Amsterdam groeit etnisch uiteen

Hoe een zwarte wijk nog zwarter werd

Nu de anonieme flats zijn vervangen door rijtjeshuizen, lijkt de Bijlmer haast truttig geworden. Maar dat beeld is verraderlijk. Veel bewoners leven van de bijstand, en nog altijd is er veel criminaliteit. ‘Mensen zijn bezig met overleven.’

Als vanuit de Amsterdamse binnenstad een literaire avond wordt georganiseerd in het ­Bijlmer Parktheater, dan brengt een touringbus de bezoekers veilig naar dat vreemde, zwarte stadsdeel aan de rand. Dan vraagt presentatrice Christine Otten ter opening aan het publiek: wie is al eens eerder in de Bijlmer is geweest? Aan Kees van Kooten: is dit voor jou de eerste keer in de Bijlmer? En aan Gerda Havertong: dit is voor jou zeker thuiskomen? Ze bedoelde het goed, maar veelzeggend was het.

De directrice van het Bijlmer Parktheater, Ernestine Comvalius, liet na afloop van Bijlmer Boekt haar ergernis de vrije loop, over de spottende vragen die journalisten haar hadden gesteld: bevestigde de pendelbus niet juist alle vooroordelen? ‘Die vooroordelen kun je maar beter erkennen, en er iets tegen doen. Wat moet je dan doen? Niets?’

Ziehier het lastig te bevechten isolement van de Bijlmer, of Amsterdam-Zuidoost zoals het grotere gebied heet. Dat isolement is hardnekkiger dan dat van de andere Amsterdamse stadsdelen ‘buiten de ring’, en hardnekkiger misschien dan elke andere Nederlandse stadswijk. Eenzelfde avond naar De Meervaart in Osdorp, geografisch gezien op gelijke afstand van de Amsterdamse binnenstad, zou dan ook een touringbus rijden? Uitgesloten.

Meer dan een fysiek is de Bijlmer een mentaal eiland. Of misschien moet je zeggen: schiereiland van Amsterdam. Je vergeet soms gewoon dat het erbij hoort. Nog altijd. Ondanks de enorme operatie die twintig jaar geleden begon en bijna is voltooid: sloop van meer dan de helft van de flats, renovatie van het overige deel en het planten van laagbouwwijken die van de Bijlmer een gewone Amsterdamse wijk moesten maken.

Het aardigste resultaat van de vernieuwing is zichtbaar in de directe omgeving van het Bijlmer Parktheater. De Vogeltjeswei, een van de eerste opgeleverde laagbouwbuurten, eind jaren negentig, vernoemd naar de gekooide vogeltjes die Surinaamse mannen hier vroeger bijeenbrachten voor wedstrijdjes mooizingen. Het is al meer dan tien jaar een wijk met fatsoenlijke rijtjeshuizen, waar je je in elke willekeurige groeigemeente van Nederland kunt wanen. Alleen liggen de Amsterdam Arena en de Heineken Music Hall hier op loopafstand.

En de vernieuwde F-buurt, een levendig allegaartje naast winkelcentrum Amsterdamse Poort: opgeknapte restanten van flats, rijen met ‘aluminium’ prefabwoningen, maar ook gewaagdere blokkendoosachtige appartementsgebouwen en comfortabele gezinswoningen met garages onderin, aan een watertje. Er hangen slingers voor het raam. ‘Welkom thuis Rik.’

Schooljongens in de Patrice Lumumbastraat kijken vragend op als je uitlegt hoe het hier ooit was. Een oudere Surinaamse man zegt: ‘Ze komen terug hoor, de mensen die ooit uit de Bijlmer vertrokken omdat ze beter wilden.’ Het Bijlmer Parktheater zelf is het lekkerste toetje van de vernieuwing. Het ging twee jaar geleden open en opereert met redelijk succes. Bijlmer Boekt was uitverkocht. Maar kennelijk was een bus nodig.

