Met de kennis van toen

Hoe Griekenland bij de euro kwam

Europa leent Griekenland nieuwe miljarden. Steeds meer politici noemen het land onbetrouwbaar en lui. Geert Wilders sprak zelfs van een ‘junk’. Maar wie in Nederland liet die dan tot de eurozone toe?

Medium greeceweb

WAT WAS ER gebeurd als de Tweede Kamer had ingestemd met motie nummer 285 in het dossier 21501-07? In 2000 verzocht CDA'er Henk de Haan daarmee de regering niet in te stemmen met de Griekse toetreding tot de eurozone. De Haans motie haalde het niet. Alleen zijn eigen CDA en de kleine christelijke partijen stemden voor. Minister Zalm van Financiën loofde daarentegen de Griekse bezuinigingsijver als een ‘buitengewoon indrukwekkende’ prestatie. Een ruime meerderheid van de volksvertegenwoordiging steunde hem in die optimistische houding. Inclusief een jong VVD-Kamerlid, luisterend naar de naam Geert Wilders.

Nog geen maand later werd de deelname van Griekenland aan de euro in het Portugese Feira afgehamerd. De opeenstapeling van schandalen en onthullingen die daarop volgde, is inmiddels bekend. Griekenland heeft gesjoemeld. Het bleek jarenlang een veel te rooskleurig beeld van zijn staatsschuld en begrotingstekort te hebben gegeven. Met als gevolg dat het land aan de Middellandse Zee elf jaar na zijn toetreding praktisch failliet is. Het wordt slechts overeind gehouden door miljardenleningen vanuit de rest van de eurozone. De onvrede daarover groeit zienderogen. Wilders, ditmaal in de rol van eurosceptische PVV-leider, vergeleek Griekenland onlangs in een debat met een drugsverslaafde: 'Een junk leen je geen geld, mijnheer Pechtold, want dat zie je nooit meer terug!’

De vraag is wie die 'junk’ dan heeft toegelaten tot de gemeenschappelijke munt. Hebben de Grieken werkelijk iedereen voor het lapje gehouden? Of had de politiek beter kunnen weten? Voor het antwoord moeten we verder terug dan de Griekse toetreding, naar het begin van de jaren negentig. In ruil voor instemming met de Duitse eenwording heeft Frankrijk de komst van de euro bedongen. Aanvankelijk is het de bedoeling dat die van start gaat met een kleine voorhoede van economisch sterke landen. Daarom worden strenge toelatingscriteria opgesteld. Zo dient het jaarlijkse tekort op de begroting de drie procent niet te overstijgen en mag de staatsschuld maximaal zestig procent van het bruto binnenlands product (bbp) zijn.

Het loopt anders. De Europese lidstaten stellen alles in het werk om zich van deelname aan de gemeenschappelijke munt te verzekeren. Uitzonderingen als Groot-Brittannië daargelaten wil niemand achterblijven. Minister Zalm spreekt van 'hysterische pogingen’ om aan de toelatingscriteria te voldoen. Zo voert Italië een speciale eurobelasting in om het tekort op tijd te bedwingen. Maar niet alleen ten zuiden van de spreekwoordelijke 'knoflookgrens’ wordt de financiële trukendoos opengetrokken. Zelfs Duitsland gaat zich te buiten aan twijfelachtige financiële praktijken. Minister van Financiën Theo Waigel vat het plan op de nationale goud- en deviezenreserves te herwaarderen en zo de overheidsfinanciën in één klap met tientallen miljarden D-mark aan te sterken. Het voornemen loopt stuk op verzet van de Bundesbank, maar de schade voor de euro is al geleden.

