Hoe goed is onderwijs nog?

Het was vorige week weer schrikken. In haar verslag over het schooljaar 2012/2013 constateerde de Onderwijsinspectie dat Nederlandse leerlingen weliswaar met plezier naar school gaan, maar dat een groot deel van hen weinig enthousiasme opbrengt voor het leren.

‘Nederlandse leerling niet gemotiveerd’, kopten de kranten ferm. Het ging om een vergelijkend onderzoek, dus konden we meteen lezen dat zelfs landen als Kazachstan, Peru, Colombia en Uruguay hoger scoorden op ‘schoolmotivatie’. Dat het allicht ook te maken had met de aard van de vragen – ‘ik zie uit naar de volgende wiskundeles’ – en dat Nederlandse scholieren misschien vooral minder braaf zijn dan die uit andere landen ontsnapte door de alarmerende berichtgeving aan de aandacht.

Het kennelijke gebrek aan motivatie bij Nederlandse leerlingen viel hoe dan ook in vruchtbare bodem. De afgelopen jaren zijn we vertrouwd geraakt met zorgelijke geluiden over ons onderwijs. In 2007 sprak premier Balkenende over de ‘mentaliteit van middelmatigheid’ waarvan Nederland doordrenkt is. Uitblinkers worden hier al snel als uitslovers gezien; een zesje is toch goed genoeg. Het Centraal Planbureau kwam twee jaar later met een rapport dat stelde dat het niveau van het Nederlandse onderwijs aan het dalen was. De Onderwijsinspectie gaf haar vorige verslag, over 2011/2012, de veelzeggende titel De middelmaat voorbij. Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid waarschuwde afgelopen najaar in haar veelbesproken advies Naar een lerende economie dat het Nederlandse onderwijs allerminst ‘excellent’ is. En dat zou wel eens desastreus kunnen uitpakken in de concurrentiestrijd die westerse economieën moeten voeren met die van de Aziatische tijgers en de bric-landen.

Die zorg die de wrr uitspreekt over de toekomst van onze economie is cruciaal. Iedereen is er inmiddels van doordrongen dat het Westen de slag om slimheid niet mag verliezen van de opkomende economieën. Goedkopere arbeidskrachten hebben we niet, vervuilende industrie willen we steeds minder, dus moeten we het hebben van ons superieure onderwijs en onderzoek. Van onze creativiteit en onze inventiviteit. Vandaar dat we zo nauwlettend de internationale ranglijsten van onderwijsprestaties in de gaten houden. Staan we nog wel in de top als het om pisa-scores gaat? Zakken we een paar plaatsen, dan moet de noodklok geluid.

Iedereen is er inmiddels van doordrongen dat het Westen de slag om slimheid niet mag verliezen van de opkomende economieën

Die fixatie op onze schoolprestaties was voor ons reden een speciaal nummer aan het onderwijs te wijden. En dan vooral aan de vraag of we de slimheid van onze kinderen wel voldoende stimuleren. Moeten we echt bang zijn voor de stampscholen in China, het ict-onderwijs in India en misschien zelfs voor die tot op het bot gemotiveerde leerlingen in Kazachstan?

Op die vragen is natuurlijk geen eenduidig antwoord te geven. Allereerst wel een geruststelling: in de hele westerse wereld, en ook bij de grote groeiers China en India, heerst grote bezorgdheid over het eigen onderwijs. Zelfs in Finland, tot voor kort het onderwijswalhalla. Overal worden de pisa-scores met argusogen gevolgd. Het onderwijs is onmiskenbaar onderdeel van de mondialisering geworden: elk land vreest de middelmaat. Daarbij moet vooral ook kritisch gekeken worden naar die economisering van het onderwijs: hoe terecht en hoe wenselijk is het nationale slimheid in rangordes en lijstjes te willen vatten? Dat die hele slag om slimheid en talent op een mythe berust, laat Koen Haegens in dit nummer zien. En dat we de pisa-lijstjes met flink wat korrels zout moeten nemen, toont Casper Thomas aan.

Ondertussen heeft het denken over onderwijs in economische termen wel grote consequenties. Goede, als het om de verbetering van zwakke scholen gaat. Discutabele, als je kijkt naar alle excellentieretoriek die uit de monden van politici en bestuurders rolt. De arrangementen voor ‘toptalenten’, zo blijkt uit het stuk ‘Boven het maaiveld’ van Jurre van den Berg, worden overal geestdriftig ingezet, maar eigenlijk weten we helemaal niet precies wat werkt. Wat je ondertussen wel ziet is eenzijdige aandacht voor cognitieve capaciteiten – rekenen en taal – en voor meetbare doelen. Vanaf de kleuterklas worden leerlingen getoetst – om maar geen talent of achterblijver te missen – met als gevaar dat onderwijs steeds meer verwordt tot teaching to the test.

Uiteindelijk gaat het erom wat wij kinderen wíllen leren. Aan het beantwoorden van die vraag komen we veel te weinig toe in een onderwijsdebat dat wordt gedomineerd door financieringsproblemen, toetsscores, internationale concurrentie en economisch nut. Door de al dan niet vernieuwende ideeën en kaders vanuit de politiek die als een juk op de zwoegende docent worden gelegd. Gelukkig komen in dit nummer ook genoeg bevlogen leraren en schoolbestuurders aan het woord die hun leerlingen willen opvoeden tot mondige burgers die zelfstandig kunnen denken en hun creativiteit weten aan te spreken, al dan niet met ‘nutteloze’ vakken als Grieks en Latijn in het pakket. Zelfs in China keren ouders die het zich kunnen veroorloven de succesvolle maar vaak vreugdeloze leerfabrieken de rug toe om hun kind naar de Vrije School te sturen. Daar groeien ze op tot vrij individu.


P.S. Dit is een extra dik nummer en leesstof voor twee weken. De volgende Groene verschijnt op 8 mei