De sloop van de oude Bijlmer begon ­onbedoeld op 4 oktober 1992 toen een El Al-boeing in de flats Groeneveen en Kruitberg vloog. Maar drie maanden eerder al had de Amsterdamse gemeenteraad besloten tot wat steeds taboe was geweest in naoorlogs Nederland. Door leegstand van soms een kwart van alle flatwoningen, en bijbehorende verloedering, liep de schuld van de enige woningcorporatie in de Bijlmer jaarlijks met miljoenen op. Zo kon het niet langer. De bouw werd gedreven door idealen, de sloop door geld.

Aanvankelijk zou het om een kwart van de flats gaan. Te beginnen in het hart van de Bijlmer, waarvandaan de ‘vernieuwing’ zich zou kunnen uitbreiden. Eenmaal ingezet werden ruim zevenduizend flatwoningen neergehaald; de rest werd opgeknapt tot 5800 flatwoningen.

Achteraf bezien is de betrekkelijke geruisloosheid waarmee de enorme operatie is verlopen verbazingwekkend. Dat de gebouwen niet werden opgeblazen moet zijn dempende werking hebben gehad. Het zou een allesvernietigend beeld hebben opgeleverd. In de Bijlmer haalden bulldozers de etages een voor een naar beneden. Maar dit is gebeurd: een heel stadje is opgeschud. Alle bewoners van de te slopen flats moesten verhuizen, die van de te renoveren woningen konden meestal blijven zitten. Alleszeggend: er laaide geen breed gedragen protest op. Het kon alleen maar beter worden. In enquêtes vooraf gaven bewoners massaal aan geen bezwaar tegen sloop te hebben, en best in te zijn voor een laagbouwwoning. Meer dan de helft zou ervoor kiezen in de Bijlmer te blijven, of in de directe omgeving, in Gaasperdam (samen: stadsdeel Zuidoost).

De transformatie van Nederlands meest getroebleerde wijk is bijna gereed, al kan ‘bijna’ lang duren als corporaties, ontwikkelaars en huizenkopers hun geld op zak houden, net voor de laatste, beslissende horde moet worden genomen. Die horde is de omgeving van metrostation Kraaiennest, waar een rondwandeling somber doet stemmen. Maar het zou flauw zijn de omvorming van de Bijlmer af te rekenen op de bouw- en financieringscrisis. Wie een rondgang maakt door de hele Bijlmer en herinneringen heeft aan eind jaren negentig, kan niet om deze conclusie heen: hier is een reuzensprong gemaakt. Op veel plekken is de wijk onherkenbaar veranderd, ten goede. Dat wil zeggen: er zijn nieuwbouwwijken verrezen zoals nieuwbouwwijken zijn – vaak eenvormig en zielloos, soms geslaagd. Het stratenplan met de brede ‘dreven’ is gehandhaafd, al zijn die verlaagd tot gewone wegen, wat de Bijlmer buiten de woonstraten ruimtelijk en winderig maakt – een fietser maakt er snel een verloren indruk. En altijd torent wel ergens een van de overgebleven flats boven de omgeving uit. Opgeknapte flats, dat wel.

Dit zijn inmiddels veelgehoorde klachten: het is hier truttig en het ontbreekt aan horeca en andere levendigheid. Anders dan de vroegere klachten: in mijn lift wordt almaar gepist en buiten krioelt het van de drugsverslaafden. In onderzoeken geven bewoners hun woon­omgeving een ruime voldoende. De leegstand – los van de crisis – is gereduceerd tot zo goed als nul, het voornemen om te verhuizen is afgenomen en de gemiddelde woonduur opgelopen naar zo’n tien jaar.

