De prijs van migratie  De moraal versluiert de feiten

Hoe duur is een Chinees

In het buitenland is een economische benadering van het migratie- en integratiebeleid heel normaal. Waarom gaat dat debat in Nederland altijd gepaard met morele verontwaardiging? Verder in deze minispecial: Amerika kan het zonder ‘integratiebeleid’. Importbruiden: liefde of berekening?

HET KABINET IS faliekant tegen een kosten-batenanalyse van het Nederlandse migratiebeleid. De weerstand heeft alles te maken met de troebele intenties van de PVV, die in de zomer aan enkele ministers vroeg om de kosten voor migranten te overhandigen. De Kamervragen werden weliswaar beantwoord, maar de unanieme overtuiging was dat het rendement van bepaalde groepen niet kan en mag worden becijferd.
Alle ophef hierover ontneemt nu het zicht op de noodzaak van objectieve cijfers over het migratiebeleid. Het vraagstuk hoe de naoorlogse verzorgingsstaat zich verhoudt tot het migratiebeleid is actueel: is ons sociale stelsel nog in staat om migranten te absorberen? Of hebben we méér (kennis)migranten nodig om de vergrijzing en de krimpende bevolking te kunnen opvangen? Maar een puur economische benadering van migratie lag ook ver vóór de opmars van Wilders politiek zo gevoelig dat in de afgelopen decennia politici telkens geneigd waren om de hete aardappel door te schuiven.
De allergie voor nuchtere feiten over migranten is eveneens geworteld in het wetenschappelijk onderzoek zelf. Wetenschappers die etnisch gerelateerde statistieken hanteren – bijvoorbeeld de output op de arbeidsmarkt, educatie, schooluitval, het gebruik van sociale voorzieningen of criminaliteit – zijn al snel verdacht bij zowel vakbroeders als daarbuiten. Pakt een rapport over allochtonen positief uit, dan is de onderzoeker naïef of lid van de linkse kerk. Omgekeerd wordt iemand die negatieve uitkomsten presenteert verweten rechts te rekenen of xenofoob groepen te isoleren. Soms verschenen er volstrekt onwetenschappelijke studies met een politiek correct gewenste uitslag. En ook kregen in het verleden rapporten helemaal geen aandacht of verdwenen meteen in de spreekwoordelijke bureaulade. Waarom ligt onderzoek naar het kostenplaatje van migratiebeleid zo zwaar op de Hollandse maag?
Han Entzinger, hoogleraar migratie- en integratiestudies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, spreekt uit eigen ervaring: ‘Er heerste lange tijd een taboe op dit type migratieonderzoek, uit angst dat je van alles losmaakt waarvoor niet zomaar een oplossing is gevonden. Bovendien is het overheidsbeleid zelf zwalkend geweest: eerst moesten gastarbeiders teruggaan, toen werden ze werkloos en mochten ze hun cultuur behouden, toen moesten ze allemaal weer terug naar de arbeidsmarkt en vervolgens moesten zij zich volledig aanpassen. Het debat daarover was telkens heel heftig en dat maakt het doen van onderzoek niet altijd gemakkelijk. Ik had indertijd bijvoorbeeld kritiek op al te genereuze gezinshereniging terwijl er tegelijk een herstructurering van de economie plaatsvond die de kansen op de arbeidsmarkt alleen maar verminderde. Je kon er gif op innemen dat dit veel geld ging kosten. Duitsland heeft het op dit punt beter gedaan. De Turkse populatie daar is veel beter opgeleid en aan de vaak laag opgeleide werklozen die terugkeerden hebben ze de sociale zekerheid cash meegegeven. Dat vond men hier toen onmenselijk en onbespreekbaar. Ik was met mijn kritiek begin jaren tachtig een roepende in de woestijn. Ik zei ook dat behoud van eigen identiteit niet altijd goed was. Maar gelijk hebben en gelijk krijgen is niet hetzelfde. We hebben intussen in Nederland een trauma opgelopen van de foute taxatie destijds over de gastarbeiders, zodat we ook niet zuiver naar de migratie van nu kunnen kijken. Bij onderzoek doet zich bovendien een paradox voor: je wilt wel onderzoek doen om gelijke kansen te creëren maar om dat te meten moet je groepen juist apart bekijken. Laat staan als het dan gaat over de kosten.’

