De catechismus van Kolakowski

Hoe een conservatief-liberaal-socialist te zijn?

Lange tijd leek Nederland het enige land in Europa zonder conservatieven, op een enkele uitzondering na. Maar opeens lijkt er zich zoiets als een conservatieve stroming te ontwikkelen, als serieus alternatief voor liberalisme, christen-democratie en sociaal-democratie.

Wat stelt dit eigentijdse conservatisme voor, wat politieke potentie en ideologische inhoud betreft? En is het conservatisme even conservatief als zijn reputatie?

Op de volgende pagina’s bespreekt De Groene de politieke, filosofische en culturele levensvatbaarheid van het conservatisme in Nederland. We openen met het manifest waarmee Leszek Kolakowski in 1978 liet zien dat een weldenkend mens heel goed deels conservatief, deels liberaal en deels socialist kan zijn.

Motto:

«Wilt u achteruit naar voren gaan!»

(Deze oproep heb ik gehoord van een Warschause trambestuurder; ik stel hem voor als hoofdleus voor de grote en machtige Internationale, die nooit zal bestaan.)

Wij denken conservatief, wanneer wij menen:

  1. Dat er nooit zulke verbeteringen en vergemakkelijkingen van het menselijk leven zijn geweest noch zullen zijn, die niet betaald zouden moeten worden met een verslechtering in andere opzichten en dat wij uit dien hoofde bij alle hervormingsvoorstellen verplicht zijn ons de vraag te stellen naar hun prijs. Men kan dit anders uitdrukken: er zijn ontelbare kwaden die zich met elkaar laten verenigen, die wij dus in volle omvang tegelijkertijd kunnen lijden en er bestaan talrijke zegeningen die elkaar wederzijds uitsluiten of beperken, waar wij derhalve nooit tegelijkertijd ten volle van kunnen genieten; de samenleving, waar totaal geen vrijheid en totaal geen gelijkheid bestaat, is terdege mogelijk, onmogelijk is echter de samenleving, waar volledige vrijheid en volledige gelijkheid naast elkaar bestaan. Hetzelfde geldt voor de eensgezindheid tussen planning en het principe van autonomie, tussen veiligheid en technische vooruitgang. Nog anders gezegd: er bestaat geen happy ending van de menselijke geschiedenis.

  2. Dat wij niet weten in welke mate verschillende, uit traditie overgeleverde levensvormen — gezin, volk, religieuze groepering, rituelen — belangrijk zijn en onontbeerlijk voor het voortbestaan en de kwaliteit van het voortbestaan van samenlevingen. Er zijn totaal geen gronden om aan te nemen dat wij door deze vormen te vernietigen of aan te vallen als irrationeel, de kans vergroten op tevredenheid met het leven, vrede, veiligheid en vrijheid; er zijn daarentegen talrijke redenen om iets geheel tegengestelds te verwachten. Wij weten bijvoorbeeld niet wat er zou gebeuren wanneer het monogame gezin afgeschaft, of wanneer het traditionele gebruik om doden te begraven vervangen zou worden door een rationele exploitatie van lijken voor industriële doelen. In werkelijkheid kunnen wij rationeel de allerslechtste resultaten verwachten.

  3. Dat het verlichtende vooroordeel dat afgunst, drang naar onderscheiding, hebzucht, agressiviteit, slechts uitkomsten zijn van gebrekkige maatschappelijke instellingen en tegelijk met de vervanging van die instellingen zullen worden opgeheven, niet alleen in hoogste mate ongeloofwaardig is en strijdig met de ervaring (en hoe zijn dan, voor de duivel, al die instellingen ontstaan, als ze zich zo te weer stellen tegen de authentieke menselijke natuur?) maar ook noodlottig bij maatschappelijk denken. Te verwachten dat broederschap, liefde en onbaatzuchtigheid geïnstitutionaliseerd kunnen worden, betekent zoveel als reeds een onfeilbaar recept tegen despotisme bezitten.

