Hoe goed gaat het nu echt met Nederland?

Wie de berichten over de groei van de Nederlandse economie het afgelopen jaar heeft gevolgd, kan niet anders dan optimistisch zijn. De economie groeit harder dan verwacht (2,9 procent over het afgelopen jaar, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek) en we geven met z’n allen al zeventien kwartalen op rij meer uit ten opzichte van het jaar ervoor. Weinig om ons zorgen over te maken, zou je zeggen.

Maar, een niet onbelangrijk ‘detail’: het gaat bij de recente groei vooral om investeringen in woningen, bedrijfsgebouwen, infrastructuur en machines, niet echt zaken waar de onderklasse die groei het hardst nodig heeft iets aan heeft.

Het kan geen kwaad om het optimisme te temperen wat betreft de onderklasse

Wie de deze week verschenen cbs-cijfers over armoede erbij pakt, komt dan ook tot de (niet heel verrassende) conclusie dat vooral wie toch al rijk is profiteert van de aantrekkende economie. In 2017 hadden 599.000 van de ruim 7,3 miljoen Nederlandse huishoudens een inkomen onder de lage-inkomensgrens, 27.000 meer dan in 2016. Het aandeel huishoudens met een armoederisico steeg daarmee van 7,9 naar 8,2 procent. De lage-inkomensgrens ligt op 1040 euro per maand voor een alleenstaande, 1380 euro per maand voor een alleenstaande ouder met één kind en 1960 euro per maand voor een paar met twee kinderen.

Opvallend is dat een grote groep die het niet lukt om de eindjes aan elkaar te knopen ‘gewoon’ een baan heeft. In 2014, het laatste jaar dat goed is onderzocht, waren er ongeveer 320.000 werkende armen (4,6 procent van alle werkenden), bleek vorige maand uit het scp-rapport Als werk weinig opbrengt. Daarvan werkten er 175.000 in loondienst en 145.000 als zelfstandige. Uit het rapport: ‘Vooral zelfstandigen zonder personeel, werkende alleenstaanden en werkenden met een migratieachtergrond (met name van Turkse of Marokkaanse herkomst) lopen een verhoogd risico arm te zijn. Werknemers zijn vooral arm doordat zijzelf en/of hun huisgenoten te weinig uren werken om genoeg inkomen te genereren. Zelfstandigen zijn vooral arm doordat ze per uur te weinig verdienen.’

Nieuw is die scheefgroei natuurlijk niet en het is geen typisch Nederlands probleem. De Amerikaanse journaliste Barbara Ehrenreich – aan wie dit jaar de Erasmusprijs is toegekend en over wie een uitgebreid profiel verderop in dit blad (pagina 26) staat – schreef al vóór de economische crisis van 2008: ‘De toppen van enorme welvaart groeiden hoger, tot voorbij het wolkendek, terwijl de vallei van armoede dieper wegzonk in voortdurende schaduw. Het ooit zo brede plateau van de middenklasse erodeerde tot een smalle richel, waar haar bewoners zich met witte knokkels aan vastklampen.’

Na de crisis groeit de welvaart in Nederland nog niet tot voorbij het wolkendek, maar het is veelzeggend dat het aantal mensen dat moet rondkomen van een bedrag waarvan ze dat eigenlijk niet kunnen is gegroeid. Het kan daarom ook geen kwaad om het optimisme iets te temperen en de verwachtingen ook bij te stellen voor de onderklasse. Minister van Financiën Wopke Hoekstra schreef het al in het voorwoord van de Miljoenennota: ‘De rijksbegroting is van ons allemaal, en is voor ons allemaal. Dat moet ook gelden voor de economische groei.’ De grote vraag, meneer Hoekstra, is: waarom is dat nog niet zo? Want het is mooi dat we op de laagste werkloosheid zitten in bijna twintig jaar, maar dat zegt weinig als alleen het hebben van een baan niet voor iedereen voldoende is om van te leven.