Brazilië is nog steeds van Zeeland

Hoe duur was de suiker?

Formeel is het vijf eeuwen oude Brazilië nog steeds eigendom van Zeeland, zegt de Braziliaanse historicus Evaldo Cabral de Mello.

Dat er nog nooit een boek van Evaldo Cabral de Mello in Nederlandse vertaling is verschenen, mag als een culturele misstand van de eerste orde worden beschouwd. Cabral de Mello is niet alleen een van de toonaangevende figuren van de hedendaagse Braziliaanse geschiedschrijving, hij heeft ook nog eens als specialisatie het even korte als wonderlijke tijdperk van 1630 tot 1654 waarin Nederland het voor het zeggen had in een groot deel van zijn land. Ten bate van zijn studies leerde de historicus zelfs zeventiende-eeuws Nederlands, teneinde originele documenten te lezen uit de tijd van Johan Maurits van Nassau-Siegen, de legendarische gouverneur van Nederlands Brazilië. «Dat Nederlands van toen is voor mij heel wat makkelijker te lezen dan het huidige », vertelt hij. «In de zeventiende eeuw was het Nederlands veel Latijnser. Ik heb de indruk dat het sindsdien erg is verduitst.»
In 1998 verscheen een herziene en uitgebreide druk van Olinda restaurada, Cabral de Mello’s standaardwerk uit 1975 over de Nederlands-Portugese «suikeroorlogen» in Brazilië. Tegelijkertijd werd een vervolgstudie gelanceerd, O negoçio do Brasil («De verkoop van Brazilië») waarin hij nauwgezet het geopolitieke steekspel reconstrueert dat zich voor, tijdens en na de Vrede van Münster (1648) afspeelde tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, Portugal, Spanje, Frankrijk en Engeland, met als inzet de ongekende rijkdommen van de Latijns-Amerikaanse kolonie.
O negoçio do Brasil zorgde vooral in Portugal voor beroering, daar de auteur weinig overliet van de heersende mythe dat de Hollanders uit Brazilië werden verdreven dankzij een volksopstand van de Portugezen ter plekke, hun zwarte slaven en de inheemse indianenstammen, in broederlijke roomse harmonie vereend tegen het calvinistische schrikregime der binnengedrongen Hollandse piraten.
Cabral de Mello aarzelde in dit verband zelfs niet te reppen van een serie «nepoorlogjes» tussen Nederland en Portugal. In werkelijkheid was de Portugese reconquista van het Braziliaanse territorium vooral een kwestie van rekenen. Na eindeloze onderhandelingen moesten de Portugezen ongekend zwaar dokken voor teruggave van hun Braziliaanse gebiedsdelen. Met de in 1661 overeengekomen mega-deal was een waarde van vier miljoen cruzados gemoeid, omgerekend in het prijspeil van 1998 650 miljoen Amerikaanse dollars, die de Portugezen betaalden bij wijze van afkoop. Een tiende van de opbrengsten van de suikerproductie in Brazilië ging naar de Hollanders. Het Portugese koninkrijk werd verplicht tot het maar liefst zeventig jaar lang leveren van zout uit Setúbal (essentieel voor de Hollandse visserij) via de West-Indische Compagnie (wic) aan Nederland. Ook kreeg de wic in Brazilië een monopoliepositie in de handel in het Brazil-hout, waaraan het land zijn naam dankte. Tevens hield Nederland invloed in de Braziliaanse slavenhandel. Over iedere verhandelde Angolese slaaf boven de tien jaar diende ten bate van de «Heeren Negentien» en hun aandeelhouders een belasting te worden betaald.
Van het beeld van een «roomse jihad» in Brazilië tegen de Hollanders bleef derhalve bar weinig over. De koele, lucide studie van Cabral de Mello toonde aan dat internationale politiek ook in de zeventiende eeuw in de eerste plaats een kwestie was van welbegrepen eigenbelang. Factoren als religieus pathos en patriottisme speelden wel een rol maar hooguit als retorisch voertuig, bijvoorbeeld om de willoze massa te mobiliseren voor de zoveelste «heilige oorlog». Evaldo Cabral de Mello kent dit gegeven niet alleen uit zijn historische studies, als gewezen diplomaat in onder meer de Cariben weet de 64-jarige auteur ook uit eigen waarneming hoe een en ander werkt. Hij is dan ook niet het type historicus dat is geneigd tot lyriek of heldenverering.

