Luisteren

Hoe harder hoe beter

Je rijdt door de Rocky Mountains en opeens wordt het vioolconcert van Glazounov het grootste kunstwerk aller tijden.

Onuitroeibaar is komkommernieuws over de gevaren van muziek in de auto. Een Britse autoclub onthulde in 2004 onheilspellend dat muziek met meer dan zestig beats per minuut een versnelde hartslag en verhoogde bloeddruk veroorzaakt, met alle consequenties van dien. Een hoog volume is ‘volgens onderzoek’ - hoe onderzoek je zoiets? - funest voor de reactiesnelheid. Tot de gevaarlijkste automuziek, las ik, behoren Wagners Walkürenritt, het Dies Irae uit Verdi’s Requiem en Firestarter van Prodigy.
Ik had al dood moeten zijn. Als automobilist heb ik die verboden vruchten allemaal op mijn menu, hoe harder hoe beter. Wat heb ik aan een wetenschap die niet de moeite neemt te bewijzen dat ik mijn leven dank aan mijn boorddiscotheek? Hoe metal-pep je tijdens lange reizen door de nacht sleept, hoe gedachten en belevenissen onderweg onuitwisbare herinneringen graveren in de ordinairste top-10-hit, daar hoor je nooit een onderzoeker over. Geen woord over de intense, bestaansverlengende verbondenheid met Mozart in je kloostercel boven het wegdek, waar je alleen bent in een hoogstpersoonlijk paradise by the dashboard light. Geen woord over de pracht waarmee muziek en route bij dag en nacht je in- en uitzichten kroont, over hoe Bruckner in de Alpen meewelft met de bergen of hoe Ravels Daphnis als een zachte hand de sterren van de hemel lijkt te plukken. Niets over het concentratieverhogende effect van een Bach-fuga. De wetenschap houdt het liever bij billenknijperige dreigingsanalyses, in de geest van de tijd die het leven verstaat als techniek van ontwijken. Je zou eens domweg gelukkig zijn.
Ja, muziek is ook griezelig. Terwijl het net over onschuld ging toen tijdens een persgesprek in Utrecht de Poolse pianist Krystian Zimerman, een zorgelijk genie met de beste bedoelingen, medio jaren tachtig zijn vaderlijke verontrusting uitsprak over geweld in televisieseries. De Postbus 51-sfeer kantelde toen ik hem vroeg of een sonate van Beethoven niet even gevaarlijk was als de motherfucker die in Hill Street Blues zijn hele brotherhood om zeep helpt. Hij vond het niet voor niets een goede vraag. Muzikanten weten dat de tragiek van Beethovens Pathétique en de agressie van zijn Hammerklaviersonate zo hevig kunnen inwerken dat ze persoonlijk worden, de kleuren van een lijdensgeschiedenis die getuige de herkenning ook de jouwe was. Om die identificatieneiging van je af te schudden moet je sterk staan. De muziek geeft de geleende heroïek zo'n glans dat je erin zou willen blijven.
Muziek kan je een moed influisteren die je niet hebt, een trots die je niet verdient, een narcisme dat je tot gevaar voor je omgeving maakt wanneer je na de slotmaat weer op aarde landt. Je bent teleurgesteld. Het paradijs heeft je verbannen. Je vindt dat je dat niet verdiende. Je was er zo thuis. Maar stel dat je eerlijk bent. Dan schrik je van jezelf.
Daarom is muziek vooral onderweg riskant als in het vacuüm tussen A en B de ruimte ontstaat voor het eeuwigdurende gevecht tussen genot en geweten. Je bent tevreden weerloos onderweg tot de muziek je vraagt of je wel zeker wist dat je de juiste route had gekozen, of dat geluk wel echt het jouwe was. Dat overkomt je niet in de concertzaal, waar de muziek alleen maar kunst is. Nu komt het erop aan. Je weet dat het risico van ontluistering groot is, maar je moet het nemen. Muziek wordt een test voor je kracht, je gevoelens, je verstand, je zelfbeeld en je voorstellingsvermogen, je geloof.
In juli 1992 reed ik in een Chevrolet Corsica door de Rocky Mountains, met naast mij mijn toenmalige geliefde. De avond viel. Het dichtstbijzijnde dorp was 35 kilometer verder, maar de radio had zowaar ontvangst. Midden in de bergen, op een smalle weg tussen de hemeltergend lange dennen, pikte de antenne het vioolconcert van Glazounov op. 'Glazounov!’ riep zij.
Ik was teleurgesteld. Het concert van Glazounov behoort tot de tientallen min of meer geslaagde, meeslepende, vervoerende concerten onder de toplaag. Na drie weken muziekonthouding hoop je op ten minste Beethoven of Brahms. Maar ik was snel in de ban. De uitvoering met Jascha Heifetz overtrof het stuk. De muziek werd tijdelijk uniek omdat er niets anders was. Er zijn geen woorden voor de gratie waarmee de noten versmolten met de wereld om en in ons. Het vioolconcert van Glazounov was dankzij bossen en bergen, de onmetelijke zomer en de avondlucht twintig minuten lang het grootste kunstwerk aller tijden.
Maar het was geen muziek meer, het was ons verhaal. Toen ik haar zag en zij mij drong door wat we daar hoorden. Naast mij zat de vrouw met wie ik niet had moeten gaan en die daar net zo min als ik iets aan kon doen. Tussen ons in stonden illusies die we zo hadden gebagatelliseerd dat een onschuldige muziek de diagnose van de kloof moest worden, muziek die was zoals het tussen ons had moeten zijn, probleemloos lyrisch. Ik stopte de auto, we zwegen tot de laatste maat. We hoefden niets meer te zeggen. Het oordeel was geveld, de pijn was onthuld, het gevaar was bezworen. Tussen tafel en bed stond tot het echte afscheid Glazounov als in memoriam. Zo spijkerhard is Firestarter nooit geweest.