Anderhalf tot twee miljard euro hebben ontwikkelaars en corporaties gestoken in de nieuwbouw en renovatie, waarvan het merendeel moet worden terugverdiend door verkoop en exploitatie. De kelderboxen onder in de flats, bekend als verzamelplek voor verslaafden, illegalen en breezerseks, bestaan niet meer. Het zijn woningen en bedrijfsruimten geworden. De nieuwe winkelcentra Ganzenpoort en De Kameleon zijn hermetisch gebouwd, met nissen noch portieken, en beveiligd met camera’s. En behalve dat de traditionele heroïnejunken letterlijk uitsterven, zijn er meer opvangplekken gekomen – je ziet ze nog maar heel weinig in de Bijlmer. Het klinkt wat onmenswaardig, maar de meest obscure elementen zijn uit de Bijlmer geruimd. Alle flatwoningen, de hele fysieke structuur, is leeggemaakt en opnieuw ingericht.

Tot zover de fysieke verandering en de afgeslepen scherpe randjes. De wezenlijke sociale problemen heeft de vernieuwing, hoe kan het anders, niet opgelost. Zo zijn in de Bijlmer twee keer zo veel huishoudens afhankelijk van de bijstand als in heel Amsterdam. Ook wonen er buitensporig veel jonge, alleenstaande moeders. De Cito-scores op basisscholen zijn de laatste jaren weliswaar verbeterd, maar dat is in de rest van de stad ook gebeurd – het verschil is gegroeid. Helemaal als je dit in ogenschouw neemt: 29 procent van de kinderen in Zuidoost geldt als zorgleerling; de meesten van hen worden buiten de Cito-score gehouden, omdat ze die te veel naar beneden zouden halen. In Amsterdam-Zuid is dit negen procent (2010).

Het bracht Paul Scheffer in het zojuist verschenen rapport De staat van integratie tot de conclusie dat de meeste aandacht de laatste jaren weliswaar uitgaat naar Nieuw-West, met veel Marokkaanse en Turkse inwoners, maar dat Zuidoost, met een grote Surinaamse bevolking, minstens zo veel zorgen baart. ‘Met een deel van de Surinaamse gemeenschap gaat het minder goed dan vaak wordt aangenomen’, noteerde een voorzichtige Scheffer. 27 procent van de Surinaamse jeugd (15-25 jaar) in Nederland is werkloos, vergelijkbaar met de Marokkaanse jeugd.

Ook de teruglopende criminaliteitscijfers zijn verraderlijk. Het valt niet te ontkennen dat de Bijlmer aanmerkelijk veiliger is geworden, maar evenmin dat het op een hoop gooien van alle delicten verhullend werkt. In de Bijlmer wordt globaal gezien twee keer zo vaak aangifte gedaan van bedreiging, mishandeling, straatroof en overvallen als in de rest van de stad. Jongeren tussen de twaalf en zeventien jaar worden er drie keer zo vaak opgepakt voor straatroof. Er wordt vaak gezegd dat de veiligheidsbeleving niet zou corresponderen met de cijfers, dat de ‘subjectieve’ veiligheid misleidend is. Maar misschien drukt de dreiging om op straat met een mes of pistool te worden belaagd gewoon zwaar, ook al heb je het zelf nooit ervaren.

In 2009 werd vlak bij Kraaiennest de negentienjarige Ishmael Gumbs doodgeschoten, nadat hij in het winkelcentrum de vijftien­jarige vriendin van de toen 34-jarige Maikel S. had beledigd. In hetzelfde jaar doorzeefden vier leden van rapformatie Green Gang een vast­gereden auto op de Bijlmerdreef met kogels. Het waren incidenten, inderdaad. Incidenten die het beeld van de Bijlmer bezoedelen. Maar dat die incidenten in de Bijlmer plaatsvonden, is niet helemaal toevallig.

Een week voorafgaand aan Bijlmer Boekt belegde de lokale vvd in het Bijlmer Park­theater een debat over het imago van Zuidoost, dat maar zo achterblijft bij de werkelijkheid, zo klinkt het vaak in Zuidoost. Klagen over het imago is onlosmakelijk verbonden met de jonge geschiedenis van de Bijlmer. In 1983 reden Bijlmer-bewoners luid claxonnerend in optocht naar Hilversum, na een weinig vleiende documentaire van Veronica over de wijk.