Nederland blijft zich als een van de laatste landen verzetten tegen het oprekken van de toelatingseisen. Niet dat dat de enige kritiek is op de euro. In een gezamenlijk opiniestuk waarschuwen zeventig economen dat de eenheidsmunt het democratisch gekozen regeringen onmogelijk zal maken een alternatief beleid te voeren - socialer, ecologischer of keynesiaans. De SP bepleit een referendum. Maar de grote partijen hebben uitsluitend aandacht voor de monetaire criteria. Zolang die strikt worden nageleefd, zo is het idee, komt het wel goed met de muntunie. Premier Kok spreekt standvastig van 'drie procent is drie procent’. VVD-leider Bolkestein laat geen gelegenheid onbenut om zich uit te spreken tegen deelname van Italië aan de euro. Zijn partijgenoot Zalm verbindt daar zelfs zijn ministerschap aan.

Maar als Italië extra hervormingen belooft, haalt Nederland plotseling bakzeil. 'De regering staat voor een voldongen feit en ik sta voor hetzelfde voldongen feit’, zegt Bolkestein in het parlement. 'Er is namelijk geen alternatief.’ De beoordelingen die de centrale banken zojuist hebben afgegeven van de door de eurokandidaten geleverde financiële inspanningen lijken geen aanleiding te geven voor die draai. In zijn cruciale 'convergentieverslag’ noemt het Europees Monetair Instituut, de voorloper van de Europese Centrale Bank, de overheidsschuld van zowel België als Italië 'een bron van zorg’. Wat heet: de twee lidstaten kampen met een schuld van rond de 120 procent van hun bbp. De Duitse Bundesbank komt zelfs tot de ontnuchterende conclusie dat slechts een handvol landen wél aan alle criteria voldoet. Of er sprake is van 'duurzame convergentie’ wordt openlijk betwijfeld. De goede rapportcijfers op het gebied van de nationale begrotingen zouden minder een teken van stabiliteit zijn dan van eenmalige manoeuvres.

Uiteindelijk stemde Nederland willens en wetens in met die schending van de toelatingscriteria

Tegelijkertijd tonen de centrale bankiers zich terughoudend. De beslissing welke landen mogen deelnemen, is een zaak van de politici. Die lijken als het om de euro gaat ineens te veranderen in marxisten van het deterministische soort. De gemeenschappelijke munt wordt voorgesteld als een 'historische onvermijdelijkheid’. Uitstel zou onmogelijk zijn, de schade voor de Nederlandse export groot. Naast Bolkestein betoogt werkgeversorganisatie VNO-NCW dan ook dat er 'geen alternatief’ is voor de monetaire unie. Opmerkelijk genoeg denken ze daar bij de vakbond hetzelfde over. De euro is volgens een woordvoerder van de FNV 'een onomkeerbaar proces’. Een collega van het CNV toont zich in NRC Handelsblad optimistisch: 'Wat verandert er? Hoogstens worden gulden en mark iets minder sterk en dat heeft voor ons zeker voordelen.’ En ook handig: de euro maakt het voorheen goedkopere landen als Italië en Portugal definitief onmogelijk hun munt te devalueren ten opzichte van de gulden. Dat versterkt de Nederlandse concurrentiepositie. Het maakt het bovendien onwaarschijnlijk dat bedrijven nog langer banen verplaatsen naar die landen.

Als dat breed gedragen beroep op de Hollandse handelsgeest niet voldoende is, zijn er altijd nog de doemscenario’s. Zou Italië zakken voor het euro-examen, zo klinkt het, dan kan dat het land in een politieke crisis van jewelste storten. Een chaos waar de separatistische Lega Nord wel eens garen bij zou kunnen spinnen. En wie wil er nu een overwinning van extreem-rechts op zijn geweten hebben?

DEZE GESCHIEDENIS laat zien dat de Nederlandse politiek niet bedrogen is door de zwakkere eurostaten. Zij heeft zich hooguit láten bedriegen. Uit de rapporten van de centrale banken bleek immers duidelijk dat landen als Italië en België hun financiën niet op orde hadden. Dat er van Rome tot Berlijn boekhoudkundig gegoocheld werd, was evenmin onbekend. Uiteindelijk stemde Nederland willens en wetens in met die schending van de toelatingscriteria. Niet zozeer uit naïviteit, als wel uit economische belangen. De baten van de euro werden simpelweg hoger ingeschat dan de mogelijke kosten. Toen de gemeenschappelijke munt eenmaal een feit was, werden de twijfels aan haar hardheid bovendien liever binnenskamers gehouden. Al te luid uitgesproken kritiek zou paniek kunnen veroorzaken op de financiële markten.

