Interview: Boris Johnson

«Hoe gaat het trouwens met Piet Dankert?»

De zonderling Alexander Boris de Pfeffel Johnson, hoofdredacteur van The Spectator, mag van veel Britten de nieuwe leider van de Tories worden. Iedereen wil wel een praatje met hem maken.

Enkele weken geleden gebeurde er iets opmerkelijks tijdens Question Time, het televisieprogramma waar Britse politici, ver weg van het veilige Westminster, worden blootgesteld aan het cynische kiezersvolk. Normaal gesproken moet de vader van de BBC, David Dimbleby, verbale lynchpartijen zien te voorkomen. Maar opeens zat daar een politicus die mensen in positieve vervoering bracht. Sterker, er klonk een ovatie toen hem werd gevraagd of hij leider van de Conservatieve Partij wilde worden.

De diplomatenzoon Alexander Boris de Pfeffel Johnson (New York, 1964) is een curieuze verschijning. Het gebeurt niet vaak dat iemand die op Eton heeft gepuberd, op Oxford de klassieken heeft bestudeerd en van rugby houdt een zoon van het volk wordt die hand tekeningen uitdeelt aan landgenoten op Griekse eilanden en die zijn naam terughoort («There is only one Boris Johnson!») op voetbal tribunes. Een deel van zijn populariteit heeft de hoogblonde parlementariër te danken aan een geestig en prijswinnend optreden bij een ander BBC-programma, Have I Got News For You. Van de ene op de andere dag was hij «People’s Boris» en de Blondie van Westminster. Zelf houdt hij het bij een «langzaam kauwende pandabeer».

Dat hij bij de strijd om het leiderschap van de Conservatieve Partij niet als serieuze kanshebber wordt gezien – wie bij de bookmakers een pond inlegt krijgt minimaal 66 pond terug als Johnson onverhoopt komt bovendrijven (de kans dat hij de nieuwe James Bond wordt is 500 tegen 1) – komt, behalve door een buitenechtelijke affaire (een Tory-specialiteit) door zijn hoofdredacteurschap van het weekblad The Spectator. Zijn partijgenoten weten niet of hij een journalist is die in zijn vrije tijd de kiezers van Henley on Thames vertegenwoordigt, of andersom.

Ik was dan ook nieuwsgierig waar ik hem zou ontmoeten om hem te spreken over de erfenis van Margaret Thatcher, het succes van New Labour en de crisis in Europa. In Westminster of op de redactie? The Spectator is gevestigd in een terrace house aan Doughty Street, op de grens van de Londense wijken Bloomsbury, traditioneel het domein van de «chattering classes», en Clerkenwell, door Londen-biograaf Peter Ackroyd aangeduid als het «shadowland» van Londen. In vroeger tijden zetelden hier mensen en ge meenschappen die nergens anders bij hoorden. Gebedsgenezers, vrijmetselaars, actrices, Quakers, tot en met Ierse socialisten. Tegenwoordig is dit stukje Camden het domein van juristen, notarissen en architecten. Het huis aan Doughty Street waar Charles Dickens 58 jaar heeft gewoond, is een reliek uit het verleden.

Boris Johnson is er nog niet, vertelt de receptioniste. Maar ik kan gerust even rondkijken. De ingewanden van het pand doen dienst als permanente tentoonstellingsruimte voor een expositie van spotprenten. Bij het oudste Engelstalige weekblad van de wereld overtreft het aantal cartoonisten bijkans het aantal redacteuren, een teken dat menselijke en vooral politieke ambities hier met vrolijke scepsis worden gadegeslagen. Het toilet – in de kolommen van The Spectator rouwde Charles Moore onlangs over de teloorgang van de uitdrukkingen «lavatory» en «jakes» ter redactie – is ook een bezienswaardigheid. Het hangt vol met covers. Op één ervan wordt de baas geciteerd: «I saw Victoria Beckham’s bottom». The Speccie (oplage: 65.000) is niet alleen conservatief, maar ook een tikje ondeugend.

