Hoe een glimlach op te zetten

Buurtwinkel in Tokio © Bloomberg / Getty Images

Albert Camus schijnt ooit gezegd te hebben dat niemand zich realiseert hoeveel moeite het sommige mensen kost om normaal te zijn. Keiko Furukara, de hoofdpersoon uit Buurtsupermens, is zo’n mens. Wanneer ze op de kleuterschool een dood vogeltje vindt, stelt ze voor om het op te eten. Maar haar ouders en klasgenootjes denken daar heel anders over – ze trekken bloemen uit de grond en maken snikkend een grafje. Keiko vindt het maar vreemd. Na nog een paar van zulke voorvallen (ze geeft onder andere twee stoeiende jongens een mep met een schep) besluit ze zich maar voorgoed stil te houden. Maar al gauw vinden de mensen om haar heen dat ook weer een probleem. ‘En zo groeide ik op tot een volwassene met het idee: ik moet genezen.’

Gelukkig is daar op een dag de Smile Mart, een convenience store zoals je die overal ziet in Japan: 24 uur per dag open en bemand door overdadig beleefde medewerkers. Keiko solliciteert er en wordt aangenomen. Samen met andere werknemers krijgt ze een uitgebreide training: hoe te groeten, hoe een glimlach op te zetten. Waar iedereen er bij binnenkomst nog anders uitziet, maken de uniformen iedereen gelijk. Opeens is ze iets: een ‘winkelmedewerker’, en daarmee een deel van de wereld. De handleiding die uitlegt hoe ze haar werk moet doen leert haar eindelijk hoe ze normaal moet zijn.

Achttien jaar later werkt ze er nog steeds. Ze is een buurtsupermens geworden: haar lichaam reageert automatisch op het geluid van rollende flesjes of rinkelende muntjes, als ze thuis is hoort ze de buurtsuper nog in haar hoofd en ’s nachts wekt ze zichzelf soms met haar eigen welkomstgroet. Schrijfster Sayaka Murata beschrijft tot in de details de gedachtegang van buurtsupermens Keiko en de alledaagse gesprekken die er op het werk worden gevoerd. Dit alles in een heldere, vloeiende stijl die niet gaat vervelen omdat Keiko intussen voortdurend de mensen om zich heen analyseert in haar poging te begrijpen wat normaal is. Haar manier van praten is een mengsel van die van twee collega’s, haar garderobe kijkt ze weer van een ander af. ‘Voor mijn omgeving zie ik er vast uit als een “mens”, met een tas die past bij mijn leeftijd, en met precies het juiste gevoel van afstand als ik praat, niet te vrijpostig en niet te terughoudend.’

Keiko en Shiraha zijn wel degelijk… rare mensen

Was het maar zo simpel. Want hoewel ze als twintiger nog weg kon komen met een baan als flexwerker bij de buurtsuper, kan dat als vrouw van 36 niet meer zomaar. Haar zus helpt haar smoesjes te bedenken voor als mensen vragen wanneer ze nu eens een echte baan gaat zoeken of gaat trouwen. Dat wat Keiko eindelijk normaliteit gaf, maakt haar nu weer vreemd. Ook dat doorziet Keiko: haar gebrek aan seksuele ervaring vindt ze zelf geen probleem, maar de mensen om haar heen gaan ervan uit dat ze eronder lijdt. ‘Als ze iets raar vinden, denken ze allemaal dat ze zomaar het recht hebben je privéleven binnen te dringen om de oorzaak te ontdekken’, denkt ze. De hel is de ander.

Zo denkt ook Shiraha erover, een recalcitrante man die bij de buurtsuper komt werken maar al snel wordt ontslagen omdat hij vrouwelijke klanten lastigvalt. Toch krijgen Keiko en hij een band. Sinds de steentijd is er in wezen niets aan de organisatie van de samenleving veranderd, betoogt hij: ‘De normale wereld is hoogst autoritair, en vreemde stoffen’ – zoals hij en Keiko – ‘worden er stilletjes verwijderd. Met wie zich niet gedraagt zoals het hoort, wordt afgerekend.’ Ze sluiten een deal: hij komt bij Keiko wonen zodat hij een slaapplek heeft en zij zich kan presenteren zoals het een 36-jarige vrouw betaamt: in samenzijn met een man.

Het is heel bijzonder hoe Sayaka Murata de wereld van deze ‘vreemde stoffen’ tot leven brengt. Je kunt niet anders dan sympathiseren met Keiko en de zogenaamd normale mensen om haar heen zien als vervelende, oordelende mensen die hun mond wel vol hebben van diversiteit maar alsnog neerkijken op wie anders is. Toch is het niet zo simpel, want Keiko en Shiraha zijn wel degelijk… rare mensen. Shiraha slaapt in Keiko’s badkuip en Keiko beschouwt hem zonder wikken of wegen als een soort dier dat ‘voer’ moet hebben. Als lezer ben je geneigd hun anders-zijn grootmoedig te omarmen, maar hoeveel mensen zouden in het echt niet over zulke personen oordelen? En hoewel je Keiko haar geluk gunt als buurtsupermens is het toch moeilijk te accepteren dat ze aanvaardt dat haar lichaam in dienst staat van de bruikbaarheid voor haar werkgever – dat zijn niet mijn woorden, maar de hare. De tragiek van Keiko is niet zozeer dat ze anders is, maar dat ze gevangenzit tussen het deel van de maatschappij dat mensen vergelijkt en veroordeelt en het deel dat mensen in een mal drukt ten behoeve van winst. Het gaat daarmee ontegenzeggelijk ook om het lot van de lagere klasse in een land waar nog steeds veel mensen denken dat eigenlijk iedereen tot de middenklasse behoort.

Hoe verder je leest in Buurtsupermens, des te absurder wordt de keuze van uitgeverij Nijgh & Van Ditmar voor de smakeloze, stereotiepe Japanse omslag, nota bene voor een boek dat hokjesdenken aan de kaak stelt. Je kunt je ook afvragen of de omslag zo kawaii (schattig) was geweest als de hoofdpersoon en schrijver geen vrouw waren geweest. Een diepgaande, genuanceerde, humoristische en helder geschreven roman over existentiële kwesties als deze verdient iets originelers.