Directeur van het bureau citymarketing van Zuidoost, Arno Gorissen, vertelde hoe moeilijk het was geweest Endemol te overtuigen naar het bedrijventerrein te komen aan de andere kant van het trein- en metrospoor, bij de Arena. Toen Endemol het voornemen bekend had gemaakt, enkele jaren geleden, kwamen medewerkers in verzet. De Bijlmer!? Het zou de grootst mogelijke moeite, en de persoonlijke inzet van politie­commissaris Ad Smit hebben gekost om de komst van het nieuwe tv-complex veilig te stellen. Inmiddels zijn veel grote bedrijven gevestigd in Zuidoost – het fraaie hoofdkantoor van ing staat zelfs midden in winkelcentrum Amsterdamse Poort. ‘Toch is het imago van Zuidoost voor andere bedrijven nog altijd een reden om hier niet te komen’, zei Gorissen.

‘De andere kant van het spoor’: sinds een jaar of tien een gevleugelde uitdrukking in Zuidoost. Het is de makkelijke verbeelding van de scheiding tussen de zakenwereld enerzijds en de Bijlmer aan de andere kant. De hoop was dat Bijlmer-bewoners zouden profiteren van de komst van de Arena (1996) en de toegenomen bedrijvigheid daaromheen. En ook: dat werknemers van die bedrijven in de nieuwe lage buurten van de Bijlmer zouden gaan wonen. Waarom niet? Nieuwe, grote huizen, lekker dichtbij.

Het komt er niet echt van. Van allebei niet. ‘We hebben hier nog altijd een schrijnend tekort aan bewoners met een hoger inkomen’, luchtte vvd-stadsdeelbestuurder Emile Jaensch zijn hart. Hij was eerder bestuurder in Oud-Zuid, een heel andere wijk van Amsterdam, met Alleen maar nette mensen. ‘De meeste sport en cultuur draait hier op subsidies, in plaats van op inzet van ouders en inwoners’, zei Jaensch. ‘Mensen zijn bezig met overleven. Het ontbreekt aan maatschappelijk cement.’

Waarover niet werd gesproken, waarover zelden wordt gesproken, is dat de Bijlmer de afgelopen twintig jaar zwarter is geworden. Officieel was een etnisch meer diverse samenstelling geen doelstelling van de vernieuwing. De Bijlmer moest sociaal-economisch diverser worden, mensen met hogere inkomens vasthouden en aantrekken. Dat is een klein beetje gelukt. Het gebeurt min of meer vanzelf als je sociale huur (alle dertienduizend oude flatwoningen waren sociale huurwoningen) deels vervangt door duurdere huur en koop. Twintig procent van de woningen in de Bijlmer is inmiddels eigendom van de bewoner.

Maar de onuitgesproken hoop was dat de Bijlmer ook aantrekkelijk zou worden voor de – veelal blanke – middenklasse. Die laat de Bijlmer nog altijd links liggen. Eerst kwam men niet omdat de wijk te hoog, te groot en te anoniem was. Nu de wijk is veranderd komt men nog steeds niet. De middenklasse die is gekomen (of is opgeklommen binnen de wijk) is zwart. Vooral Surinaams, ook wel Antilliaans en een beetje Afrikaans.

In de Vogeltjeswei streken ruim zevenhonderd inwoners neer, van wie vierhonderd Surinaams en negentig ‘autochtoon’. En zo is dat sindsdien gebleven. In de F-buurt: 3500 nieuwe inwoners, van wie de helft Surinaams, ruim tweehonderd Antilliaans en vierhonderd autochtoon. Voordat de laagbouwwijken verrezen, was ruim een kwart van alle Bijlmer-bewoners blank Nederlands; dat percentage is met de vernieuwing gedaald, naar onder de negentien procent. (Deze cijfers van Bureau Onderzoek en Statistiek gaan over de Bijlmer plus het nabijgelegen Venserpolder. Voor de Bijlmer alleen liggen de percentages nog lager). In de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam, waar eveneens wordt gesloopt, gerenoveerd en gebouwd, zie je eenzelfde trend, alleen zijn degenen die daar in de nieuwe koop- en huurhuizen trekken vaak Turks en Marokkaans. Zo groeit de stad etnisch uiteen.

