Hoe geef je stem aan een stomme?

Ook in de nieuwe vertaling van zijn meesterwerk The Sound and the Fury heeft William Faulkner iets te vertellen wat dieper gaat dan de moraal van de behoudende burger.

In 1925, vlak voordat hij met een boot naar Europa vertrok om dichter bij exploderende woordkunstenaars als James Joyce te zijn, kreeg de dichter William Faulkner (1897-1962) in New Orleans de gelegenheid korte proza-schetsen te schrijven voor de zondagseditie van de Times-Picayune. Die stads-schetsen, ruim -dertig jaar later gebundeld in New Orleans Sketsches, gingen niet over mensen met macht maar over een kreupele bedelaar, een oude schoenlapper, dranksmokkelaars, een jonge gangster of een niet pratende zwakzinnige: mensen in de marge van de maatschappij die botsen met moraal en wet. Het verhaal over de ‘idioot’, The Kingdom of God, bleek achteraf een voorstudie van een van de belangrijkste twintigste-eeuwse romans: The Sound and the Fury. Die vroege New Orleans-vertelling beschrijft een opstootje rond de 'gek’, onder meer omdat de steel van de narcis in zijn hand knakt. Het brullen houdt pas op als de steel door zijn broer is gespalkt. 'Zijn ogen waren net twee stukjes aprilhemel na een regenbui, en zijn verrukte kwijlgezicht leek op de maan.’ Dit is de oerscène van het slot van The Sound and the Fury, als de 33-jarige 'idioot’ ('al dertig jaar drie’) Benjy Compson jankt en blèrt om een geknakte narcis in zijn hand. Het koninkrijk Gods in dat beroemde maar nauwelijks gelezen boek is de zintuiglijke wereld van een gewonde idioot die de wereld veel beter door heeft dan zijn 'gezonde’ familie, die stuk voor stuk opgaan in zichzelf.
Vier jaar na zijn bescheiden prozastart in New Orleans en vlak voor de beurskrach op Wall Street verscheen, op 7 oktober 1929, bij Cape & Smith in een oplage van nog geen tweeduizend exemplaren The Sound and the Fury, nadat een andere uitgever deze Faulkner als 'onverteerbaar’ had afgewezen. Veel recensenten deden dit baanbrekende werk af als 'onleesbaar’ en 'pervers’. Nu is Faulkners vertelling over de ondergang van de Zuidelijke familie Compson een mijlpaal in de Amerikaanse letteren, een rigoureus afscheid van de realistisch-naturalistische verteltraditie. Eindelijk waren Joyce en Proust naar de VS gekomen. Faulkner wist hun ongekende narratieve -mogelijkheden - het laten vervloeien van tijden en ruimten, de woordenstromen van het bewuste en het onbewuste, het belang van het zintuiglijke - een perfecte plaats te geven in zijn fictionele Mississippi-landschap rond Jefferson, Yoknapatawpha County.
De Hollandse doorsnee lezer anno 2010, aan wie het modernisme al bijna een eeuw voorbijgaat (te inspannend, te ingewikkeld, te ongewoon), leest Faulkner niet of nauwelijks en zal, vrees ik, met een boog om Het geluid en de drift - de tweede, sterk verbeterde Nederlandse vertaling van Faulkners meesterwerk - heen lopen. Die lezer weet niet wat hij mist. De manier waarop Faulkner in het eerste deel van zijn virtuoze vierluik de stomme idioot Benjy portretteert is weergaloos. Waarom? Hoe geef je stem aan een stomme? Door als schrijver in hem te kruipen. Je geeft je compromisloos over aan zijn verscherpte ruiken, horen, tasten en kijken en schept daar vervolgens een taal vol zintuiglijkheid voor die zich niets aantrekt van hiërarchie in tijd en dus geen verschil ziet tussen verleden en toekomst: alles is hier en nu omdat Benjy’s zintuiglijke associaties geen tijdverschillen erkennen: wat voorbij lijkt is nu, wat nog komt is er al. Het resultaat: een compleet nieuwe commentaarloze manier van vertellen dat de verwarde wereld van een 'gestoorde’ onbegrensd en beeldend (hij hoort het donker worden, hij ruikt de dood, zijn handen kunnen kijken) weergeeft. De zogenaamd knettergekke, kwijlende en brullende Benjy is gemakkelijk te volgen in associaties die zich niets van vaste plaatsen en tijden aantrekken. Wie deel 1 herleest na de eerste lectuur van het hele boek kan alle kleine bijzonderheden (de schommel, de perenboom, de rode das, een slipper, een modderig onderbroekje) een wonderbaarlijk exacte plaats geven. Hoe nauwgezet is de auteur aan het werk geweest! Noem het maar een leessensatie van de eerste orde. Faulkner is een verhalenbouwer die weet wat suspense is, die beseft hoe je drama met een historische echo schept.
