Monument voor een componist in zeventien cd’s

Hoe goed is Sweelinck? Fantastisch!

Jan Pieterszoon Sweelinck is een nationaal symbool. Er zijn straten en conservatoria naar hem vernoemd. Hij moet iets voorstellen. Wat, dat wist eigenlijk niemand. Tot nu.

JAN PIETERSZOON SWEELINCK (1562-1621), de Orpheus van Amsterdam, wordt in Deventer geboren als zoon van Pieter Swibbertszoon, die kort daarna wordt benoemd tot organist van de Oude Kerk in Amsterdam. Enkele jaren na diens dood neemt Jan Pieterszoon, vermoedelijk in 1577, die positie over in ook voor musici ingrijpende tijden. Nadat in 1578 met de overgang van Spaans naar Nederlands bestuur de alteratie heeft plaatsgevonden, treedt het protestantisme als officiële godsdienst in de plaats van het katholicisme. Dat is slecht voor de kerkmuziek en onhandig voor een kerkorganist als Sweelinck, van wie overigens nooit duidelijk is geworden of hij katholiek of protestant was. De Dordtse synode van 1574 wijst orgelspel geheel af, de Nationale synode van 1578 eist zelfs verbanning van het orgel uit alle kerken. Hoewel het niet zo ver komt, brengt de staatsbekering met zich mee dat de kerkorganist een halve stadsorganist wordt. Sweelinck bespeelt het orgel in een volgens Sweelinck-kenner Pieter Dirksen ‘eigenaardige, semi-liturgische en representatieve functie, in dienst van de stad. Het was zijn taak voor en na de dienst te spelen (waarbij vooral de nieuwe Geneefse psalmmelodieën aan bod kwamen), en doordeweeks regelmatig openbare orgelbespelingen te geven.’
Hij verwerft faam als virtuoos, 'den alder-cloeksten ende constichsten Organist’, en als klavecinist. Hij is leider van een 'Collegium Musicum’, een vocaal ensemble van bevriende, meest gefortuneerde Amsterdamse kooplieden. Zijn invloed als pedagoog is groot, zijn leerlingen komen van ver. De drie belangrijkste - Jacob Praetorius II, Samuel Scheidt en Heinrich Scheidemann - zijn de grondleggers van de Noord-Duitse orgelschool, die zijn tentakels uitstrekt tot in Bachs tijd. Als componist wordt Sweelinck een grote naam. Zijn vocale werken verschijnen allemaal in druk. Zijn tientallen werken voor orgel en klavecimbel blijven weliswaar alleen in manuscript bewaard, de opname van vier werken in het beroemde Fitzwilliam Virginal Book, een Britse collectie klaviermuziek uit Sweelincks tijd, getuigt van zijn status buiten de landsgrenzen. De grote woorden waarmee Joost van den Vondel Sweelinck na zijn dood herdenkt, zijn niet voor de vaak.
En dat was dat. Nu, bijna vierhonderd jaar later, is de Orpheus van Amsterdam een afwezige God. Als Pieter Dirksen schrijft dat Sweelinck tegenwoordig vooral bekend is van 'zijn schitterende muziek voor klavecimbel en orgel’ zullen alleen zijn medebewoners in de ivoren toren van de oude muziek dat beamen. Het grote publiek, dat in Sweelinckstraten woont en dagelijks langs het Concertgebouw fietst en zijn beeld op de voorgevel ziet, kent hem misschien nog net van naam. Glenn Gould streelde zijn Chromatische Fantasie à la Bachs Kunst der Fuge op de vleugel naar een cultstatus, in de godshuizen houden zijn koraalvariaties moedig stand, in de loop der jaren dichtten cd-uitgaven met vocale werken door het Nederlands Kamerkoor of complete keyboard works door Ton Koopman en anderen belangrijke lacunes - maar al die goede werken hebben Nederlands eerste grote componist niet op de kaart geëtst. Wat het publiek van hem kent blijft het topje van de ijsberg.
Sweelinck heeft een aantal handicaps. Orkestwerken en opera’s schreef hij niet, wat hem op de Nederlandse podia bij voorbaat buiten spel plaatst; zijn orgelmuziek en geestelijke muziek veroordelen hem tot de kerk. Ten tweede is hij als componist een ongrijpbare figuur in de overgangsfase van Renaissance naar barok. Zijn profiel is te onscherp, de Renaissance-geest van zijn vocale muziek te subtiel, te veelstemmig, te weinig spectaculair voor de massa’s. Ten derde was hij niet het product van een muzikale bloeiperiode waarin een groot man een gezichtsbepalende rol had kunnen spelen. Hij was een Nederlander in een tijd die op hem na niets vruchtbaars voortbracht.
Al die factoren verdiepten de voor het merk Sweelinck kenmerkende kloof tussen een grote historische status en een belabberde marktpositie. Je zou haast zeggen dat we hem tot monument bevorderden om van hem af te zijn.

