Profiel: Safa

Hoe een soldaat van de islam een democraat werd

Veel Iraanse jongeren die in de jaren tachtig enthousiast voor Khomeini vochten, willen nu een liberale koers. Eén van hen is Safa, die een indrukwekkende intellectuele odyssee doormaakte, geïnspireerd door Erasmusprijs-winnaar Abdoulkarim Soroush.

TEHERAN – Safa draagt een crèmekleurig linnen pak. Hij werkt bij een grote overheidsinstelling in het hart van een provinciestad. Voor de verkiezingscampagne van de hervormers in maart was Safa naar Teheran geroepen. De jonge hond was een van de spindoctors op de achtergrond. De campagne werd een mislukking: de hervormers werden door de raad van hoeders ongeschikt verklaard voor het kandidaatschap. Hongerstakingen en protes ten van hervormingsgezinde parlementariërs tegen dit besluit hadden niet geholpen. Als laatste dolkstoot was de meerderheid van het electoraat – zij het een erg krappe van 52 procent – toch naar de stembus gegaan.

De politieke avonturen van Safa zitten er voorlopig op: «We moeten onze wonden likken en de tijd nemen om te bedenken wat nu te doen.» Dan maar een matsbaan als hoofdadviseur van een semi-overheidsinstituut in zijn geliefde geboortestad. Safa: «Ik breng mijn tijd door met het lezen van boeken en kranten en telefonisch overleg met mijn politieke kameraden. De organisatie is allang blij met het enorme netwerk dat ik heb, en de directeur gebruikt mij als sparring partner voor de plannen die hij de minister en andere hoge functionarissen wil voorleggen.»

Ooit was deze man een vijftienjarige fanatiekeling die zijn ouderlijk huis uitvluchtte om imam Khomeini en de Islamitische Revolutie te dienen. Safa is nog even gepassioneerd als toen, maar liberalisme en pragmatisme als leidraad hebben de plaats overgenomen van islamisme en radicalisme. Verdwenen zijn ook de baard, de gifgroene militaire broek en de ongestreken blouse, in de beginjaren van de revolutie het uniform van de islamisten.

De intellectuele odyssee van Safa is imposant. Hij is exemplarisch voor een groep die ooit met brein, hart en ziel de Islamitische Republiek Iran groot heeft gemaakt. Tegelijkertijd zijn zij het die in 1997 – na de verkiezingen van Khatami – er even in leken te slagen op een vreedzame manier van Iran een tolerante en liberale samenleving te maken.

Voor velen is de intellectuele en politieke ontwikkeling van deze hervormers een raadsel. Natuurlijk, er zitten veel opportunisten tussen voor wie politiek een puur machtsspel is. Toch is er ook een actieve kern geweest die met ijver werkte aan liberale hervormingen. Met dezelfde ijver waarmee ze in opstand kwamen tegen de sjah en zijn soldaten en daarna acht jaar lang tegen het door het Westen aangemoedigde Iraakse leger vochten. Met dezelfde ijver waarmee ze de communisten en andere rivalen van de Republiek bestreden.

Hoe is Safa van een radicale Sarbaze Islam (soldaat van de islam) een pragmatisch opererende vrijheidsgezinde politicus geworden?

Het Iran van de eerste jaren van de revolutie had last van een revolutionaire koorts die vooral de jeugd in zijn greep hield. Het was geen uitzondering voor dertienjarigen om zich op het politieke pad te begeven. De kinderen van meer intellectuele komaf lazen boeken. Binnen deze intellectuele laag was er een cruciaal verschil tussen kinderen van seculieren en van gelovigen. De jongeren uit seculiere gezinnen, vaak de hogere middenklasse, lazen marxistische denkers en linkse romanschrijvers. Mijn oudere broer bijvoorbeeld las, amper vijftien jaar, Wat te doen? van Lenin. De jongeren uit de meer gelovige families lazen vooral het werk van islamitische denkers. Ook zij waren radicaal, collectivistisch en, zonder dat zo te noemen, antikapitalistisch en socia listisch. De antikapitalistische houding van de jeugd in Iran stond niet ver af van de gedachtewereld van de linkse politieke activisten in die dagen in Nederland. Links anti kapitalisme was wereldwijd mode onder de jeugd.

