Hoe goddelijk is een teddybeer?

HET DONDERT en bliksemt in het gereformeerde volksdeel. Hel en verdoemenis dalen neer op het steil gekapte hoofd van Harminus Martinus Kuitert, emeritus in de theologie en schrijver van het boek Jezus: Nalatenschap van het christendom. Kuitert heeft het, in het ruim driehonderd pagina’s tellende strijdschrift, gewaagd Jezus Christus van zijn goddelijke troon te stoten. De verontwaardiging onder de rechtgelovigen bereikt pieken die kunnen wedijveren met de eeuwige toorn Gods.

Niet-gelovigen slaan het tafereel met verwondering gade. Hoe kunnen driehonderd pagina’s christologische haarkloverij een geloofsbeving teweegbrengen van welhaast apocalyptische proporties? Oké, de schrijver weet een pen te hanteren. Zijn betoog heeft een doordringende hoge toon en een meeslepende cadans, en het paart een gigantische snelheid aan elegant bochtenwerk. Als over een achtbaan sleurt hij de lezer langs tweeduizend jaar geruzie over de ware aard van de rabbi uit Nazareth. Maar wat je snel passeert, ben je ook snel vergeten. Om te weten wat je ziet moet je met het gebodene al vooraf vertrouwd zijn, en dat zijn alleen gelovigen. Voor niet-gelovigen valt er weinig te beleven.
Pas tegen het eind van het boek wordt het ook voor die laatsten interessant. Daar schrijft Kuitert over het ‘cultureel christendom’. Hij bedoelt daarmee alles wat ooit des kerks was maar deel is gaan uitmaken van het leven buiten de kerk. Het is de nalatenschap van de kerk aan de wereld. Die nalatenschap, legt Kuitert uit, bestaat uit taal, geest en moraal. Buiten en los van de kerk gebruiken mensen met het grootste gemak woorden als schuld, boete, hel, hemel, verdoemenis en verzoening. Die woorden hebben een vaste plek veroverd in het vocabulaire van de Europese cultuur. Evenals het woord geest, dat - kijk alleen maar naar de filosofie van Hegel - een zeer seculier bestaan is gaan leiden.
Het meest geldt de verspreiding buiten de kerk nog voor de moraal. Niet dat alle moraal uit het christendom stamt, maar het christendom is wel twintig eeuwen lang drager, versterker en doorgever geweest van een aanzienlijk aantal morele waarden, die daardoor diep in de Europese cultuur geworteld zijn geraakt. Menselijke waardigheid, vrijheid van meningsuiting, tolerantie en mensenrechten - ze zouden zonder het cultureel christendom nooit de onomstreden plaats hebben verworven die ze nu hebben, al waren de christelijke kerken ook de eerste om die waarden met voeten te treden. Er blijft, kortom, voor een christenmens nog genoeg over om zich sterk voor te maken, vindt Kuitert.
Maar heb je daar, zo vraagt de niet-gelovige, Christus, het christendom, de christelijke kerken en - Kuiterts eigen onderneming - de christologie nog wel bij nodig? Nee dus. De zaken die het christendom de cultuur heeft nagelaten - inclusief de Mattheüs Passie en Jesus Christ Superstar - kunnen het heel goed zonder christologische legitimatie stellen. Kuitert voelt dat. Hij haalt de negentiende-eeuwse theoloog Richard Rohte aan, voor wie het christendom slechts een tussenstation is op de weg naar de verdere emancipatie van de mens. Maar o, wat doet dat Kuitert pijn.
HEEL KUITERTS Jezusboek is doortrokken van de angst dat het christendom wel eens definitief overbodig zou kunnen worden, dat Rothe’s doorgangshuis een sterfhuis zal blijken te zijn. Overal proef je de agonie, de panische drang om te redden wat er te redden valt. Het boek is de angstschreeuw van een godzoeker die bang is alleen achter te blijven in wat hij als de woestijn van het post-christelijke leven ervaart.
Kuitert schreef het boek voor eigen parochie, voor zijn eigen gereformeerde geloofsbroeders. Zien jullie dan niet, roept hij hen toe, dat we verloren zijn, dat iedereen ons in de steek laat, dat we hoognodig iets moeten ondernemen willen we als gereformeerde gemeente de veiligheid en de geborgenheid behouden die we altijd zo hebben gekoesterd? Kuiterts hele retoriek is gericht op díe gemeente. Hij schrijft over wat hij denkt dat hén raakt. Bij alles wat hij zegt, voel je hem denken: daar zullen de gemeenteleden van opkijken! Kuitert toetert zijn christologie in het rond als een dorpsomroeper.