HET SWEELINCK MONUMENT van zanger Harry van der Kamp vereffent een eeuwenoude culturele schuld met een praal waarvoor koningin Beatrix niet vergeefs uitrukte. Dat Sweelincks meer dan 250 vocale werken voor het eerst integraal zijn vastgelegd is al verdienste genoeg, maar de betiteling cd-uitgave doet dit project te kort: het is een musicologisch naslagwerk in woord, beeld en geluid geworden. De zeventien cd’s gaan schuil in zes gebonden, rijk geïllustreerde naslagwerken bij een vocaal oeuvre dat in drie delen uiteenvalt: wereldlijke werken als chansons en madrigalen, de 153 psalmzettingen en de Cantiones Sacrae, Latijnse vijfstemmige motetten met een soms sterk katholieke ondertoon die de ambivalentie van Sweelincks religieuze dispositie onderstreept. De boeken omkaderen de klinkende muziek met een encyclopedische vracht informatie over leven en werken van de componist, respectievelijk de nawerking van zijn muziek - of het gebrek eraan - in het Nederlandse muziekleven van de zeventiende eeuw tot heden.
Naast werkbeschouwingen van Pieter Dirksen zijn artikelen opgenomen over de Nederlandse Sweelinck-traditie, Sweelincks leefomgeving, uitgevers, tijdgenoten en muziekvrienden. Vermakelijk - hoewel al eerder gepubliceerd - is een stuk van Ignaz Matthey over het na de oorlog eerst begraven, in 1972 in opdracht van Edy de Wilde vernietigde Sweelinck-beeld dat de sneue collaborateur Frans Werner in 1943 vervaardigde voor de destijds niet okselfrisse gemeente Amsterdam. Initiatiefnemer Harry van der Kamp, leider van het Gesualdo Consort en als zanger een grote naam in de oude muziek, haakt aan met uitstekende bijdragen over Sweelincks Amsterdamse uitgever en de edities van het Geneefse psalter, het liedboek van de Reformatie, waaraan Sweelinck teksten en melodieën voor zijn psalmen ontleende. Hij tekende ook voor de vertalingen van zowel de Latijnse teksten van Sweelincks Cantiones Sacrae als de Franse van de psalmen. Naast Van der Kamps vertalingen zijn in de psalmboeken de zestiende-eeuwse vertalingen van Petrus Datheen en Philips van Marnix van Sint Aldegonde opgenomen.
Op de cd’s wordt dezelfde grondigheid betracht. Vóór elke psalm zingt het Gesualdo Consort volledigheidshalve de eenstemmige melodie waarop hij gebaseerd is, organist Bernard Winsemius werd ingehuurd om de psalmen te verluchtigen met psalmfantasieën en een incidentele variatie. Hier is niets nagelaten om het goed te doen; voor een stijlgetrouwe voordracht van de Middelfranse psalmteksten huurde het Gesualdo Consort zelfs een Franse taalcoach in. Met dit project, financieel ondersteund door een aantal banken, bedrijven en fondsen, tot stand gebracht in samenwerking met partners als Radio 4 en de NPS, presenteren Van der Kamp en zijn zangers zich als cultuurdragers waarvan je je in Wilders-tijden het bestaan nauwelijks meer voor kon stellen.
Echt zingen doen ze ook nog, op het hoogste niveau. Verbazingwekkend hoe de zangers van het Gesualdo Consort - solistisch bezet, met één stem per partij - zich in de strakke, heldere ensembleklank voegen. Hoewel een deel van hen - Nico van der Meel, Marcel Beekman en natuurlijk Van der Kamp zelf - ook als solist actief is, weten zij schitterneigingen te bedwingen. Niets van hanigheid; een volkomen egale, klare en vrije klank met een perfecte balans tussen de stemmen die de polyfone gelaagdheid van deze complexe muziek maximale transparantie verschaft, zonder de benauwenis die de textuur belaagt als zangers te veel druk zetten.