Dat de wegen van de islamisten en de marx isten scheidden, had te maken met het antireligieuze standpunt van de marxisten. Islamisten zagen religie niet als «opium voor het volk». Zij voelden zich aangetrokken door radicale moslimintellectuelen. Die hadden een wonderbaarlijk politiek programma: een cocktail van socialistische staatseconomie en een islamitische moraal. Binnen dat programma was het geloof dé morele leidraad voor het opbouwen van een rechtvaardige en fatsoenlijke samenleving. Het staatssocialisme moest de weg effenen naar een klassenloze maatschappij. Marx had de economische pijler van deze tweepoot al bedacht. De grootste uitdaging voor radicale moslimintellectuelen was dus om de morele poot uit te vinden, dat wil zeggen de kern van de islam naar de moderne tijd vertalen. Deze intellectuelen waren de helden van Safa.

Een van de beroemdste onder hen was Abdoulkarim Soroush. De jonge Soroush, toen nog een dertiger, werd door iedereen gezien als een kenner van de westerse politieke filosofie en tegelijkertijd een doordacht verdediger van de politieke islam. Hij werd bekend in het eerste jaar van de revolutie door zijn tv-programma’s, waarin hij de westerse filosofie aan de kijkers doceerde en van islamitisch commentaar voorzag.

Safa zat niet alleen met zijn neus in de revolutionaire boeken, hij was ook jong en actiegericht. Hij behoorde tot de Islamitische Militia. Toen in 1980 de oorlog met Irak uitbrak, bleken deze Basijies een cruciale rol te spelen bij het verdedigen van de Islamitische Republiek. In het gezin van Safa was het vooral de moeder, een vrome moslima, tot wier reli gio siteit Safa zich aangetrokken voelde. Vader was een milde, niet religieus praktiserende man die ver afstond van de islamitische koorts van zoonlief. Hoe verschillend zijn ouders ook waren, ze waren niet van plan hun minderjarige zoon – Safa was net vijftien – tot kanonnenvlees van de Islamitische Republiek te maken. Maar Safa zag het als een eer om het martelaarschap van de in zijn ogen rechtvaardigste en zuiverste vorm van de islam tegemoet te treden. In 1982 vertrok hij clandestien naar het front. Hij liet een korte brief achter: «Ik ga om voor mijn moederland en geloof te vechten.»

Duizenden andere jongeren deden hetzelfde, trots als ze waren op het beroep dat imam Khomeini op ze had gedaan. Bij de eerste aanval van Iran op Iraakse troepen deed Safa mee. Hij had al twee jaar lang op school militaire trainingen gehad en was «oorlogklaar». In die nacht sloeg het Iraakse leger direct terug. Safa raakte verstrikt in door Irakezen herwonnen gebied: «Een Iraakse soldaat doorzeefde mij.» Hij raakte buiten bewustzijn. Toen hij zijn ogen weer opendeed, bevond hij zich in een militair hospitaal aan Iraakse zijde: het begin van acht jaar gevangenschap.

Na het militaire ziekenhuis belandde Safa in een kamp voor oorlogsgevangenen, het eerste van vijf kampen die in de daaropvolgende acht jaren zijn thuis zouden zijn. Hier kregen de krijgsgevangenen om de haverklap straf en slagen. Safa heeft dat goed doorstaan. Hij kan zonder een teken van verbittering op zijn gezicht vertellen over de kazernebazen, die voor de kleinste overtreding de jonge Safa en zijn maatjes met kabels sloegen en vernederden door ze te dwingen urine van soldaten te drinken. Humor was een van hun belangrijkste geheime wapens. Safa vertelt over hun geheime theater en stand-up-comedy, over de namaakuniformen, petten en stokken die ze hadden gemaakt om de commandant en zijn vette Arabische accent te kunnen nadoen.

