Hoe erg het allemaal wel niet was

Elie Wiesel
Nacht
uit het Frans (La Nuit, 1958) vertaald door Kiki Coumans, Meulenhoff, 144 blz., € 16,95

Elie Wiesel (1926) beschouwt dit boek over zijn belevenissen als vijftienjarige in Auschwitz en Buchenwald als zijn enige echte kampverhaal. Met de zegen van Oprah Winfrey krijgt het nu een nieuwe miljoenenoplage, waarvoor een nieuwe Engelse vertaling gemaakt is. In de nieuwe Nederlandse staat dat het boek herzien is; hoe precies is onduidelijk. Als de jongen al meteen na vertrek in de trein jongeren ziet paren, is dat in de nieuwe vertaling strelen geworden. Bedoeld was dat de dreigende dood instincten de vrije loop liet, maar op dat moment wist nog niemand dat het een reis naar het dodenkamp was. Wiesel schreef zijn verhaal eerst in het Jiddisj, zwakte het voor publicatie in het Frans af, waarna de Franse uitgever ook nog het een en ander schrapte.

Wiesels verhaal begint in 1941 in Sighet, een plaatsje in Transsylvanië oftewel Siebenbürgen in Noordwest-Roemenië, sinds 1940 Hongaars. In het voorjaar van 1944 begonnen in Hongarije de massale deportaties, ook in Sighet, waar de joodse bevolking het niet kon en wilde geloven. Vader en zoon Wiesel worden in Auschwitz meteen van moeder en dochter gescheiden en na drie weken nietsdoen in Auschwitz-Buna te werk gesteld tot de evacuatie begin 1945. Na de dodenmars en treinreis naar Buchenwald sterft de vader daar, en Elie zelf wordt op 11 april bevrijd.

Waarom werd juist dit boek zo beroemd? Wiesel laat niets zien, dat is het opmerkelijke, hij geeft nauwelijks beschrijvingen, van het kamp noch van andere gedeporteerden. Als hij niet met zijn vader bezig is dan wel met die andere, God, die dit alles zomaar toelaat. Wat een ooggetuigenverslag heet te zijn bestaat voornamelijk uit exclamaties hoe erg het allemaal wel niet was. De oorspronkelijke titel, En de wereld zweeg, is Elie’s verzuchting wanneer hij bij aankomst in Auschwitz mannen en vooral kinderen levend in het vuur geworpen ziet worden.

De jongen wist bij aankomst niks en toch alles, en het boek heeft Wiesel meteen als getuigenis bedoeld, niet als verslag maar als bewijs. Terwijl het verhaal het lot van de vijftienjarige op de voet volgt, kijkt de jongen vanaf het begin met een blik opzij naar het wereldtribunaal. De geëxalteerde toon was er ook nog in 1986 toen Wiesel het in zijn Nobelprijsrede had over: ‘Het brandende altaar waarop de geschiedenis van ons volk en de toekomst van de mens geofferd dienden te worden.’ Daarvoor had hij het woord holocaust bedacht.