De gastheer laat op zich wachten. «Boris is always a bit uncertain», zegt een oudere redacteur glimlachend. Een klusjesman vraagt of ik hem wil helpen bij het opmeten van de muur. «Meneer werkt hier niet. Hij is een gast van Boris», sputtert de receptioniste. «Geeft niet», zeg ik en bied mijn tweede linkerhand aan. Met onverwacht succes. «Je krijgt de baan wel», lacht de klusjesman. «Hij is hier om Boris te interviewen», corrigeert de receptioniste vinnig. «Trouwens, hoe laat was die afspraak ook al weer?» vraagt ze, terwijl haar ogen The Daily Telegraph even loslaten. Ze belt Boris. Alle verbindingen eindigen op voicemail. «Waarschijnlijk zit hij op de fiets», verklaart ze. Voordat ik wil tegenwerpen dat hij een paar maanden geleden nog een vendetta voerde jegens een partijgenoot die het bellen op de fiets wil verbieden, sterker, dat hij een paar jaar terug al bellend bij een botsing betrokken raakte, waarna hij het klagende slachtoffer bestempelde als een «bossy Islingtonian female who becomes a health minister in the New Labour government» om er achter te komen dat de vrouw een Conservatief was, gaat de telefoon. Boris. Hij blijkt in de BBC-studio’s te zitten. Lichte verwarring.

Net op tijd struint zijn eigen secretaresse Ann binnen, met haar hondje, dat ze dagelijks meeneemt. Uit haar administratie blijkt dat ze twee afspraken heeft verwisseld. «Betekent dit dat hij twee uur te vroeg bij de BBC is?» durf ik niet te vragen. Een oer-Engelse litanie van verontschuldigingen voor het gerezen ongemak volgt, alsmede de vraag of ik over anderhalf uur wil terugkomen. Dat kan. Het geeft gelegenheid nog uit Lend Me Your Ears te lezen, de verzamelde journalistieke stukken van Johnson. Over hoe gouverneur George «Dubya» Bush reageerde op zijn Che Guevara-horloge («Now, that’s an interesting statement. We’re kind of tough on people like that down here, so be careful») en hoe hij zich, in de slipstream van Tony Blair, opeens in de Oval Office bevond en van de gelegenheid gebruik maakte om Bill Clinton een stoute vraag te stellen.

Tegen twaalven loop ik Ann en haar hondje, met tennisbal, tegen het lijf in Doughty Street. Goede tijding. Boris blijkt op weg te zijn. Of ik alvast plaats wil nemen in zijn kantoor op de eerste verdieping, in de kamer met de begiona’s voor de ramen. Ook hier hangen spotprenten, ditmaal met Boris als geportretteerde. Zelfspot, een kwaliteit die Nederlandse politici ontberen, zelfs de anglofiele. Maar ook foto’s van zijn vrouw, dochter van een bekende BBC-journalist, en zijn vier kinderen. Op de boekenplank staan de werken van verschillende Conservatieve politici, ook van Johnson zelf. Britse politici spreken niet alleen stijlvol, ze zijn ook gezegend met een gouden pennetje. Benjamin Disreali, Winston Churchill, Matthew Parris, Douglas Hurd, Jeffrey Archer, Alan Clark en William Hague…

Vrijwel ongemerkt wandelt Boris binnen. «Vertel, wat wilde je weten», klinkt zijn basstem. Hij spreekt langzamer dan op de televisie. «Heb je toevallig een exemplaar van De Groene bij je?» Met interesse bestudeert hij de voorpagina met de totempalen. Na te hebben geïnformeerd wat «overleven» betekent – «After life?» – geeft hij een kort college over een primitieve eilandgemeenschap die zo kortzichtig was om alle bomen te kappen en daar standbeelden van te maken, waardoor de grond dermate verarmde dat er geen landbouw meer mogelijk was. Landbouw en uitstervende gemeenschappen: de link met Europa is snel gelegd.

Boris Johnson volgt de Europese politiek meer dan gemiddeld. Vijf jaar lang was hij correspondent in Brussel voor The Daily Telegraph, een tijd waarin hij hilarische verhalen schreef over Italiaanse ongenoegens aangaande de omvang van «Europese» condooms en commissievergaderingen over de vraag of een slak wel of geen «vis» is. Zijn artikel waar «Delors Plans to Rule Europe» boven stond, droeg bij tot een nee-stemming aan de vooravond van het Deense Europa-referendum.

De uitslagen van de referenda in Frankrijk en Nederland zijn op de burelen van The Spectator met instemming begroet. «The Spectator salutes Holland», declameert hij. «Hoe gaat het trouwens met Piet Dankert? En Dig Ishta…?»

Het topoverleg tussen de Europese leiders in Brussel wil hij niet als «crisis» beschouwen. «Het is een grote dag voor Europa», aldus Johnson, «een mooie tijd voor een andere benadering. Eindelijk hebben wij, Britten, de kans ons als positieve Europeanen te pro fileren. Samen met de Nederlanders kunnen we een nieuwe agenda opstellen, waarbij we ons richten op wat de mensen en bedrijven willen, en niet wat bloody Juncker wil. Ik ben niet geïnteresseerd in een bouwwerk van een of andere minister in Luxemburg, maar in wat de mensen in mijn kiesdistrict willen. Vrij reizen, een tweede huis in Griekenland, werken in Denemarken. Het moet een ‹people’s Europe› worden in plaats van een ‹politicians’ Europe›. Bottom-up, niet top-down.»