Hoe zit Het geluid en de drift in elkaar? Er zijn vier delen. Het eerste deel - waarin de hele roman al zit samengebald - beschrijft Faulkner rechtstreeks vanuit de zwakzinnige Benjy. Dat deel speelt zich onder meer af op 7 april 1928, de Stille Zaterdag voor Pasen. Luster is de zwarte oppas van de 33-jarige gevoelige 'idioot’. Op en bij het golfterrein bij het Compson-familiehuis zoekt hij naar een kwijtgeraakt kwartje omdat hij dolgraag naar de minstreel-show in Jefferson wil. Benjy - al lang gecastreerd na een incident met alcohol en meisjes - loopt rond in een reservoir vol beelden, met als kern zijn zusje/beschermheilige 'moederfiguur’ Caddy. Caddy is al lang weg, is getrouwd en gescheiden. Haar zeventienjarige dochter Quentin - vernoemd naar haar broer, die in 1910 zelfmoord heeft gepleegd - woont bij de hypochondrische grootmoeder Compson in met oom Jason als sadistische stand-in-vader. Ze staat op het punt om weg te lopen. Luster en Benjy zien dat aankomen omdat zij Quentins gewoonten en verlangens kennen. Dit vertelheden varieert Faulk-ner via korte cursieve overgangen met andere tijdlagen (Benjy als tiener, als jongetje van vijf, et cetera) zodat de lezer een ogenschijnlijk fragmentarisch beeld krijgt van het uiteenvallen van de familie Compson, een destructieve ontwikkeling die tegelijkertijd de Werdegang van het traditionele Zuiden met zijn slavernij en (burger)oorlogsverleden.
Deel 2 springt achttien jaar terug, naar 2 juni 1910. Faulkner presenteert Caddy’s broer Quentin, Harvard-student in Boston/Cambridge, als een getroebleerde jongeman die gebukt gaat onder zijn jeugd in het Diepe Zuiden. Op die fatale zomerdag in de achterbuurten van Cambridge raakt hij steeds verder van huis. Ook in dit deel laat Faulkner zijn hoofdpersonage telkens weer in cursieve tussendelen met afwijkende interpunctie door het heden heen zakken. Quentin kan het niet verkroppen dat zijn zus Caddy, met wie hij bijna een incestueuze verhouding had, aan veelmannerij doet en hem daarom ontrouw is. Beelden die in dit deel welhaast obsessief terugkeren: de schaduw (een Italiaans meisje dat de lezer aan Caddy doet denken loopt hem achterna als een schaduw/geest), de rivier (waarin Quentin zich zal verdrinken) en zijn lopende horloge zonder glas en wijzers. Eros en thanatos gaan hand in hand, en Quentin zwerft door 'het mausoleum van alle hoop en verlangen’. Uiteindelijk schudt hij de tijd van zich af.
Deel 3 keert terug naar 6 april 1928, Goede Vrijdag. In dit deel kiest Faulkner voor een meer traditionele aanpak. Nu is Jason Compson, de zogenaamde harde werker van de familie en broer van Benjy en Caddy, de hoofdpersoon. Hij zit gevangen in het hier en nu, compleet met hardnekkige hoofdpijnen, en slooft zich uit om het brood voor iedereen, inclusief de zwarte bedienden, te verdienen. Maar dit is zijn verhaal. Het andere verhaal is dat hij systematisch geld aftroggelt van Caddy, die haar dochter al jarenlang cheques stuurt. Hij belazert de boel financieel en emotioneel. Hij doet zich voor als de hoeder van zijn nichtje Quentin, maar onbewust wil hij haar wegjagen. Dat lukt ook, maar heel anders dan hij het zich wellicht voorstelde.
