Menno Hurenkamp

Hoe grote mannen klein worden

Een week geleden zaten twee oude mannen achter hun schrijftafel. Frits Bolkestein was bezig aan een knorrig stuk voor de krant. Hij realiseerde zich meer en meer dat hij minister-president had kunnen worden in plaats van die onverstaanbare snoeshaan. «Een esseej, ik schrijf gewoon een esseej. Dat kan die Balkenende ook al niet.» De eurocommissaris was vast van plan definitief af te rekenen met, ja, met wie ook weer? Hij neuriede voor zich uit. «Cetero censeo Pronk penis. Vervoeging fout. Te studentikoos. Nou ja, die man is een gevaar. Daar moet het over gaan.» Dat had hij al vaker opgeschreven maar hij had nu status genoeg om langdurig in herhaling te vallen. Ondertussen zat ook Bernhard te schrijven voor de krant — aan een brief, hij was per slot een prins. «Ze hebben mijn moeder besmeurd, en dat is een schande», mompelde hij, en hij putte even uit het hulpverlenerstaaltje dat hij ooit van Juliana had opgepikt: «Ik heb er een complex van.»

Bolkestein vatte zijn betoog ondertussen vast samen. «Alles is de schuld van Den Uyl.» Hij realiseerde zich dat die maar vier jaar de baas was en dat de VVD het decennium daarvoor en daarna regeerde. Eigenlijk raar dat zijn superieure club zich zo door een paar halvegaren in de wielen liet rijden. En goedbeschouwd deden de rechtse kabinetten-De Jong en -Biesheuvel in die tijd al veel linksige dingen. En die oen van een Wiegel gaf de moslims het recht op behoud van hoofddoeken. «Allemaal niet noemen, geen rode haan die er naar kraait», bromde hij. Ook Bernhard joeg wat oude spoken na. «Pantchoulidzew hield het niet met moeder.» Hij vrat zich wéér op bij de gedachte aan de drie verdwaalde complothistorici die zich met deze onbekende soldaat bezighouden. «Over Lockheed beter niks zeggen.»

Terwijl Bolkestein nog wat Franse intellectuelen nasloeg belde Bernhard al met de krant. «Ik wil graag een paar volle pagina’s om over Mamá te praten en om niets te vertellen over mijn NSDAP-verleden. Kan dat? Fein.» De eurocommissaris tikte mompelend een agenda voor de toekomst aan zijn klaagzang vast. «Pensioenen, integratie, rechtsstaat. Hard ingrijpen. Zou iemand daar tegen zijn? Bos en Balkenende vast niet. Wacht, dan schrijf ik ook kernenergie op. What else? Het onderwijs is aan het rotten. En in Washington en Moskou regeert een dievenkliek. Daar klagen die van Shell zelfs stiekem over. Afrika fikt. Allerlei moslims blazen zich op. Waarom doet die marktwerking daar toch niks aan? Mond over houden. En nu een uitsmijter. Veel onaardige mensen zullen hun gelijk bevestigd zien. Mooi! Hoewel, Pronk is ook onaardig. Hmm, moeilijk.»

Bolkestein, die lang schitterde in Den Haag, en Bernhard, die zijn hele leven op kosten van anderen in de mondiale beau monde wist rond te hangen — beiden zouden soeverein in hun zetel kunnen zitten, in de zonneschijn van hun historie. Dat lukt ze niet. Hullie hebben het gedaan, roepen ze, en vermijden na al die jaren aan de top nog steeds reflectie op eigen daden. In plaats van wijsheid serveren ze verongelijktheid. Is het geborneerdheid van de roem of doodsangst van oude mannen?