TOT TIEN JAAR geleden zijn de macro-economische effecten van immigratie nooit berekend, hoewel er wel behoefte aan bleek te zijn. De Wetenschappelijke Commissie Minderhedenbeleid constateerde in 1995 in haar nota Migratie, minderheden en beleid in de toekomst al de kern van het probleem: ‘De stevige discussies over het vraagstuk worden vaak gekenmerkt door gebrek aan adequate informatie, een eenzijdige vraagstelling én toekomstgerichtheid. De vraag “waar moet het naartoe?” leidt daarom tot speculatieve antwoorden. Die blijken vaak te stoelen op emotionele stellingnames vooraf en niet op feiten of verdedigbare scenario’s voor de toekomst.’
Deze leemte vormde voor econometrist Pieter Lakeman de aanleiding om de immigratie ‘als belangrijk economisch verschijnsel’ te becijferen. Hij constateert in 1999 in zijn boek Binnen zonder kloppen: Nederlandse immigratiepolitiek en de economische gevolgen dat het Nederlandse migratiebeleid een economische mislukking is. Tevens laat hij zien hoe de politiek voor realisme systematisch de ogen sloot. Hij wijst onder meer op het wegglijden van de onderwijskwaliteit in de vier grote steden vanwege het in korte tijd instromen van slecht Nederlands sprekende kinderen: ‘Ook leerkrachten voelen er sinds kort meer voor om buiten de grote steden les te geven. De autochtone bevolking probeert de eigen kinderen aan de gevolgen van dit proces te onttrekken door deze op zogenaamde witte scholen te concentreren. Op lange termijn levert dit economische schade op.’
Wat Lakeman tien jaar geleden beschreef speelt nog steeds. De Sociaal Economische Raad vroeg bijvoorbeeld al in 1969 om een kosten-batenanalyse van het aantrekken van gastarbeiders. Het kabinet zegde toe, maar die nota kwam er niet, ondanks druk vanuit het parlement en de vakbeweging. Wel kreeg het Centraal Planbureau in 1971 opdracht tot het vervaardigen van zo’n analyse, het bouwde daartoe zelfs een model, maar ‘er waren helemaal geen resultaten. Het model is niet gebruikt.’
Lakemans boek werd indertijd deels positief besproken, maar ook deden sommigen het af als ‘kletskoek’ en ‘vreemdelingenhaat’. Lakeman: ‘Het boek zorgde niet voor ophef. In die periode leefde het thema helemaal niet in Den Haag. Het beleid werd bepaald door het idee dat immigratie nauwelijks te sturen is – het overkomt je als het ware – dus waarom zou je er onderzoek naar doen? Maar immigratie is natuurlijk wél te sturen. Amerika voert al heel lang een stimuleringsbeleid van kennismigratie. Wij beginnen daar nu pas mee. Ondertussen gaat de migratie van laaggeschoolden naar Nederland nog onverminderd door. Werkgevers willen graag goedkope krachten. Een politiek motief is caritas: het zichtbaar steun verlenen aan zielige, arme mensen. Dat heeft ook te maken met onze schaamte over het afvoeren van het hoogste percentage joden van heel Europa. Dat schuldgevoel willen we nog steeds inlossen.’
Piet Emmer, Leids hoogleraar Europese expansie en migratie, verklaart de Nederlandse houding eveneens vanuit christelijke naastenliefde en socialistische solidariteit: ‘We willen graag arme mensen helpen, of het nou wel of niet helpt. Het is net als het collectezakje in de kerk, waarbij iedereen ziet wat je erin stopt en het maakt niet uit wat de dominee ermee doet. Het is een soort moderne vorm van aflaten.’