Des te opvallender is het vuur dat losbarst als Cabral de Mello tijdens het interview in zijn woning in Rio de Janeiro begint te vertellen over zijn grote bewondering voor gouverneur Johan-Maurits. Hij blijkt zelfs een van zijn zonen naar deze illustere Hollandse heerser te hebben vernoemd - Mauricio, een naam die in Brazilië vaak voorkomt en die volgens Cabral de Mello niet zelden fungeert als hommage aan de gouverneur. Cabral de Mello: «Maurits wordt in Brazilië vereerd als brenger van humanistische waarden en wetenschap. En dat was hij natuurlijk ook. In zijn gevolg zaten tal van kunstenaars en geleerden, een groot schilder als Frans Post. Op het gebied van architectuur, ontwikkeling van medicijnen, de kennis van de Braziliaanse flora en fauna, noem maar op, heeft de periode van Maurits ontegenzeggelijk veel waarde gehad. Aan de andere kant: hij was ook zeker geen heilige. Zo had Maurits, ondanks zijn publieke uitspraken tegen de slavenhandel die vooral waren bedoeld om de slaven van de Portugezen te gebruiken in zijn strijd, ook een persoonlijk

financieel belang in de slavenhandel. Hij was dan wel weer zo slim om dat via een Portugese stroman te doen. Je moet Maurits toch vooral zien als de kampioen public relations van zijn tijd.»
Maurits, een in 1600 te Dillenburg geboren achterneef van Willem de Zwijger, arriveerde op 26 januari 1637 in opdracht van de wic in Noord-Brazilië. Vooral door zijn succesvolle pogingen enkele indianenstammen te bekeren tot het calvinisme boekte hij grote successen tegen de Portugezen. Cabral de Mello: «Lang heeft het gouverneurschap van Maurits niet mogen duren. Uiteindelijk werd hij zelfs teruggeroepen naar Den Haag, om vervolgens in Duitsland te belanden waar hij werkzaam werd voor de vorst van Brandenburg. Na zijn vertrek huiswaarts hebben de Nederlanders nooit meer zo'n grip op de Braziliaanse situatie kunnen krijgen. Vandaar dat hij nog diverse keren is benaderd met het verzoek naar Brazilië terug te gaan, hetgeen hij voorkwam door zulke hoge eisen te stellen op het gebied van persoonlijke macht dat het wel onacceptabel móest zijn voor de wic. Maurits wilde absolute macht, zowel op militair als op burgerlijk gebied. Ook de Portugezen hebben hem na zijn vertrek uit Brazilië nog benaderd met de vraag of hij in samenwerking met het Portugese gezag Brazilië wilde koloniseren. In die opzet zou Brazilië een Nederlands-Portugees protectoraat zijn geworden. Maar ook dat ging uiteindelijk niet door.»
Volgens Cabral de Mello had Maurits waarschijnlijk plannen om in Brazilië zelf uit te groeien tot een keizer. «Hij was er ambitieus genoeg voor. Hij leefde in elk geval in vorstelijke stijl. Maurits beklaagde zich er telkens over te weinig steun te krijgen uit Holland om zijn missie tot een goed einde te brengen. Als gouverneur had hij grootse plannen. Hij zag in dat de Nederlandse belangen in Brazilië alleen maar in gevaar zouden komen toen Portugal in 1640 weer een zelfstandig koninkrijk werd. Dat was een politiek juiste inschatting, maar deze werd niet door zijn opdrachtgevers gedeeld. Maurits wilde militair meteen doorstoten naar Buenos Aires om zo veel mogelijk macht in Latijns-Amerika te verkrijgen. Zijn opdrachtgevers van de wic waren echter alleen maar ge ïnteresseerd in de winsten van de suikerteelt. De door Maurits gevraagde militaire versterkingen bleven uit. Toen de winsten van de suikerhandel ook nog stagneerden, was het met Maurits’ positie meteen gedaan.»

Het mislukken van het Nederlandse koloniale avontuur in Brazilië, wijt Cabral de Mello in de eerste plaats aan de machtsverhoudingen binnen de republiek. «De machtsverhoudingen binnen de Republiek der Verenigde Nederlanden waren uiterst gecompliceerd. Theoretisch was de stadhouder niet meer dan lid van de Staten-Generaal. Maar in werkelijkheid was zijn invloed oneindig veel groter, dankzij de controle over de strijdmachten en zijn positie als verdediger van de suprematie van de calvinistische kerk tegenover de confessionele dissidenten van de arminianen, de katholieken en de mennonieten. Het huis van Oranje-Nassau was traditioneel zeer fel voorstander van het koloniale avontuur in Brazili ë. Dat gold eveneens voor een provincie als Zeeland, waar de meeste aandeelhouders van de wic te vinden waren. De meeste Zeeuwse leden van de Staten-Generaal waren grootaandeelhouders van de wic.

