwaar maar ook vertrouwd. Wanneer je ’s avonds en zonder die zak nog een blokje om gaat, ervaar je jezelf als licht en onbeschermd. En wandel je enkele dagen niet, dan groeit de behoeft om weer op de straat te zijn, om uren door de frisse lucht te lopen, onder de zon, in de mist of tegen de wind in.

Je lichaam past zich aan. Na enkele dagen wandelen zie ik spieren waarvan ik niet wist dat ik ze had. Spieren die na twee dagen uitrusten ook weer verdwenen zijn. Mijn kuiten zijn hard, er is kleur op mijn wangen en eelt op de binnenkant van mijn duimen, het resultaat van doorlopend inhaken op de draagbanden van mijn rugzak. Zijn in de eerste weken etappes van twintig kilometer nog een behoorlijke afstand, nu loop ik zonder problemen dertig kilometer.

Wat ik niet voorzag, was de feitelijke onmogelijkheid om ononderbroken van Jeruzalem naar Bouillon te wandelen. Als vanzelfsprekend veronderstelde ik dat mijn route bezaaid zou liggen met hotels, pensions, Airbnb’s, kloosters en adressen voor couchsurfing. Rondtrekken, zoals ik dat veertig jaar geleden deed, met een slaapzak in half afgebouwde huizen, boerenschuren en fietsenstallingen, was geen optie meer. Op je zestigste wil je ’s nachts in een bed en ’s ochtends onder de douche.

In Israël en Libanon klopte mijn veronderstelling nog. Elke avond was er wel een kamer, doorgaans met een hartelijke ontvangst, thee, een bord soep en een verhaal. Op Cyprus en de Westbank werd het al lastiger. Louter wandelend Anatolië oversteken, bleek simpelweg onmogelijk. De afstanden tussen de Turkse steden en dorpen zijn veel te lang, de accommodaties te dun gezaaid en de zomerse hitte is ondraaglijk. Noodgedwongen pakte ik meer dan eens twintig, dertig kilometer de bus, om 25 kilometer vóór mijn overnachtingsadres weer uit te stappen. En telkens wanneer ik in zo’n bus klom, voelde het als een nederlaag. Ik wilde niet rijden maar lópen van Jeruzalem naar Bouillon. Godfried stapte ook niet op de bus als hij geen Airbnb kon vinden.

Wandelen van Jeruzalem naar Bouillon is puzzelen. Er is geen uitgestippelde camino met refugio’s zoals op de route naar Santiago de Compostela. Überhaupt vind je buiten Europa maar amper wandelpaden. Urenlang loop ik op vluchtstroken van autobanen of half in de berm van doorgaande wegen. En als je je route niet goed uitpuzzelt, ligt na enkele dagen wandelen plots honderd kilometer autoweg voor je zonder enige mogelijkheid om te overnachten. De oplossing is dan om terug te keren naar waar je twee dagen eerder was. Om van daaruit een nieuwe route te zoeken.

Bevolkingsdichtheid was ooit een begrip waar ik me weinig bij voorstelde. Inmiddels besef ik wat het betekent dat, bijvoorbeeld, Libanon een bevolkingsdichtheid heeft van 677 mensen per vierkante kilometer en Bulgarije maar 64. Het betekent dat een wandelaar in Libanon tien keer meer kans maakt op beschikbare én betaalbare accommodatie dan in Bulgarije. Het betekent ook dat er in Libanon heel wat meer cafés zijn om uit te rusten, meer restaurants om te eten en véél meer mensen om mee te praten, te lachen en koffie te drinken.

Keek ik in Israël amper twee dagen vooruit; door schade en schande wijs geworden, plande ik op de Balkan al snel vijf, zes of zeven dagen vooruit. De harde lockdown in Kroatië maakte het er in december niet lichter op. Behalve voldoende plaatsen voor de nacht, regelde ik nu ook voldoende foerage voor overdag. Omdat een glaasje thee in een çay bahceşi of een bord vissoep in een čarda er niet meer in zat, smeerde ik ’s ochtend boterhammen, die ik opat in bushokjes of kerkportalen, beschermd tegen de motregen en de koude wind.

En toch. Maanden achter elkaar wandelen is een overweldigende ervaring van luxe en vrijheid. Het is de luxe om je in alle legitimiteit te onttrekken aan verplichte borrels, vergaderingen en dringend te poetsen wc’s. Het is de vrijheid om alleen bezig te zijn met wat je interesseert. Hoe vrijwillig is het martelaarschap van Palestijnse kinderen? Kan een homocafé overleven in het orthodoxe Tripoli? Moet de muur door Nicosia wel verdwijnen? Wie was Rumi? Wie spreekt plots Nederlands in het Turkse Karaman en Duits in Kroatische Osijek? Waarom in godsnaam hangen in Servië foto’s van oorlogsmisdadigers als Mladić en Karadžić? Hoe herstelde het Kroatische Vukovar van zijn verwoesting? Wat waren de Donauschwaben en waar zijn ze heen?