Emmer haalde zich enkele jaren geleden felle kritiek op de hals toen hij stelde dat het een illusie is te denken dat ontwikkelingshulp bijdraagt aan economische groei. Als oplossing voor armoedebestrijding in de wereld kiest hij liever voor gestuurde migratie en hulp ter plekke. Daarvoor heeft hij puur economische argumenten, gestoeld op onderzoek: ‘We rekenen alles uit in Nederland en wat betreft migranten zit het tamelijk simpel in elkaar. Je trekt een rechte lijn met kosten en bijdragen. Ieder mens kost de eerste twintig jaar van zijn leven de samenleving geld. Dan is het de bedoeling dat je in een periode tussen de twintig en zestig jaar gaat bijdragen aan de samenleving. Daarna kost je weer meer geld dan het oplevert. Hoe ouder je wordt, hoe duurder je bent. Het is bekend dat een gedeelte van de migranten nooit boven deze levensloopcurve uitkomt; zij kosten meer dan ze opleveren. We weten inmiddels dat deze balans in de jaren zestig is verstoord. Vóór die tijd hebben migranten eeuwenlang juist economisch een voordeel opgeleverd. Dat waren deels hoogopgeleiden, maar ook gezonde, sterke ongeschoolde immigranten konden toen een positieve bijdrage aan onze economie leveren, omdat er toen nog veel vraag naar dat soort arbeid was en de dure sociale voorzieningen simpelweg nog niet bestonden.
Wat er is gebeurd met de gastarbeiders is niet hún fout, maar onze fout – en dat wil Wilders maar niet accepteren. Wij moeten daar nu allemaal de prijs voor betalen. Er is veel geld nodig om achterstandsgroepen er bij te houden. Dat loopt in de miljarden, waarbij onderwijs de crux is. Oneerbiedig gezegd kun je de eerste generatie afschrijven, voor de generatie daarna moet je draconische maatregelen nemen waarbij de vrijblijvendheid voorbij is. Tegelijk moet je hardop uitspreken dat we solidair zijn. Maar de ervaring met de gastarbeiders gijzelt het hele debat over allochtonen en benevelt ieder zicht op wat je dan wél voor een migratiebeleid moet voeren.’

IN 2003 PUBLICEERDE het Centraal Planbureau Immigration in the Dutch Economy, waarin de hoge maatschappelijke kosten van de niet-westerse immigranten werden berekend. Naar deze studie werd in de afgelopen weken telkens verwezen. In een vervolgonderzoek van de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam, Mind the Gap, met Emmer als een van de auteurs, komt glashelder naar voren dat immigratie de vergrijzing niet kan opvangen, maar wel noodzakelijk is om een harde landing wegens tekort aan arbeid in sommige delen van de arbeidsmarkt (zorg, bouw) te dempen. Succesvol immigratiebeleid zal altijd restrictief aan de poort moeten zijn en kijken naar economisch potentieel. Tegelijk moet de economische redzaamheid van het leeuwendeel van de immigranten die hier via gezinsvorming en asiel komen worden vergroot. Deze studie veroorzaakte toen geen enkele rimpeling in de vijver. Maar wat werd ermee gedaan?
Emmer: ‘Selectie ligt politiek extreem gevoelig. Je hebt twee typen migranten: de ene groep is arm en die laat je binnen vanuit een groot hart. De andere groep draagt bij aan onze economie. Die selecteer je via het greencard-systeem à la Canada. Aan de eerste groep ben je als overheid langdurig veel geld kwijt. Maar dat zien we nog steeds moeilijk onder ogen. In elke Nederlander schuilt iets van “wij zijn zo geweldig rijk en de arme mensen krijgen anders geen kans”. Dat is economisch ineffectief. Als iemand op Schiphol landt, dan gaat meteen de teller lopen: honderden euro’s per 24 uur. Terwijl de Verenigde Naties hebben berekend dat je op locatie één mens helpt met een dollar per dag. Je moet kennismigratie stimuleren en voor ongeschoolde arbeiders een rotatiemigratiesysteem hanteren: contracten voor een bepaalde periode zonder sociale voorzieningen en gezinshereniging. Als je niet selecteert, gaat het weer mis. De enige echte vraag is wat de politiek met onderzoek doet. Maar in Den Haag wordt er niet echt over gediscussieerd.’