De heftige commotie rond zijn boek is niet meer dan een ruzie rond de dorpspomp, een gereformeerd binnenbrandje, waar je als buitenstaander alleen maar meewarig naar kunt kijken. Steen des aanstoots is Kuiterts aanval op de goddelijke natuur van Jezus. Van dat granieten leerstuk, stammend uit de kleuterjaren van het christendom, moet de kerk af, vindt Kuitert. Jezus is God niet.
Waarop zijn gereformeerde broeders gevat antwoorden: 'Kuitert is de kerk niet.’ Nee, de kerk, dat is het Reformatorisch Dagblad, dat onder dat pesterige motto Kuitert de weg naar het rijk der hemelen resoluut verspert. 'Wie de godheid van Christus verwerpt, kan niet zalig worden’, schrijft de commentator van het Dagblad. En hij zendt Kuitert nog enkele donderwolken na: 'Jezus móet God zijn. Om de menselijke natuur tot het doordragen van Gods oneindige toorn over de zonden van zijn volk te ondersteunen.’ Het zullen je geloofsbroeders maar wezen.
Dat zijn ze, als het aan het Confessioneel Gereformeerd Beraad ligt, in ieder geval niet lang meer. Het Beraad dringt er bij de gereformeerde synode op aan het boek van Kuitert te veroordelen. 'We laten ons de belijdenis dat Jezus Gods Zoon is niet afnemen’, meldt het Beraad strijdbaar. Eerder al, vorig jaar om precies te zijn, eiste het Beraad de veroordeling van de Kampense theoloog Den Heyer vanwege diens ketterse verzoeningsleer. De synode hield zich aanvankelijk doof, maar sprak zich na een driftige handtekeningenactie van het Beraad toch over het boek uit. Kuitert wacht nu eenzelfde lot.
EN DAT TERWIJL Kuitert het zo goed bedoelt. Eigenlijk wil hij alleen maar nóg zuiverder zijn dan de orthodoxe zuiverheid. Want ging het in het christendom niet in de eerste plaats om God? Laten we ons dan rechtstreeks tot Hém wenden, zonder een tweede, menselijker, aaibaarder God tussen Hem en ons in te schuiven. Jezus mag van Kuitert best worden geëerd en aangeroepen, maar dan alleen als de profeet die ons de weg naar God wijst, niet als de knusse surrogaatgod bij wie het veel fijner toeven is dan bij de kille, boze God uit het geloof der vaderen.
Om zijn gemeenteleden daarvan te overtuigen bespreekt Kuitert in zijn boek de verwoede pogingen die in het verleden zijn ondernomen om de ware Jezus onder het stof van dogma’s en leerstelligheden vandaan te halen. Zijn conclusie uit al het historische onderzoek luidt zoals te voorzien: we weten zo goed als niets over hem. Er zijn maar een paar dingen zeker: Jezus was jood en Jezus verkondigde het joodse geloof. Uit niets blijkt dat hij zich als Zoon van God zag - zijn joodse geloof verbood hem zelfs ten strengste zulks te denken. En er zijn al evenmin aanwijzingen dat hij een kerk voor niet-joden wilde stichten. Dat is er allemaal later van gemaakt, door het kwartet evangelisten en door Paulus. De prediking van Jezus, gericht tegen wankelmoedige geloofsgenoten, bleek pas achteraf geschikt om niet-joden tot het geloof in de God van Abraham, Isaäk en Jacob te verleiden. Maar dat is wel precies waarin Jezus zich van alle eerdere profeten onderscheidt. (Niet van de latere, zo dient daaraan toegevoegd nu Mohammed op voorstel van de gereformeerde predikant J. Stomp wellicht wordt opgenomen in de gelederen der christelijke profeten: Mohammed heeft immers de God der joden voor de Arabieren toegankelijk gemaakt.)
Jezus was slechts een rabbi en geen god. Die voor niet-gelovigen triviaal klinkende stelling hanteert Kuitert als bezem om alle ontsporingen van de Jezus-verering de gereformeerde gemeente uit te vegen. Te beginnen bij de allervroegste en bepaald niet allergeringste ontsporing: 'Was Jezus niet voorgesteld als God-op-aarde, dan zou de Romeinse Catechismus de joden niet eeuwen en eeuwen lang als godsmoordenaars hebben kunnen uitdossen.’ Kuitert haast zich overigens eraan toe te voegen dat het antisemitisme geen christelijke uitvinding is en dat er geen rechte lijn loopt van de Romeinse Catechismus naar Mein Kampf. Van een kwaad geweten wil hij niet horen, hij pleit er enkel voor dat christenen de joden eindelijk eens met rust laten, die hebben al ellende genoeg gehad. Een ietwat kille houding, passend bij Kuiterts gereformeerde geloof in een nogal kille God.