In het majestueuze slotdeel, dat zich afspeelt op Paaszondag 8 april 1928, staat niet Caddy centraal - die krijgt al vorm via Benjy, Quentin en Jason - maar de stokoude Dilsey, als alomtegenwoordige zwarte huishoudster al tientallen jaren steun en toeverlaat van de familie Compson. Alleen al de verrassende perspectiefwisse-lingen zorgen ervoor dat The Sound and the Fury uitgroeit tot een zeer spannende vertelling, waarbij de lezer alle ruimte krijgt alle verhaalfragmenten en tijdbrokken met elkaar in verband te brengen.
Zijn de voorafgaande vier alinea’s een afdoende samenvatting van The Sound and the Fury? In de verste verte niet. Deze roman is niet terug te brengen tot een inhoud met een handvol oorzaken en gevolgen, en ook niet tot een psychologische thriller met sadomasochistische ondertonen en echo’s van de gewelddadige geschiedenis van het Diepe Zuiden. Hoe moet ik het boek dan duiden? De vorm is de inhoud. De manier waarop Faulkner de ondergang van de familie Compson presenteert - beginnend met een idioot, eindigend met een stokoude zwarte vrouw getekend door de slavernij - heeft niet veel meer te maken met het naturalisme, met voorspelbare noodlot-verhalen. Ik zou iets kunnen zeggen over het vrouwbeeld (hoer en/of heilige), het religieuze element (het paasweekend, Benjy die 33 is, et cetera) of een bloemlezing opwekkende citaten geven, allemaal afkomstig van de alcoholische vader Compson: 'Het slagveld toont de mens slechts zijn eigen dwaasheid en wanhoop, en de overwinning is een illusie van filosofen en onnozelaars.’ Maar daarmee heb ik niet de wezenlijke wanhoop van de individuele familieleden geschetst, de onderlinge liefdeloosheid waardoor alles en iedereen fragmenteert, uit elkaar valt, verdwijnt, wegloopt, de rivier in loopt. Misschien zit die in deze zin vol mythologisch geweld en vrouwenachting en -verachting verborgen: 'Leda die zich in de bosjes schuilhoudt en jankt en jammert om de zwaan, begrijp je wel.’ Jazeker, daar gaat The Sound and the Fury ook steeds over, en niet alleen dankzij Caddy en haar dochter Quentin. De drift is ook seksuele woede en wanorde, en daar heeft Benjy zijn castratie aan overgehouden. Iedereen loopt een verminking op, inclusief het Diepe Zuiden, dat zijn eigen verleden voorgoed is kwijt geraakt.
Kom ik toch weer terug bij de unieke vormgeving van de vierdelige vertelling. Want daarin - en in metaforen als het modderige onderbroekje van Caddy - zit de kracht van de roman, en in de wijze waarop Faulkner Joyce’s stream-of-consciousness naar zijn Mississippi-hand heeft gezet en Prousts tijdbegrip een Amerikaanse geur en kleur heeft gegeven. Faulk-ner heeft met Het geluid en de drift een roman geschreven die een cruciale rol vervult in de Amerikaanse letteren, in de wereldliteratuur.
Wat ik hoop en verwacht is dat -uitgeverij Atlas gaat doen wat na deze vertaling voor de hand ligt: Absalom, Absalom! (1936) laten vertalen, omdat in dat faulkneriaanse meester-werk - vanuit Quentin Compsons fixatie op het verleden - de tragiek van het Diepe -Zuiden in de negentiende eeuw leesbaar en voelbaar wordt. Faulkner is zeer leesbaar, juist omdat hij onvoorspelbaar is en ook nog iets te -vertellen heeft wat dieper gaat dan de moraal van de behoudende burger die bang is voor het vreemde.
In het beroemde Paris Review-interview uit 1956 (zie Joost Zwagermans De ontdekking van de literatuur) onthult Faulkner dat The Sound and the Fury de roman is die hem het meeste pijn en verdriet heeft gedaan én waarvoor hij de tederste gevoelens koestert. Misschien gaat het leesadvies dat hij voor Joyce’s Ulysses gaf ook op voor zijn eigen roman: benader het boek zoals de ongeletterde doopsgezinde predikant het Oude Testament benadert: met geloof.

WILLIAM FAULKNER
HET GELUID EN DE DRIFT
Vertaling en nawoord Bartho Kriek, Atlas, 342 blz., € 24,50