Wat Johnson betreft is de Europese Akte van 1986 daarvoor een gezonde basis: «Waar is een gemeenschappelijk sociaal beleid, leger, landbouwbeleid, buitenlandpolitiek, whatever, voor nodig? Ik zou er niet eens tegen zijn als het werkt, maar dat is gewoon niet het geval. Begrijp me goed, er valt van Europa iets prachtigs te maken. We moeten ook niet negatief zijn, zoals mijn partij lange tijd is geweest. Kijk, waar de mensen, vooral de jongeren, in Frankrijk en Nederland tegen hebben gestemd is deze ingrijpende grondwet. Die was rubbish, ab-so-lute rubbish. Undemocratic nonsense.»

Hij staart naar buiten, haalt diep adem en vervolgt: «Weet je waarom ik me dit onderwerp zo aantrek? Ik zit als kamerlid in een Europese subcommissie. Maandelijks zien we absurde richtlijnen voorbijkomen. En of we het ermee eens zijn of niet, we moeten ze voor akkoord stempelen, zoals de Opperste Sovjet vroeger de voorstellen van het Politbureau gedachteloos diende goed te keuren. Onze eigen regering heeft er niets over te zeggen, laat staan de kiezers van Henley. Vind je het gek dat mensen zich van de politiek afkeren? Niemand voelt zich Europeaan. Zelfs niet in Nederland, het Californië van Europa. Ik sprak regelmatig met Nederlandse politici, sociaal-democraten, christen-democraten… Onder vier ogen zeiden ze vreselijke dingen over Duitsers. Smooky!»

Door de ontwikkelingen in Europa klinken er een paar positieve woorden over Tony Blair, een moment om te koesteren: «Ik steun hem, zolang hij zijn poot stijf houdt waar het gaat om de Britse compensatieregeling en blijft pleiten voor een nieuw Europa.» De aanloop tot de huidige situatie kenschetst Johnson als een briljant staaltje politiek: «Het begon ermee dat Blair toegaf aan de roep om een referendum. Hij bamboozled Chirac, die opeens ook een referendum besloot te gaan organiseren en vervolgens doodden de Fransen ‹hun eigen› grondwet. Het is zó clever. Nee, dit kan onze premier niet van tevoren bedacht hebben.»

Tijd voor bezinning is niet alleen aan de orde binnen Europa, maar na de derde verkiezingsnederlaag op rij ook binnen de Conservatieve Partij. Een diepgaande filosofische discussie is volgens Johnson niet per se nodig: «Iedereen weet wel waar de Tories ongeveer voor staan. Vrijheid, minder regels, een light-touch government, gewoon een paar zinvolle uitgangspunten. Een Tory weet waarom hij Tory is.»

Lagere belastingen vindt hij het belangrijkst, vooral voor de lagere inkomens, die ongeveer de helft van hun salaris in de geldbuidel zien verdwijnen van een «gloomadon-popping, high-taxing complicator of life», zoals minister van Financiën Gordon Brown bij hem bekend staat. Wat krijgen we nu? De Conservatieve Partij de partij van de working class? Laat Thatcher het niet horen.

De naam van de IJzeren Dame roept ge mengde gevoelens op: «We hebben sinds Thatcher een imagoprobleem. Toen ik vijftien jaar geleden in Brussel zat, werd mijn land geassocieerd met sadomonetarisme, turbothatcherisme. Het idee leefde dat Groot-Brittannië een dog-eat-dog-maatschappij was, waar mensen zo arm waren dat ze schapen moesten stelen. Ab-so-lute rubbish, natuurlijk. En ik ben blij dat mensen thans hun woorden moeten terug nemen. Thatcher heeft veel goede dingen ge daan. Er is veel geld gestoken in de nationale gezondheidszorg, een instituut dat uitgerekend door Blair wordt uitgekleed op een manier die Margaret niet had durven dromen. Mede door haar retorica kwam ze echter te hardvochtig over. Ze werd een karikatuur. Daarom klinkt er nu gesis zodra je de naam Thatcher laat vallen. Het geniale van Blair is zijn taalgebruik, dat aansloot bij de aspiraties van mensen. ‹Wederkerigheid›, ‹plicht›, ‹compassie›, klonk het. Hij raakte de essentie van de politiek: de feelgood-factor.»