VVD-KAMERLID Stef Blok weet daar alles van. Hij gaf leiding aan de tijdelijke Kamercommissie die onderzoek deed naar het integratiebeleid. Hij presenteerde in januari 2004 onder grote mediabelangstelling het eindrapport Bruggen bouwen. Een van de conclusies was dat het (peperdure) integratiebeleid van de overheid nauwelijks invloed had op de integratie van allochtonen. Maar ook dat het desondanks goed gaat met de integratie van de tweede generatie. Blok vindt het teleurstellend dat veel goed onderbouwde aanbevelingen niet zijn opgepakt: ‘Als het aankomt op keuzes maken, dan verzandt het telkens in ideologische debatten. Een relevante conclusie was dat er een koerswijziging nodig is om een ander type migrant aan te trekken. Daar vloeiden onder meer extra eisen aan huwelijksmigratie en de plicht tot inburgering uit voort. Er werd gekeken naar het Canadese model met selectie en een taalexamen. Een kopie daarvan kreeg brede steun. Maar daarna verdween het debat en veel is niet uitgevoerd. Een ander concreet moment was vorig jaar met de kwestie van het dubbele paspoort. In ons rapport stond dat een dubbel paspoort integratie tegenwerkt vanwege bemoeienis van de Turkse en Marokkaanse regeringen met migranten. Dat onderwerp is blijven liggen, totdat het onaangenaam oplaaide toen Wilders erover begon.’
Blok zegt in feite: als politici niks doen met onderzoeksresultaten, dan geef je populisten alle ruimte om ermee aan de haal te gaan. Dát pakt op den duur funest uit, vooral ook voor de migranten zelf: ‘We zeiden ook dat er niet meer aan instellingen subsidie verleend moet worden maar aan concrete projecten. Dat is heel halfslachtig overgenomen. Onderwijs is een goede investering, maar het probleem is ook dat er een te grote schooluitval is onder allochtonen. Mijn probleem is niet meneer Wilders, maar hoe we straks honderdduizend jongeren aan het werk krijgen. Onderzoek is wenselijk als je alle gegevens op tafel legt en daarmee probeert beleid te verbeteren. Dat zal bovendien aantonen dat er heel veel wél goed gaat. Dat wordt wellicht uit angst vergeten.’
Blok heeft kunnen ervaren hoe emoties de overhand krijgen over de feiten. Nog voordat zijn onderzoek werd gepresenteerd, klonk er ongezouten kritiek op de conclusie dat de integratie grotendeels geslaagd is. Blok: ‘Dat kón niet waar zijn! De ontvangst van het rapport maakte me duidelijk hoe gepolariseerd het thema is. Kritiek op de multiculturele samenleving is per definitie niet neutraal en stuit op een taboe.’
Ido de Haan, hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en medeauteur van het boek Het bange Nederland, zegt dat inderdaad ook onderzoekers worden beticht van ‘partijdigheid’. Sommige mensen die meewerkten aan het rapport van de commissie-Blok werden volgens hem afgeserveerd als links: ‘Bij alle migrantenonderzoeken wordt naar gelang de uitslag gewezen op de politieke overtuiging van de auteur. Maar het is best ingewikkeld, want neutrale wetenschap is in feite een fictie.’
Entzinger: ‘Wat je ziet, is dat in onderzoek vaak de kosten worden verdoezeld en de baten worden opgepoetst of omgekeerd. Het is bijna onmogelijk om migratiebeleid goed te becijferen. Ook bij nieuwe berekeningen staat het buiten kijf dat migratie- en zeker integratiebeleid veel geld kost. Sociale voorzieningen en onderwijs zijn grote posten, maar ik zou daar niet snel aan willen tornen. Onze verzorgingsstaat is al zo versoberd. Toch blijft het probleem wat precies als kosten en wat als baten moet worden aangemerkt, zeker als het over de lange termijn gaat. Er zullen keuzes moeten worden gemaakt en die zijn niet altijd wetenschappelijk te onderbouwen. Dus worden het politieke keuzes. Ondertussen doet de tweede generatie het beduidend beter. We moeten oppassen dat we nu niet een achterhoedegevecht gaan voeren waarmee je de problemen van gisteren probeert te bestrijden en ze daarmee een probleem van morgen maakt.’
