De vloeibare Bruckner van Nézet-Séguin

Hoe flink moet je zijn met Bruckner?

Met een obscuur Canadees orkest maakte Yannick Nézet-Séguin, chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch, lovend ontvangen opnamen van Bruckners laatste drie symfonieën. Voor Bruckners Achtste is evenwel meer moed nodig.

DE BRAND MARKETING heeft het orkestwezen bereikt. Bruckners Achtste door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin wordt volgens zijn tekstschrijvers een trendbreuk. ‘Onthullend nieuws: Bruckner was een impressionist. Luister maar naar zijn Achtste met Yannick Nézet-Séguin. Vanuit de verstilde opening bloeit de symfonie op als een magistrale zonsopgang die de wereld in lichterlaaie zet.’ Dat is geestig. Die zon moet opschieten. Zijn opkomst wordt zijn ondergang. Als na een trapsgewijs aanzwellend, ambivalent begin in maat 23 het intimiderende hoofdthema voor het eerst fortissimo wordt geblazen en gestreken is zijn lot bezegeld. Bruckners Achtste is een angststuk. De wereld staat niet in lichterlaaie. Hij beeft, lang en hevig, van opstand naar inzinking en vice versa. Het openingsdeel is van meet af aan één lange golfbeweging van symbolisch stijgende en dalende figuren. Volgt een hoogdramatische symfonie van, onder Yannick, anderhalf uur in de toonsoort van Beethovens Vijfde, groots bezet met groot strijkorkest, drievoudig hout en veel koper, met in de meest gespeelde variant wagnertuba’s als wisselinstrument voor vier van de acht hoornisten. Voor het eerst gebruikt Bruckner harpen, drie maar liefst, en zelfs die paar druppels parfum brengen hem niet in de buurt van Debussy.
Bruckners (1824-1896) oeuvre blijft in de Achtste verankerd in het klassiek-romantische ontwikkelingsdenken. Zijn symfoniemodel is geen techniek van kijken maar van voortbewegen. De statische bezinningsepisoden met pre-mahleriaans dolende houtblazers en stamelende strijkers vertragen dat proces zonder het destructief te ondermijnen. Een thema blijft een bouwsteen met een oorsprong en bestemming. Tussen begin- en eindpunt staat de evolutie van zijn materiaal, een groeiproces dat het muteert zoals de tijd de mensen tekent. Het hoofdthema dat in de slotmaten van het openingsdeel moegestreden in de grondtoonsoort c-klein landt heeft hoorbaar een geschiedenis doorgemaakt.
Bruckner laat de vierdelige symfonische vorm intact, hoewel het scherzo voor het eerst aan het adagio voorafgaat, een van Beethovens Negende afgekeken strategie die in zijn onvoltooide Negende zal worden voortgezet. Beethoven blijft toetssteen voor de vorm, zoals Wagner het zal blijven voor de harmoniek. In zijn Derde volgt Bruckner op het constructieve plan de weg van Beethovens Negende, minus koor. In zijn Achtste is het orkest zelf koor geworden. Het koper blaast er donderspreuken als één man. Waar licht schijnt komt het schitterend maar desolaat in de verchroomde harppartijen, met stralen als verdwaalde resten van geloof in een eeuwige zaligheid die de zangthema’s van het adagio zo vurig aanroepen. Impressionist - hoe krijgt Yannicks pr het door de strot.
De metaforiek blijkt afkomstig uit de koker van de Britse muziekpublicist Norman Lebrecht, die bij de eerste maten van Yannicks eerste Achtste op cd aan ochtendgloren dacht - en vervolgens geen tragedie heeft gehoord. 'What follows is impressionistic rather than descriptive.’ Yannick, schrijft hij, is erin geslaagd een vaak gesmade Bruckner-megalomanie buiten de deur te houden. Deze Achtste 'is a representation of the mystery and wonderment of nature’. Zou het werkelijk? Bruckners hulpeloze, onvertaalbaar verwarde uitleg in een brief aan de dirigent Felix Weingartner, die in 1891 aankondigt de Achtste uit te willen voeren maar daar na zijn aangekondigde promotie naar Berlijn van afziet, duidt echt op andere bedoelingen. 'In het eerste deel is de trompet- en hoornfiguur op het ritme van het thema de Todesverkündigung, die steeds sterker en uiteindelijk zeer sterk naar voren treedt; aan het slot: de overgave. Scherzo: het hoofdthema Deutscher Michael genoemd; in de tweede episode wil de kerel slapen, en in zijn roes kan hij zijn wijsje niet meer vinden; klagend keert hij om. Finale. Onze keizer kreeg in Olmutz de tsaar op bezoek; daarom strijkers: kozakkenrit; koper: militaire muziek; trompetten: fanfare, hoe de majesteiten elkaar ontmoeten. Tenslotte alle thema’s; (komisch), zoals bij Tannhäuser in de tweede akte de koning komt, zoals de Duitse Michael van zijn reis terugkeert, baadt alles in glans. In de finale ook de dodenmars en dan (koper) Verklärung.’
Wie het snapt mag het zeggen. Wie gaat er dood, of wordt het toch - want dat behelst Verklärung - een wonderbaarlijke herrijzenis? Welke rol heeft Bruckner in gedachten voor zijn Deutscher Michael, de Duitse Klaas Vaak met zijn slaapmuts? Is hij het misschien zelf, de naïeve volksmens die zijn plaats moet vinden in de veel te grote wereld die hij tegen wil en dank zelf heeft geschapen met een partieel genie dat hij menselijkerwijs niet kan doorgronden, een labyrint van doorgeslagen contrapunt en steeds geavanceerder chromatiek?
Als hij het zelf niet weet, moet een ander het maar voor hem doen. Voor de Weense première in 1892 vervaardigt Josef Schalk een weliswaar onleesbare maar coherente toelichting, waarin het geweld van de Achtste veilig wordt toegeschreven aan Kronos en Prometheus, de gangbare titanische gevechten met het noodlot. Eerste deel: 'Die Gestalt des aischyleischen Prometheus - Dumpf grollende Trotz, in der Vermessenheit titanische Kraftgefühles sich emporhebend - leiden und ringen.’ Of Bruckner zelf begreep wat Schalk bedoelde, je betwijfelt het. Wat hij wel goed zag is dat het werk als artistieke daad boven hem uitsteeg. Mijn Achtste, schreef hij, is een mysterie.