Nog meer positieve woorden over Blair? Gekker moet het niet worden. Johnsons afkeer van de huidige regering druipt immers af van zijn columns in The Daily Telegraph, de krant waar ook zijn zus Rachel een column heeft. Graag mag hij mopperen over de al te zorg zame overheid. Zijn ergernis begint reeds wanneer hij zijn pied-à-terre in Islington, uitgerekend het heartland van New Labour, verlaat en zich met zijn fiets een weg baant over de tientallen drempels, aangelegd door wat de rechtse pers bestempelt als een «loony council».

Bij hinderlijk verkeersmeubilair houden de bezwaren niet op. Hoewel hij zich niet wil bezondigen aan de thatcheriaanse «de-staat-is-het-kwaad-retoriek» kijkt Johnson met een combinatie van spot en zorg naar een uitdijende publieke sector, wat zich uit in goedbetaalde banen waarmee The Guardian wekelijks zijn advertentiepagina’s vult. In de afgelopen acht jaar is het land 850.000 «senior enhanced arrest referral workers» rijker geworden, «youth offenders service group managers» en andere «non jobs», zoals Johnson ze omschrijft. «Het is heel slim van New Labour», moet hij wel erkennen: «Ze creëren niet alleen banen, maar meteen ook stemmers. Niet alleen deze mensen stemmen voor New Labour, maar ook hun familie, vrienden. Wat moeten we wanneer we weer gaan regeren? Hoe graag we het ook zouden willen, we kunnen onmogelijk al die general welfare coordinators opheffen. Mensen stemmen niet voor een partij die duizenden mensen werkloos maakt.»

Waarschijnlijk zouden er wel veel mensen op Johnson stemmen. Soms tot zijn eigen verbazing. Tijdens zijn eerste verkiezingscampagne, in 1997, liep hij als Tory-kandidaat door de straten van Rhosllanerchrugog, een mijnwerkersdorpje in het felrode kiesdistrict Clwyd South, een jonge moeder tegen het lijf. Honderd procent Labour. «B-but why?» stamelde Johnson dan ook toen ze verklaarde Conservatief te stemmen. Eenzelfde onbevangenheid was onlangs te zien bij zijn vader (en partij genoot) Stanley, die de Liberaal-democraten tijdens de recente verkiezingen net niet wist te verslaan in Teignbridge. Waar nogal wat kiezers in april achter de sofa kropen wanneer een canvassende politicus in aantocht was, daar wilde iedereen een praatje met de Johnsons maken. Het verhaal gaat dat Johnson senior op een gegeven moment per ongeluk aanklopte op de achterdeur van een huis waar hij een minuut eerder aan de voordeur was geweest. «U mag zo vaak aanbellen als u wilt», zou de bewoonster hebben gezegd.

De ambities van junior zijn vooralsnog bescheiden. Voorlopig nog geen ministerschap van Buitenlandse Zaken, waarbij hij op zijn fiets door desintegrerend Europa trekt, zoals advocaat en schrijver John Mortimer het graag zou zien: «Ik ga mijn best doen voor de mensen van Henley die mijn meerderheid in mei hebben uitgebreid. Als hij zich kandidaat stelt, steun ik mijn jeugdige vriend David Cameron voor het Conservatieve leiderschap.» Lachend: «Inderdaad, een Notting Hill-Tory.» En het hoofdredacteurschap? Volgens de overlevering werd Boris in zijn hoedanigheid als schaduwminister voor Cultuur – waarbij hij pleitte voor meer Rolling Stones op de lokale radio en een verbod op Amerikaanse spellingcontroles – ooit op het matje geroepen door Michael Portillo, die hem aanmoedigde om een keuze te maken tussen journalistiek en politiek. Voorlopig wil Johnson nog niet kiezen. «Ik blijf hoofdredacteur van The Spectator, al is het soms wel een politieke handicap. Wanneer een schaduwminister een brief inzendt die ik vanwege de belabberde kwaliteit niet plaats, dan denkt hij dat er een politiek motief achter schuilt.»

Eén ding blijft intrigeren: Johnsons mensbeeld. Zijn roman Seventy Two Virgins: a Comedy of Errors speelt zich af in een wereld waar mensen hun best doen, maar waarin door misverstand en onvermogen van alles misgaat. Een paradijs vol onbedoelde gevolgen. Hoe ziet hij zijn medemens? «Er zit goed en kwaad in elk individu. Op een aristoteliaanse manier moeten we proberen om onze goede punten sterker te maken. Dat gaat met vallen en opstaan. Ken je dat nummer van Chumbawamba? ‹I get knocked down, but I get up again. Tedumtedum. I get knocked down, but I get up again. Tedumtedumtedum. I get knocked down, but I get up again. Tedumtedum. You’re never going to keep me down›.»

Een kwajongenslach vult de ruimte.