Precies zo ging het ook bij de toetreding van de enige lidstaat die eind jaren negentig, tegen zijn zin in, niet direct was toegelaten tot de eurozone: Griekenland. Met één verschil. Toen in 2000 de Griekse deelname op de agenda stond, was de erfzonde al een feit. Italië en België waren immers toegetreden met staatsschulden die nog hoger waren dan de Griekse. Zoals minister Zalm het in de Tweede Kamer verwoordde: 'Het is dan niet fair dat ik tegen de Grieken moet zeggen, hoewel andere landen met minder goede prestaties eerder wel zijn toegelaten, dat het Nederlandse parlement het niet zo prettig vindt dat zij nu al meedoen, omdat zij niet zo'n geweldige traditie hebben en dat zij er dus buiten gelaten worden.’

Dat was vóór het grootschalige Griekse bedrog in de publiciteit kwam. 'Met de kennis van nu zou Griekenland er niet bij komen’, stelde Zalm afgelopen weekeinde dan ook in een interview met de Volkskrant. 'Het land heeft zich destijds met vervalste statistieken de eurozone binnen gelogen.’ Maar hoe zit het met de kennis van toen? CDA-Kamerlid De Haan sprak immers al in 2000 van 'eenmalige kunstgrepen’. Ook Zalms eigen ambtenaren waren daarvan op de hoogte. Zo merkte het ministerie van Financiën op dat de wonderbaarlijke snelheid waarmee de Grieken hun inflatie hadden beteugeld - een decennium eerder lag de geldontwaarding nog boven de twintig procent - onder meer te danken was aan het afsluiten van enkele 'herenakkoorden’; speciale afspraken met ondernemingen om de prijzen te verlagen van juist die goederen die meetelden bij de berekening van het inflatiecijfer. Daaraan werden verder geen consequenties verbonden.

Elders in Europa vond kritiek op de Griekse toetreding evenmin gehoor. Toen een prominent Bundesbank-lid op persoonlijke titel opmerkte dat Griekenland niet voldeed aan de toetredingscriteria leidde dat onmiddellijk tot een reactie van de financiële markten. Het kwam de bankier op een reprimande te staan van de Duitse minister van Financiën, zo blijkt uit een recentelijk door Bild gepubliceerde brief. Zalm had kortom beter kunnen weten. Net als de rest van de Tweede Kamer, Wilders inclusief. Of zij zijn te goedgelovig geweest. Of zij stelden andere, Nederlandse belangen boven een harde euro. In beide gevallen past anno 2011 meer zelfkritiek en minder arrogantie in de reacties op de Europese schuldencrisis.

Rest één vraag: had het Nederlandse parlement dat fiasco kunnen voorkomen door in te stemmen met de motie-De Haan? Een blik op de rapporten die in 1998 waarschuwden voor de begrotingstekorten van Italië en België kan de vaderlandse politici op dat punt geruststellen. Ook als de voor Nederland heilige monetaire criteria strikt gehandhaafd waren, was de eurocrisis namelijk niet voorkomen. Zo noemden de centrale bankiers aan de vooravond van de euro-invoering, te midden van alle Europese zondaars, ook een paar positieve uitzonderingen. Zoals het voorbeeldige landje dat in plaats van een tekort een overschot op de begroting boekte. Goed een decennium later zou Ierland na Griekenland de tweede staat binnen de eurozone zijn die met een miljardenpakket moest worden gered voor het bankroet.


Beeld: (1) Euro-Krise (m.p.3/ Flickr)