Verrassend genoeg komt er nu tóch een onderzoek. Op initiatief van Forum, instituut voor multiculturele ontwikkeling, gaat Peter Nijkamp, econometrist en hoogleraar economie aan de Vrije Universiteit Amsterdam aan de slag met de cijfers over migratiebeleid. Nijkamp, die volgens de jaarlijkse inventarisatie van The Economist behoort tot de twintig belangrijkste economen ter wereld, presenteerde onlangs zijn eerste quickscan, met als voorlopige conclusie: ‘Arbeidsmigratie moet worden toegejuicht, omdat op geen enkele wijze valt hard te maken dat de kosten groter zijn dan de baten. Op lange termijn is migratie gunstig voor onze economie.’
Nijkamp: ‘Wilders stelt ten dele wel de goede vragen, maar wat hij met de antwoorden doet is gevaarlijk. Kamerleden hadden niet in de valkuil moeten vallen maar met een solide antwoord moeten komen. De politiek reageert defensief door van zich af te slaan. Als je de feiten vanuit een internationale optiek onderzoekt is het negatieve horrorscenario onzin. Mijn inzet is opkomen voor de fairness van wetenschap: fact finding. Veel politici kennen het abc van de economie niet en gebruiken economisch onjuiste argumenten. Ik ga van het volgende uit: discussieer alleen op een goed economisch onderbouwde basis en kies bij onderzoek voor een solide empirische aanpak. Daarbij gaat het niet over de waardering van mensen, maar over wat arbeidsmigratie betekent voor de economie.’
Nijkamp neemt in zijn rekensom nadrukkelijk de hoogopgeleide migranten, zoals de Japanners in Amstelveen, en de naar schatting zestigduizend migrantenondernemers in het midden- en kleinbedrijf mee. Zij maken volgens hem enorme omzetten en dragen fors bij aan ons nationaal product. Zelfs als hij in zijn berekeningen ook veel negatieve posten meeneemt, zoals criminaliteit, schooluitval, werkloosheiduitkeringen, komt hij in de plus uit.
Nijkamp: ‘Wat ik doe is het fenomeen arbeidsmigratie rationaliseren. Dan kun je óók nuchter naar de negatieve aspecten kijken, zodat je daar betere beleidsinstrumenten voor kunt ontwikkelen. We hebben te lang de feiten niet onder ogen willen zien.’
Dat was de reden voor Forum-voorzitter Sadik Harchaoui om Nijkamp aan te trekken. Harchaoui: ‘We constateren al langer dat in het buitenland een economische benadering van migratiebeleid heel normaal is en dat men zich hooglijk verbaast dat wij hierover altijd zo moeilijk doen. Er is in de volle breedte veel materiaal, maar dat is gefragmenteerd en er is weinig mee gedaan. Het multiculturele debat wordt met name bepaald door antropologen, sociologen en politicologen en er wordt al jaren op hetzelfde stramien voortgeborduurd. In hun onderzoek wordt “anders-zijn” benadrukt. In de jaren zeventig keken we naar de sociaal-economische achterstanden. In de jaren tachtig was de culturele benadering dominant en na 11 september 2001 kwam daar opeens religie bij kijken. Door het maatschappelijk onbehagen over migranten sloeg de balans door naar onderzoek naar de negatieve kanten van migratie, zoals fundamentalisme en criminaliteit. Maar dit thema schreeuwt om een andere onderzoeksfocus: het moet gaan over economische competentie en competitie, over vergrijzing en wat voor beleid je moet ontwikkelen voor de toekomst. Dat vereist onderzoekers uit andere disciplines, zoals economen en bedrijfskundigen. We willen een bevrijdend kader bieden dat het startpunt wordt voor nader onderzoek door economen. Het is tevens een prikkel voor de universiteiten: wees niet zo volgzaam in je oriëntatie, keer terug naar je core business. Bedrijf wetenschap en geen politiek.’