De Bijlmer heet multicultureel te zijn. Maar inwoners van Turkse of Marokkaanse origine telt de wijk nauwelijks (een en twee procent). De Bijlmer is een Afro-wijk, meer dan ooit. Het aantal Ghanezen is er de afgelopen twintig jaar met ongeveer de helft toegenomen, naar bijna zesduizend. En dat zijn alleen de bewoners. Er zijn ook nog bezoekers. Wie op een zondag de bus neemt vanuit Amsterdam-Oost naar de Bijlmer, ziet meestendeels Afrikanen instappen, op weg naar familie en kerk. Het nieuwe kerkgebouw De Kandelaar bij metrostation Ganzenhoef huisvest vijftien genootschappen, voornamelijk Ghanees. In de enkele ­overgebleven parkeer­garages zingen en dansen de andere kerkgangers, onder namen als Redemption Faith Ministries. Op stille zondagmiddagen zijn het voornamelijk Ghanese families die je over straat ziet gaan.

De lokale politiek is een aardige weerspiegeling van de veranderende getalsverhouding. In de jaren negentig vochten politici en ambtenaren in Zuidoost dwars door de partijen heen, maar vooral binnen de pvda, nogal eens een ‘zwart-witstrijd’ uit – dat soort expliciete termen waren toen al gangbaar. Voorafgaand aan de laatste verkiezing, eind 2009, was de strijd ‘zwart-zwart’ geworden, Surinaams versus Afrikaans. Het ging om de vaststelling van de kieslijstvolgorde van de pvda, nog altijd de allesoverheersende partij, en daarmee om de vraag wie stadsdeelvoorzitter zou worden. De Surinaamse kandidaat Marcel La Rose won, met grote moeite. Een ‘witte’ stadsdeelvoorzitter is sinds 1998 uitgesloten. Aan de ‘eigen’ cultuur van de Bijlmer heeft de vernieuwing weinig veranderd. De _black hair-_shops, de markten, de feesten. En ook: de snorders, illegale taxi’s. Er rijden er honderden, nog altijd, omdat het nu eenmaal lastig verbieden is dat iemand zich door een kennis voor de deur laat afzetten en hem wat geld toestopt voor de benzine. Reguliere taxi’s zie je in de Bijlmer niet of nauwelijks.

De wijk kan ook hoopvol stemmen. In het hart van de vernieuwde Bijlmer staat de Open Schoolgemeenschap Bijlmer (osb) voor vwo/havo/vmbo, waar je in een Benetton-commercial rondloopt, met lachende kinderen, vriendschappen en verliefdheden dwars door alle etniciteiten heen. Maar dit is het verschil: de osb heeft zo’n goede naam, is zo’n prettige school, dat kinderen vanuit omliggende gemeenten als Diemen en Ouderamstel er dagelijks naartoe komen fietsen. Veertig procent komt van buiten.

De Bijlmer, als woonplaats, is niet aantrekkelijk voor buitenstaanders. Weliswaar komt de helft van de nieuwbouwkopers van buiten Zuidoost, maar veelal hebben zij ‘iets’ met de Bijlmer. Ze hebben er ooit gewoond, kennen de wijk van familie of vrienden. Ze weten dat het er aan­genaam en levendig kan zijn. Sommigen vinden het prettig om in een buurt te wonen waar zij zelf de norm zijn, nooit ‘de ander’.

Een Surinaamse man die in Amsterdam-West woont, zei na afloop van de imago-avond in het Bijlmer Parktheater: ‘Laten we eerlijk zijn: als je op metrostation Ganzenhoef arriveert en je neemt de roltrap naar beneden, dan staan langs de Bijlmerdreef allemaal zwarte mannen. Ik kan me voorstellen dat mensen zich daar niet thuisvoelen. Sterker, ik geloof dat ik me daar niet thuisvoel.’