Wij denken liberaal, wanneer wij menen:

  1. Dat het oude beginsel, volgens welk het de taak van de staat is om zorg te dragen voor veiligheid, geldigheid houdt. Ook dan geldigheid houdt wanneer het begrip veiligheid zich zodanig uitbreidt, dat het niet alleen de juridische bescherming van personen en bezittingen behelst, maar ook verschillende sociale verzekeringen; dat mensen niet moeten hongeren door gebrek aan werk of sterven door gebrek aan geld voor makkelijk te genezen ziekten, dat zij gratis onderwijs voor hun kinderen hebben — dit alles valt onder het begrip veiligheid. Maar op generlei wijze mag veiligheid verward worden met vrijheid. De staat garandeert vrijheid niet door iets te doen of te regelen, maar door niets te doen en bepaalde terreinen van het leven ongereguleerd te laten. In werkelijkheid wordt soms de veiligheid verhoogd louter ten koste van vrijheid. Het is dus ook geenszins de taak van de staat om mensen gelukkig te maken.

  2. Dat menselijke groeperingen niet alleen bedreigd worden door stagnatie, maar ook door degradatie en uiteindelijk de dood, wanneer ze zo georganiseerd zijn, dat initiatief en vindingrijkheid van het individu geen ontwikkelingsruimte meer hebben. Men kan zich de zelfmoord voorstellen van het mensdom, maar niet — een menselijke mierengemeenschap en wel daarom, omdat wij gewoon geen mieren zijn.

  3. Dat in hoogste mate de veronderstelling onwaarschijnlijk is dat in een samenleving waarin alle vormen van concurrentie zijn afgeschaft, nog steeds de voor creativiteit en vooruitgang noodzakelijke motivaties optreden. Vergroting van gelijkheid is geen doel in zichzelf, maar slechts een middel: met andere woorden, het loont in het geheel niet om naar grotere gelijkheid te streven wanneer het resultaat alleen zou moeten zijn dat zij die het beter hebben naar beneden worden gehaald en niet een verbetering van het lot van achtergestelden. Volkomen gelijkheid is derhalve een innerlijk ideaal.

Wij denken socialistisch, wanneer wij menen:

  1. Dat wanneer het winststreven de enige regulator van de productie zou zijn, de huidige samenlevingen bedreigd zouden worden met niet mindere, maar wellicht grotere, hoewel andere rampen, dan in het geval wanneer winst geheel uit de regulerende factoren geëlimineerd zou zijn. Er zijn goede redenen om de vrijheid van economisch handelen te beperken in naam van de veiligheid van de meerderheid en ernaar te streven dat geld niet automatisch geld maakt; beperking van vrijheid hoort echter beperking van vrijheid te heten en niet een bepaalde vorm van vrijheid.

  2. Dat het een illusie en een aanslag op het gezonde verstand is om uit de onmogelijkheid van een volmaakte en conflictloze samenleving te concluderen dat elke bestaande vorm van ongelijkheid onvermijdelijk is en elke vorm van winst gerechtvaardigd. Het historiosofische pessimisme, waaruit op grond van een bepaalde redenering blijkt dat progressieve belasting schandelijk en schandalig is, is even verdacht als het historiosofische optimisme, waarop de Goelag-archipel is gebouwd.

  3. Dat men het streven naar maatschappelijke controle over de economie hoort te steunen, ook al betekent dit onvermijdelijk een groei van de bureaucratie; die controle zal echter nooit bestaan zonder vertegenwoordigende democratie, vandaar dat men zich onvermijdelijk moet afvragen hoe de bedreigingen van de vrijheid tegen te gaan, die besloten liggen in de vergroting van de controle.

Het lijkt dat deze verzameling van regulatieve ideeën geen tegenstrijdigheden oplevert. In dat geval behoort het tot de mogelijkheden een conservatief-liberaal socialist te zijn, of — wat op hetzelfde neerkomt — vormen deze drie woorden geen levensvatbare en elkaar uitsluitende opties meer. De reden dus dat de in de inleiding genoemde grote en machtige Internationale nooit zal bestaan, is deze, dat die Internationale de mensen niet kan beloven dat zij gelukkig zullen zijn.

Leszek Kolakowski, Essays.

Uitg. Het Spectrum (Aula Pocket 728) Utrecht/Antwerpen 1983, blz. 115-118.