Behalve humor was ook hun gepassioneerde geloof in de islam een overlevingswapen. Bidden en vasten gaf regelmaat. Hier zaten alleen Basijies en Pasdaran (de volwassenen-Militia) gevangen. Beide groepen associeerden zich, veel meer dan het reguliere Iraanse leger, ideologisch met het regime. Hun geloof in de Islamitische Republiek zorgde ervoor dat ze als een collectief konden opereren.

Het was regel dat de kampleiding iemand van de gevangenen aanwees als hoofd binnen het kamp, met als taak de gevangenen te representeren. Het kamp was verdeeld in vijf tot zeven verblijfplaatsen, met elk zijn eigen hoofd. Naast deze machtsstructuur hadden de gevangenen zelf een andere, verborgen structuur om als een eenheid te kunnen opereren, bijvoorbeeld om in actie te komen voor pen en papier of om de leiding van het kamp onder druk te zetten met een collectieve honger staking. De strijd hield ze wakker. Het collectief had tamelijk strikte normen. Je moest laten zien dat je trouw was aan de islamitische moraal, dat je aan het dagelijkse gebed en aan de vastenmaand meedeed en dat je trouw was aan de belangrijkste icoon van de Republiek, imam Khomeini.

De microscopische schaal van deze samenleving creëerde het besef dat de leiders draagvlak nodig hadden. Elk individu was nodig voor de clandestiene activiteiten. De grote onderlinge afhankelijkheid werkte zelfregulerend en maakte een dictatoriale houding van leiders onmogelijk. Een mullah die vóór zijn gevangenschap in een van de grenssteden de vertegenwoordiger van de hoogste leider imam Khomeini was en in het kamp op basis daarvan ook absolute gehoorzaamheid eiste van zijn medegevangenen, moest in no time zijn plek afstaan, omdat de groep het verdomde zijn rigide en autoritaire bevelen op te volgen. «Hij had geen achterban, alleen een brief van de imam in zijn handen.»

Safa wist toen al diep in zijn hart dat de staatsideologie onwerkbaar was, maar hij durfde dat niet onder ogen te zien. Het geloof in de Islamitische Republiek was alles wat ze hadden om op de been te blijven. Bovendien hoopte hij dat alles in Iran veel beter, doordachter en rechtvaardiger werkte dan in hun microscopische samenleving en structuur.

Toen was het ineens vrede. «Wij waren er niet blij om; vrede was een compromis. Het was niet de overwinning van de revolutionaire islam op de dictatuur van Saddam Hoessein.» De vrede was een verlies, ook al hoopten Safa en zijn vrienden al die tijd stiekem op hun vrijlating, die zich overigens pas twee jaar later aandiende, toen Saddam Iran tot vriend wilde maken om sterker te staan tegenover de naderende Amerikaanse aanval op Irak.

Het waren de tijden van de Eerste Golfoorlog. Safa wordt nu blij bij de herinnering aan zijn vrijlating en zijn eerste vrije ontmoeting met het woestijnlandschap van Irak. Voor het eerst droeg hij geen blinddoek: «Toen de deuren opengingen, stroomde een tinteling door mijn lijf, voor het eerst oog in oog met de brede horizon na acht jaar van ommuurd leven.»

Achteraf kun je zeggen dat deze jaren een belangrijke leerschool waren. Voor de knapste koppen onder deze jonge soldaten van de islam – zij die uit overtuiging en niet vanuit kuddegedrag opereerden – was de gevangenschap een praktische cursus samenwerken. In de gevangenengroep waren ze elkaars gelijken. Het uitgestrekte web van familiebanden waarin de meeste Iraniërs verstrikt zijn, was ver van ze vandaan. De fami liaire samenlevingsstructuur zorgde voor gesloten en exclusieve netwerken, met nepotisme en wantrouwen jegens vreemden als gevolg. Juist door het ontbreken van die familiare netwerken, in een omgeving waar solidariteit hard nodig was, werd de weg geëffend voor een democratische structuur in omgang en besluitvorming.