DE ENTREE van een dirigent in de Bruckner-arena is altijd een moment van gewicht. Hij wordt er gewogen als een nieuwe paus door de katholieken. Met de stopwatch bij de hand leggen de fans hem langs de meetlat. Deugen de tempi? Is hij streng genoeg? Is hij humaan genoeg? Hoort hij qua duiding van de Schrift bij de rekkelijken of de preciezen? Kan hij heilig worden?
De meer actuele vraag is of de aspirant-maestro van nu de Heilige Stoel überhaupt met de vereiste heldenmoed durft te bestijgen. De musicoloog Benjamin Korstvedt wijdt in zijn studie van Bruckners Achtste een hoofdstuk aan de uitvoeringspraktijk van de symfonie, met als belangrijkste conclusie dat de meeste grote dirigenten van de afgelopen decennia zich minder interpretatieve vrijheden veroorloven dan hun voorgangers. Ze kiezen voor dienstbaarheid aan het werk, in plaats van het als mede-Titanen naar hun hand te zetten met de grandeur van een Wilhelm Furtwängler, die de Achtste dirigeerde als een laatste oordeel. Tegenover Furtwängler, die er geen gras over liet groeien dat hij in de Achtste 'Kämpfe der Dämonen’ hoorde, staat de relatieve objectiviteit van de onzen. Het is geen ontwikkeling die hem tot vreugde stemt, schrijft Korstvedt. 'Now it is easy to feel that the Eighth has become all too tame and has lost much of the urgent excitement and demonic struggle that emerged from it a century, or even half a century, ago.’
Ik zou het anders zeggen. Ik denk dat de meeste jonge maestro’s zich niet aan heldendom durven te branden. Moed is uit. Wie dat tij ook zal keren, niet de behoedzame Nézet-Séguin, die in het slot van de Achtste weliswaar 'alle klokken van de wereld’ hoort luiden, maar Bruckner liever veilig als een componist van 'ruimten’ opvat, een landschapsarchitect. Op het eerste gehoor lijkt hij aansluiting te zoeken bij de meditatieve, boeddhistische Bruckners van Sergiu Celibidache. Hij is langzaam. Hij is kalm. Bijna zou je Lebrecht toch gelijk geven. Nézet-Séguin, geen gering temperament, bouwt de spanning zo geleidelijk op dat die eerste fortissimo’s geen bressen slaan. De impressionist is de dirigent die Bruckners vergezichten opneemt alsof het geen constructies maar impressies zijn. Hij fraseert eleganter dan de gemiddelde Europese kapelmeester, haast met de Franse slag. Lichte aarzelingen verraden een zeker ontzag voor de kopermassa’s, alsof hij zich voor grote ontladingen moet vermannen.
Nee, hij is geen Celibidache. Wat bij Nézet-Séguin ontbreekt is klankgewicht, de stoïcijnse rust waarmee die reus op klankdichtheden koerste. Je hoort talent, en veel, geen moed. De gezochte, introspectief-dwalende toon wordt ondersteund door frequente ritardandi die de partituur niet altijd voorschrijft, wat geen schande is, maar die ik graag vergezeld had gezien van een minder passieve tempodramaturgie op macroschaal, het grote eb en vloed waar de vorm toe uitdaagt. De even aanvechtbare als effectieve versnellingen waarmee Furtwängler en Jochum de doorwerking van het openingsdeel dramatiseren blijven uit.