In steden als Middelburg, Vlissingen en Veere had twintig procent van bevolking geld in wic-aandelen belegd. Later kwam daar ook nog eens een nieuwe firma bij, de Brazilische Directie en Compagnie in Middelburg en Vlissingen.
De Zeeuwen waren geïnteresseerd in een gewapend conflict tegen het paapse, Europese zuiden, niet in de laatste plaats door de aantrekkelijke winsten uit de kaapvaart. Zij koppelden inzichten over de rijke verdiensten uit de Braziliaanse suiker aan een religieuze missie, in het kader waarvan ook gestreden diende te worden tegen de Portugezen. De Zeeuwen weigerden het Verdrag van Münster te ratificeren, zodat zij hun aanspraken op het Braziliaanse grondgebied in feite nooit hebben laten varen.
Nu, vijfhonderd jaar na de Portugese ontdekking van Brazilië, hebben de Zeeuwen hun Nieuw Holland in Noordoost-Brazilië eigenlijk nog steeds niet officieel opgegeven. Andere provincies, zoals Holland, en vooral ook de regenten van de grote steden zoals Amsterdam, dachten heel anders over het Braziliaanse vraagstuk. Zeker nadat Portugal in 1640 weer los was komen te staan van Spanje vonden zij dat de verhouding met Portugal goed moest zijn. Dat zou hun handelsbelangen alleen maar ten goede komen.
Het ging deze regenten in de eerste plaats om het zout uit Setúbal, dat hard nodig was voor het haringkaken, een van de voornaamste inkomstenbronnen voor de Nederlandse vissersvloot in de Baltische zee. Dat zout werd nog belangrijker gevonden dan de lucratieve Braziliaanse suiker.
Zo waren er in Nederland verschillende agenda’s voor het beleid ten aanzien van Brazili ë. Zelf denk ik dat het allemaal heel anders zou zijn gelopen als stadhouder Willem II in 1650 niet onverwacht was komen te overlijden. Hij was mordicus tegen vrede met de Spanjaarden en de Portugezen. Daarnaast is de inbreng van raadspensionaris Johan de Witt enorm belangrijk geweest in de overdracht van Brazilië aan de Portugezen. Hij zag terecht in dat het niet realistisch was als Nederland in het verder door Spanje overheerste Latijns-Amerika een enorm land onder controle moest houden. Zonder die neutraliteitspolitiek was Portugal waarschijnlijk niet in Brazilië teruggekomen. Toch heeft Nederland nog lange tijd gezocht naar een manier om Brazilië blijvend te koloniseren, eventueel met hulp van Engeland. Oliver Cromwell is nog eens door de Republiek benaderd met het verzoek om tot zo'n samenwerking te komen. Hij zag daar kennelijk niets in.»

De belangrijkste Portugese diplomaat in de onderhandelingen over de teruggave van de Braziliaanse gronden door de Nederlanders was de jezuïetenpater António Vieira. Vieira was onder meer betrokken bij de onderhandelingen van de Vrede van Münster, waar hij Hollandse hardliners tegenover zich vond. Vieira was van mening dat Portugal het best vrienden met de Republiek kon blijven: «De Hollanders zijn niet alleen onze buren in Brazilië, maar ook in India, in China, in Japan, in Angola en alle delen van de aarde en de zee waar zijn macht de grootste ter wereld is», hield hij zijn achterban voor. De pater werd echter het slachtoffer van een campagne in eigen land, waar hem werd verweten dat hij te veel op de hand was van de grote joodse gemeenschap die zich in het kielzog van Maurits in Recife had gevestigd. Cabral de Mello: «Die joodse gemeenschap in de Hollandse tijd werd vooral gevormd door zogeheten nieuw-christenen, ook wel marranen, joden die zich indertijd onder druk van de Inquisitie hadden bekeerd tot het christendom. Onder de Hollanders hadden zij godsdienstvrijheid gekregen. Ze bouwden de eerste synagoge van Latijns-Amerika. Toen de Portugezen in Brazilië terrein terugwonnen, kwam deze gemeenschap onder druk te staan. De Portugese autoriteiten dreigden hen te vervolgen. In Nederland werd een grote campagne opgezet om hen van de Inquisitie te redden. De achtergrond daarvan was ook weer een poging om het volk te mobiliseren voor een nieuwe strijd in Brazilië. Vieira was met zijn pleidooien voor Hollands-Portugese samenwerking in Brazilië een makkelijke prooi voor godsdienstfanaten, die hem ervan beschuldigden met de joden onder één hoedje te spelen. Na de capitulatie van Recife in 1654 zochten de meeste Braziliaanse joden een heenkomen in het Caribisch gebied. De meesten van hen belandden na lange omzwervingen in Curaìao, of Suriname. Maar dat is in de ogen van de Brazilianen zo ver weg… Dat land bestaat in Braziliaanse ogen niet eens.»