Safa’s episode doet mij denken aan een van de ontstaansverhalen van de Nederlandse democratie. Er zijn historici die de egalitaire en democratische houding van Nederlanders, en vooral hun samenwerkingsvermogen, toeschrijven aan hun zeevaartmentaliteit. Op een schip zit je met vreemden opgescheept. Het komt aan op samenwerking en aanvaarding van de beste argumenten – welke koers, welke snelheid – om de wilde zee te overleven.

Safa’s terugkeer naar Iran was niet alleen vreugdevol, maar draaide ook uit op een teleurstelling. Hij zag tot zijn schrik dat de republiek zich volstrekt anders had ontwikkeld dan hij verwacht had. Waarom scholden mensen zo veel op regeringsleiders en waarom was er zo’n honger naar een niet-islamitische, hedonistische levensstijl? Zodra er geen controle meer was, overheersten popmuziek, wodka en party’s. De hele zedenpolitie en het voortdurende gepreek over islamitische normen en waarden leken averechts te werken. De mensen scholden de regering bovendien vaker terecht dan ten onrechte uit. Er was veel corruptie. De mullahs, die voor de buiten wereld het hoogste woord hadden over islamitische zeden en moraal, waren binnenshuis het meest immoreel.

Safa: «Ik kwam een andere veteraan tegen. Hij was al een tijd terug. Ooit hadden we als jongelingen onder de stokslagen van de Irakezen geweigerd om te schelden op de leiders van de revolutie. We kregen klappen, maar we zwegen. ‹Weet je nog Safa, hoe we die klappen hebben gekoesterd?› vroeg hij. ‹Tegenwoordig scheld ik vanzelf wel dertig keer per dag de leiders van de revolutie voor rotte vis uit, zonder dat iemand mij ook maar hoeft te dwingen. Want wij hebben voor niks onze jonge jaren gegeven, net als ten tijde van de sjah gaan de machthebbers er met de buit vandoor, alleen hebben ze nu in plaats van een kroon een ammama (tulband) op hun kop.›» De woorden van deze oorlogsveteraan maakten indruk op Safa. Dit was geen verwende rijkeluiszoon of een antirevolutionair.

Safa raakte teleurgesteld in de politiek. Als politieke macht zelfs de religieuze voormannen van de revolutie corrupt maakte, was er weinig heil te verwachten van politiek activisme. Hij dook weer in de boeken, ditmaal studieboeken. Hij begon aan een technische studie aan de universiteit. Maar zijn apolitieke houding was niet van lange duur.

Een snoeiharde kritische speech van zijn oude held Soroush gaf Safa’s politieke zoektocht een nieuwe impuls. Een vriend met een vrijwel identieke achtergrond kwam op een dag in 1993 Safa’s ouderlijk huis binnen. Hij wapperde triomfantelijk met een cassettebandje: een speech van Soroush die hij al een half jaar eerder had gehouden aan de universiteit van de meest mythische stad van Iran, Isfahan. De rede ging over een vergelijking tussen de mentaliteit van wetenschappers en van Rohaniet (geestelijke theologen, de sjiïtische priesterkaste). Het was een lofzang op de universiteit en een tirade tegen het dogmatisme, de geslotenheid en het opportunisme die verweven waren met de theologische academies, met Qom als het belangrijkste centrum.

De speech was voor Safa en zijn vrienden meer dan alleen kritiek op de opleidingsstijl van de theologische academies, het was een nauwkeurige analyse waarom het mis was gegaan met de revolutie. Safa en zijn vrienden hoorden genadeloze kritiek op het starre en meedogenloze landsbestuur van de geestelijkenkaste die geen kritiek duldde. Soroush wees zijn publiek erop dat geestelijken werden opgeleid tot populistische sprekers. Het was inherent aan hun functie om het publiek van de moskee te amuseren en emo tioneel te raken. Of hun zinnen, claims en polemiek op feiten of ficties gebaseerd waren, was secundair. Ook had hij het over het monopoliseren van moraal en de absolute macht die op deze wijze in handen van de mullahs terecht was gekomen: «Een geestelijke kan in zijn stad een heleboel voor elkaar krijgen, binnen of buiten zijn faculteit, bij het stadsbestuur of in de bazaar, hij krijgt het laatste woord over de morele positie van een willekeurige stadsgenoot, of deze man of vrouw wel of niet pluis is. Een wetenschapper stelt zich vele malen bescheidener op, zelfs als het een filosoof of menswetenschapper is, hij keurt mensen niet moreel af.»