Meest indrukwekkend, tot nu toe, is de eindeloze aftakeling van het platteland op de Balkan. Over die verlatenheid in de dorpen schreef ik op 22 november jl. en de beelden laten me nog niet los. Al die overwoekerde boerderijen, instortende kerkjes, fabrieken en scholen. Zwerfhonden en boomgaarden vol verschrompeld fruit. Verlopen bejaarden die ’s ochtends, bij de laatste winkel, aan flessen Kamenitza lurken. Vooral Bulgarije is een land in verwording. Sinds 1989 verloor het twee van zijn negen miljoen inwoners. En volgens prognoses zal die bevolking met nog eens twee miljoen mensen dalen. Dat is dus overal te zien. Het verval in dit land is verschrikkelijk.

Ik wandel zes, zeven uur. Ik kijk rond, observeer en denk na. Al lopend zoek ik van alles op en maak aantekeningen. Ik laat mijn fantasie de vrije loop want er is niemand die me tegenspreekt. Lopen, dag in, dag uit, louter met mijn rugzak en mijn eigen gedachten, obsessies en twijfels, is een onversneden luxe. Al is het ook een vrijheid die ik niet wil idealiseren, want waarheid ontspringt immers uit het botsen van meningen.

Daarom ben ik er doorlopend op uit om mensen te ontmoeten. De monnik in een klooster waar ik overnacht, een praatgrage gast in een restaurant, collega-journalisten van wie ik verhalen wil horen. Lukt het meerdere dagen niet om iemand te ontmoeten, dan kruipt eenzaamheid binnen. ‘s Avonds maak ik een ommetje door lege straten, hunkerend naar contact. Het zijn de zeldzame momenten waarop ik me afvraag waarom ik in hemelsnaam aan dit avontuur begonnen ben. Het is een vraag die ik meteen weer vergeet wanneer ik de volgende dag een glas slivovitsj drink met de student bij wie ik een kamer vind.

Duurt mijn eenzaamheid enkele dagen; het isolement van achterblijvers in de verlaten balkandorpen moet vreselijk zijn. In een van die leeggestroomde dorpen leg ik mijn rugzak op een bankje voor vijf minuten rust. Achter mij kraakt een deur. Een bejaarde vrouw schuifelt naar buiten en komt naast me zitten. Doekje om het grijze hoofd, wollen sokken in sandalen en een mond zonder tanden.

Het oudje schuift tegen me aan en begint te vertellen, in het Bulgaars. Ik identificeer enkel een aantal namen. Ivan, Pavel, Kyrill, Tatjana en Julie. En ik hoor ‘Germanija’, ‘Anglija’ en ‘Ispanija’. Terwijl het oudje met een hand naar het Westen wijst, legt ze haar andere op mijn onderarm. Haar vingers staan krom van reuma.

Wat wil ze me vertellen? Dat haar kinderen allemaal weg zijn? Naar Engeland, Spanje en Duitsland? Ja, dat moet het zijn. Iedereen is vertrokken. En zij bleef achter in haar verlaten dorp. Julie was blijkbaar de laatste die ging. Ze wijst op een poortje aan de overkant waarvoor nu het onkruid opschiet. Daar woonde Julie. Nog dichter schurkt de dame tegen me aan. Ik voel me ongemakkelijk. Ik vis naar mijn telefoon en maak een selfie van ons beiden. Het oudje pakt mijn hand met de smartphone. Ze weet dat je met het glimmende ding afstanden kunt overbruggen. ‘Julie’, roept ze tegen de telefoon. En dan harder, huilend: ‘Julie, Julie, Julie!’

Ik voel me onthand. Wat kan ik doen? Ik maak me van de dame los, sta op en hang mijn rugzak weer om. ‘Tot ziens’, wuif ik, ‘chao’. Nog geen tien meter verder valt het kwartje. Wat ik had moeten doen is dit. Ik had het oudje moeten omhelzen en knuffelen. Haar met mijn lichaam moeten verwarmen, haar troosten en haar knokige handen moeten strelen.

In een flits besluit ik dat alsnog te doen. Ik draai me om. Het bankje is leeg. Nog net zie ik het deurtje dichtvallen. Het moedertje is terug in haar eenzaamheid. En ik loop verder met een schuldgevoel dat me nu, twee maanden later, nog steeds beklemd.


Deze publicatie kwam tot stand met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.