Hoe goed is Sweelinck? Wat een vraag. Hij is fantastisch. Op het ambachtelijke plan is dit kunst in de hoogste graad. Zijn beheersing van het contrapunt is even indrukwekkend als bij de groten van de Nederlandse scholen. Het is mirakels hoe elke partij in deze veelstemmige muziek zijn eigen melodische contour behoudt en al die melodieën desondanks versmelten tot een voor het oor ondeelbaar geheel. Gaat het erom vast te stellen wat Sweelinck 'met je doet’, dan wordt de waardebepaling van deze muziek problematischer. Luisteren naar de psalmen of de Cantiones Sacrae vergt een omschakeling. Romantische schoonheidsbegrippen ketsen af op deze muziek, die hoorbaar niet bedoeld is om te verleiden of vervoeren. Waarom Sweelinck voor moderne oren problematisch blijft, legt dirigent Jos van Veldhoven met plausibele argumenten uit in een leesbaar stuk van Guido van Oorschot. 'Muziek gaat pas tot de millions spreken wanneer retoriek een rol speelt. En dan zit je al een eind in de zeventiende eeuw. Als halve Renaissance-man was Sweelinck helemaal niet uit op gevoelsexpressie.’ Dat moet het zijn. Sweelinck kent geen grote dramatische conflicten en geen laaiende passies, geen dramatische botsingen van juichen op wenen, intiem op monumentaal. Ongeacht hun lengte, variërend van een minuut tot een klein kwartier, spreken de een- en meerdelige psalmen op het eerste gehoor dezelfde ordelijk bewogen taal. Naast Sweelinck is de Bach van de Passies een exhibitionist. Hier en daar, zoals in psalm 43 ('Revenge moy, pren la querelle’), manifesteert zich een naar heftig neigende indringendheid, maar de factuur blijft rotsvast, wat niet onlogisch is; de psalmberijmingen vertolken een soort religieus Zwitserleven-gevoel waarin angst niet eens kán voorkomen. Wat de gelovige ook lijdt, hoe hij ook smeekt, hij weet: op mijn God kan ik bouwen.
Het voordeel is, ook wel eens fijn, dat de hysterie buiten de deur blijft. Deze muziek pleegt geen roofbouw op het gevoelsleven. Wat Sweelincks geloofsopvattingen ook geweest mogen zijn, hij achtervolgt je niet met theatrale bekeringsijver. De Cantiones Sacrae houden maat. Sweelinck bespaart je nederige devotie in Timor domini participium sapientiae ('het ontzag voor de heer is het begin van de wijsheid’); hij maakt geen candlelight van Ave maris stella. Meer dan beweeglijke goede moed heeft hij niet in het vat voor Felix auspiciis dies secondis, waar toch sprake is van 'gouden licht, feest voor de Christenen’ - het kek dansante in het tweede deel over de dag dat Michael, 'de triomferende God, zich met wapengeweld bevrijd heeft van de draak’, is voor Sweelinck al bijna een frivoliteit. Ernstig maar niet gepijnigd, niet handenwringend verscheurd, klinkt Vide homo, quae pro te patior, terwijl de tekst daar alle aanleiding verschaft dramatisch uit te pakken ('Zie de folteringen waaraan ik word onderworpen, zie de spijkers waarmee ik word doorboord’). Ik sluit niet uit dat, naast de muzikale mores van zijn tijd, een zekere vaderlandse oppassendheid Sweelinck parten speelde, dat hij te Nederlands is geweest om zelf die diepste diepten op te zoeken. Hoor dit nu: 'O hoe gelukkig is de speer, o hoe gelukkig zijn de spijkers, die eerbiedig de ledematen van Christus binnendrongen. O, wanneer ik de plaats had ingenomen van die speer, dan had ik nooit uit Christus’ zijde naar buiten willen gaan, maar ik zou gezegd hebben: hier is mijn rust tot in alle eeuwigheid, hier zal ik verblijven, want ik heb haar verkozen.’ Explosief materiaal, maar daar komt bij Jan Pieterszoon geen Gesualdo-achtige extase van. Nou breekt m'n klomp, moet de Orpheus van Amsterdam hebben gedacht. Hij hield het hoofd koel, en vertoonde de bizarre tekst met vaste hand en alle stemmen zangrijk straf in het gelid, zoals hij meende dat het hem betaamde. De kunst is het gegeven paard niet in de bek te kijken. Neem hem zoals hij is en je wordt beloond.

Het volledige Sweelinck Monument is te bestellen via www.jpsweelinkc.nl