Soroush’ stijl was elegant. Zonder het nadruk kelijk te benoemen maakte hij korte metten met de Welaiat Faghih, het fundament van de islamitische poot van de republiek, dat wil zeggen het principe dat de geestelijken het laatste woord hebben, en niet de democratisch gekozen parlementariërs of president. Later zou hij veel definitiever afstand nemen (altijd in zijn subtiele taalgebruik) van de Welaiat Faghih. En belangrijker: hij zou de behoefte om de priesterkaste met God of een goddelijk concept in verband te zien, in twijfel trekken.

Ook al zullen zij het niet publiekelijk zeggen, voor de intellectuele zonen van Soroush – zoals Safa – belandde op dat moment de Wela iat Faghih in de prullenbak. Het point of no return is gepasseerd. Deze jonge liberalen geloven nu in geleidelijke democratisering. Geen revolutie maar evolutie, is hun nieuwe motto. Soroush articuleerde wat Safa en zijn maten diep hadden verstopt. «Wij waren soldaten van de islam en het was ondraaglijk en pijnlijk om te zeggen dat de oorspronkelijke idealen van de revolutie Iran aan de afgrond hadden gebracht. De kritiek van Soroush gaf ons lucht. Het was scherp als een scheermes én het kwam van een insider. De kritiek van deze vrome moslim en ideoloog van de revolutie in haar beginjaren kon niemand zomaar opzijzetten door hem tot spion van het Westen en vijand van de islam te verklaren, wat wel regelmatig gebeurde met de seculiere intellectuelen.»

Teleurgesteld door de revolutie begon Safa te lezen over politieke filosofie (zijn favoriete boek: Liberal Society and Its Enemies van Karl Popper). Hij was actief lid van de islamitische studentenvereniging. Toen hij en zijn generatiegenoten een jaar voor de verkiezingen van Khatami het bestuur van de islamitische studentenvereniging van hun universiteit overnamen, was al duidelijk dat er een nieuwe wind ging waaien in de binnenste cirkel van islamisten. De oude garde zei het zelf bij de overdracht: «Met jullie komt er een liberale stroming aan de macht.» Met de overwinning van de liberaal gezinde Khatami als president in 1997 begon een politieke lente voor Safa.

Inmiddels zijn we acht jaar en een golf van arrestaties en onderdrukking van studenten verder, hebben we een massale sluiting van kritische kranten, vervolging van journalisten en de grote overwinning van de conservatieven bij de laatste parlementaire verkiezingen achter de rug. Bij de volgende presidentiële verkiezingen in mei 2005 krijgt Iran zo goed als zeker een conservatieve president. Op z’n best komt de pragmatische maar machts beluste Rafsanjani terug op de zetel.

Gaan we nog 25 jaar islamisme tegemoet? Safa wil het niet zo somber zien. De seculiere liberale staat komt er, het is alleen een kwestie van tijd. Safa: «Toen ik nog geen week geleden op bezoek was bij een van de invloedrijkste bestuurders van onze stad begon zijn zoon tegen mij te klagen over het irritante gedrag van de zedenpolitie: dat zij hem en andere jongeren maar niet met rust laten. Ik moest op mijn tong bijten om niet te schreeuwen: je eigen stomme vader is de baas van die zedenpolitie! Als de afkeer tegen de religieuze staat zo diep in de huizen van de islamisten zelf is doorgedrongen, kan de geboorte van de seculiere staat niet lang op zich laten wachten.»