Nu zijn werkelijke motieven waarom mensen ergens willen wonen moeilijk te achterhalen, en nog lastiger uiteen te rafelen. Maar ze komen samen in de markt. En dit is wat de markt zegt. De betere koophuizen in de Bijlmer kosten 1800 euro per vierkante meter, elders in Amsterdam al snel vierduizend euro. Een huis dat in Diemen drie ton kost: eenzelfde huis, in eenzelfde soort wijk, op ongeveer dezelfde afstand van de Amsterdamse binnenstad, kost in de Bijlmer twee ton. Ook dit verschil is de afgelopen twintig jaar gegroeid. Je kunt zeggen: men wil nog minder graag in de Bijlmer wonen dan voorheen.


Van utopie tot afvoerputje

De oorspronkelijke opzet van de Bijlmer is nog maar op één plek te zien: tussen de metrostations Ganzenhoef en Kraaiennest. Je kunt er onder de hooggeheven betonnen spoorbaan doorlopen van de metro die eigenlijk geen metro is, elfhonderd meter lang. Dichter bij de intimiderende flats die aan weerszijden staan, dringt deze vraag zich onvermijdelijk op: hoe mensvreemd waren de mensen die dit ooit hebben verzonnen?

De Bijlmer moest een stad worden van honderdduizend inwoners, vrijwel allemaal ondergebracht in honingraatflats. Ze zouden van de metrostations naar huis lopen zonder een auto tegen te komen. De Bijlmermeer is uitzonderlijk, voor Nederlandse begrippen, en op wereldschaal opmerkelijk – de bouw ervan, én de afbraak die later volgde. Joop de Haan, directeur van het projectbureau Vernieuwing Bijlmermeer, kreeg in december nog bezoek van een stevige delegatie uit Osaka, waar ter lering twee grote maquettes van de Bijlmer worden gebouwd: een van voor en een van na de vernieuwing.

Om geld te besparen werden de oorspronkelijke bouwplannen versoberd. Geen ‘binnenstraat’ maar ordinaire galerijen; tien verdiepingen in plaats van acht; gemeenschappelijke ruimtes onder in de flats in plaats van in het groen ertussen. Die imperfecties worden door een hardnekkig groepje overtuigde Bijlmer-bewoners, verenigd onder de fraaie geuzennaam Bijlmer-believers, nog steeds wel eens als oorzaken genoemd voor het mislopen van de utopie – zoals overtuigde communisten lang volhielden dat het systeem wel werkte, maar het schortte aan de uitvoering.

Door anderen wordt vaak gedacht dat het misging toen de Surinamers na 1975 massaal voor Nederland kozen en in de Bijlmer neerstreken. Maar daar ging iets aan vooraf. Surinamers zouden in groten getale de Bijlmer bevolken, omdat bijna niemand anders er wilde wonen. Degenen die kwamen, hadden veelal geen alternatief. Zodra ze dat wel hadden, vertrokken ze – ook veel Surinamers zouden dat doen. De Bijlmer werd een doorvoerwijk, een tussenstap op weg naar beter. Het was er te groot, te hoog, te monotoon, te anoniem. De stedenbouwkundigen van Amsterdam zouden dat al in 1974 min of meer erkennen.

Twee ontwikkelingen zouden het straatbeeld in de Bijlmer behoorlijk beïnvloeden. Allereerst de komst van Afrikanen in de jaren tachtig, vooral Ghanezen. In de Bijlmer waren grote, luxe woningen beschikbaar. En in de Bijlmer voelden ook illegale Afrikanen zich redelijk op hun gemak, gedekt als ze waren door hun netwerk en de aanwezigheid van Surinamers; zwarte mensen vielen er niet op. In de flats openden ze hun ‘ondergrondse’ eetgelegen­heden en cafés, in de parkeergarages was ruimte voor Ghanese kerken.

En eind jaren zeventig zou de metro de Amsterdamse binnenstad met de Bijlmer verbinden. Of in de gloriejaren van heroïneverslaving: de Zeedijk met de Bijlmer. De Bijlmer werd definitief het afvoerputje van de stad.