En dat past weer bij Kuiterts afkeer van alle vormen van warmbloedige Jezus-vroomheid die door de eeuwen heen hebben bestaan. Jezus als helper, als redder, als vriend, als trooster, kortom als teddybeer die overal mee naartoe moet waar het onveilig is - Kuitert moet er niets van hebben, al heeft hij wel een zeker begrip voor de neurotische angsten waar die devotie uit voortkomt. 'Maar er een punt van leerstelligheid van maken is net zo neurotisch.’ Hij bergt al die goudgerande Jezusbeelden daarom maar gewoon op in de kast met 'leerstellige kitsch’.
WAT BLIJFT ER dan nog van Jezus over? Kuitert ziet drie 'ambten’ voor Jezus weggelegd: dat van profeet, van priester en van koning. De profeet is de leidsman, de goeroe, degene die de mensen de weg wijst naar het Koninkrijk Gods. De priester is de ingewijde, de bemiddelaar tussen God en de mensen, de uitvoerder van de rituelen waarmee mensen nader tot God komen. En de koning is de heerser over het Koninkrijk Gods, degene die erop toeziet dat dat rijk ook daadwerkelijk openstaat voor alle niet-joden. 'Jezus als multiculturele belofte’, noemt Kuitert dat braaf.
Met zo'n Jezus moet de gereformeerde gelovige het zien te doen. Voordeel is dat hij tenminste vertrouwd is met de titels profeet, priester en koning, zoals hij ook vertrouwd was met de titel god, maar die moet hij nu op last van Kuitert uit Jezus’ titulatuur schrappen. Voor de niet-gelovige blijft het allemaal semantisch gegoochel, slechts te bevatten voor een kleine club van ingewijden. Het boek bevat voor hem niets waar hij wat aan heeft. Erger nog: op de buitenstaander maakt het allemaal een uiterst oppervlakkige indruk. Telkens als het betoog interessant dreigt te worden, stokt het. Vragen worden maar half gesteld, kwesties maar half aangeboord, antwoorden maar half gegeven. Telkens slechts tot het punt dat het gereformeerde gemoed bevredigd en gerustgesteld is. Nergens worden existentiële diepten aangeroerd, nergens metafysische hoogten beklommen, nergens filosofische paden bewandeld. Het is en blijft theologie, oftewel filosofie met een leerstellige rem erop.
PAS OP HET allerlaatst, een paar bladzijden voor het einde, werpt Kuitert de vraag op wat zijn christologie nu voor de grote levensvragen betekent. Weinig of niets, antwoordt hij doodleuk. Schuld en boete, leven en dood, seks en macht, geweld en lijden, het zijn allemaal existentiële vragen waarvan de niet-gelovige dacht dat Jezus er wel raad mee wist. Maar nee, 'daarvoor moeten we niet bij de christologie zijn’. Waar dan wel? 'Je moet bij de God van Jezus zijn. Daar riep Jezus indertijd ook zelf toe op.’
En wat zegt die God dan? Wat zijn Zijn antwoorden op de grote levensvragen? In het boek geeft Kuitert een soort credo ten beste. Het leven van de gelovige is 'leven in Gods aangezicht’, stelt hij, en hij legt dat in acht punten uiteen. Acht punten die stuk voor stuk de nietigheid en onwaardigheid van de mens benadrukken en de onmetelijke afstand tot God. 'Gelovigen verwachten niet te veel, ze hebben geleerd realo’s te zijn en niet mee te doen aan vooruitgangsgeloof. Verantwoordelijkheden worden gemist, schepselen komen geschonden uit de hand van de Schepper, en medeschepselen doen er af en toe nog een schepje bovenop. Miljarden mensen zijn naamloos onze wereld binnengekomen om er naamloos weer uit te vertrekken, omdat anderen dat zo wilden; de wereld om ons heen is bij tijden afgrijselijk onbarmhartig, en wijzelf niet minder. (…) “Leven voor Gods aangezicht” heeft dus niets hoogdravends, het is geen hemelbestorming, maar meer iets voor gewone mensen die verder geen geschiedenis hebben of maken.’
Donkere wolken schuiven dreigend over een onmetelijk platteland. In een van de kleine huisjes die nederig rond de kerk zijn geschaard, zitten gereformeerde gemeenteleden gebogen over Jezus: Nalatenschap van het christendom van H.M. Kuitert. Er hangt een diepe, haast tastbare stilte. 'Die Kuitert’, zegt de oudste na lang, lang nadenken, 'die Kuitert, die heeft het wel erg hoog in de bol. Die verdient de zaligheid niet.’ De anderen schudden hun strenge koppen en spreken de beproefde formule uit: 'Kruisigt hem!’