Het Orchestre Métropolitain du Grand Montréal is niet berekend op het zware werk. Aan de rafeltjes in zachte strijkers en het fletse, niet overal zuivere koper hoor je dat het bewonderenswaardig gedrilde ensemble geen toporkest is. Er moet een wet komen die voorschrijft dat je dit repertoire alleen met eersteklas orkesten doet. Staat er bij Bruckner breit und ausdrucksvoll, dan is het dat bij Furtwängler, Jochum en Karajan ook omdat hun musici de kracht hebben. Het hoofdthema van het adagio is niet breit gestrichen. Voor de instructie breit und markig zijn de strijkers geen partij. De gediviseerde violen die de harpen begeleiden, bij Karajan de sidderende lucht boven een gloeiend zomerlandschap - ze zinderen niet. Weg mysterie.
Bruckner-novieten zullen toch wel onder de indruk zijn. Ervaren discofielen herinneren zich wat ze missen. In het gezelschap van de Bruckner-groten is Nézet-Séguin een tikje bleu. Dit is de lezing van een man die nog niet voldoende met dat reusachtige klanklichaam is vergroeid om die vreemde spierballen te durven laten rollen, mocht hij dat al willen - en juist dat is soms de vraag. De zen-modus is misschien een typische beginnersreflex op Eerste Bruckners. Het is niet niks wat je overkomt. Waar te beginnen? Hoe flink moet je zijn? Eerst maar eens proefdraaien. Je laat je stom van verwondering meevoeren, naar vermogen meehummend, 'zart’, 'feierlich’ of 'innig’ waar het staat en verder op de tast. Voorstelbaar is dat de fysieke, dynamische Bruckner pas komt zodra je hebt begrepen dat de heilige ook mens is.
Toch denk ik dat Nézet-Séguin een van de belangrijke Bruckner-dirigenten van de komende decennia wordt. Ik hoor het niet in de Achtste. Wel aan zijn opname van de Zevende symfonie, misschien ook een Bruckner die beter bij hem past; een lyrische, serene. Er is gevoel voor mysterie in deze dirigent, die me vertelde dat hij als jongen almaar kruisen tekende. Is de Achtste een nachtmerrie, het eerste deel van de Zevende is een droom, en helemaal bij hem. Een grootse fantasie als een brede stroom, gevoed door aandrang zonder woede, zonder schonkigheid. Het eerste deel één continue zang, soms iets zwaar ademend of het te warm is, een zomer op een berg waar de door nummer Acht verzwolgen zon nog soeverein de koelte kon verdrijven. Dit alles pal onder een volmaakt heldere lucht, al bijna in Gods koninkrijk, een klaar mysterie dat als ether vloeit in een oneindigheid waarvoor de dirigent de hemel dankt met de muziek die haar verwekte. Het openingsdeel van Yannicks Zevende is de meesterproef die aantoont dat hij heeft begrepen wat hem wacht. Zijn Rotterdamse Achtste zal luider en sterker zijn, gok ik. Dat zijn daadkrachtige orkest hem moge uitdagen zichzelf voorbij te streven.


Het Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin speelt Bruckners Achtste symfonie op 16 september in De Doelen, Rotterdam. Zie www.gergievfestival.nl