Hoe herken ik een fascist?

Vroeger kon je een fascist makkelijk herkennen. Het was een racist, hij geloofde in een complottheorie, wilde een sterke leider, hield van ‘gezond verstand’, onderschreef een bloed-en-bodemtheorie, vreesde veranderingen en was dientengevolge buitengewoon behoudzuchtig.

Hoe herken je tegenwoordig een fascist? Zijn ze er wel? Ik ken wel mensen die grappen over joden en negers debiteren, maar die maken ze omdat het eigenlijk niet mag; politieke correctheid geeft een ethische norm die schreeuwt om het verkennen van de grenzen aan de andere kant. Toch zie je overal fascistische tendenzen. Een fascisme dat je niet goed kunt vatten - of vergis ik mij? De grootste vijand van het fascisme is de democratie. Democratie is tegenwoordig erg ouderwets. Immers: een voetbalelftal, een bedrijf, een militaire alliantie als de Navo, een politieke partij en een televisie-omroep worden allemaal sterk hiërarchisch geleid. Jan Wouters bepaalt het spel bij Ajax, Boonstra doet dat bij Philips. Voldoen ze niet, worden ze direct ontslagen. In de jaren zestig en zeventig werd dat soort instituten gedemocratiseerd - tot de kranten aan toe - maar dat bleek een vergissing, want leiding ontbrak, alles ging trager dan normaal, waardoor ongedemocratiseerde instellingen een te groot voordeel kregen boven gedemocratiseerde. We draaiden snel alles terug - zelfs bij de Volkskrant en De Groene Amsterdammer. Maar de enige plek waar je de democratie niet mag terugdraaien is het landsbeleid. Met alle consequenties van dien, namelijk: het land is per definitie een slecht geleid elftal, bedrijf of krant, etc. Alle conflicten die er tegenwoordig zijn, vinden dan ook altijd plaats op plekken waar de democratie botst met hiërarchisch geleide structuren. De regering versus Schiphol, het milieubeleid, de asielzoekers, de werkgelegenheid, etc. Het is de consequentie van ons kapitalisme dat steeds moeilijker democratie verdraagt. Hoe groter de botsing, hoe groter de roep om sterke leiders. ‘Een Bolkestein zou wel weten wat hij met die asielzoekers moest doen.’ Democratie heeft goedbeschouwd maar één uitgangspunt: doen wat de meerderheid wil. En het heeft maar één belangrijke spelregel: om de vier jaar moet middels een verkiezing getoetst worden wat die meerderheid wil. Je ziet nu twee verschijnselen. Er is een groep die steeds meer democratie wil (middels Internet, referenda) en een groep die de democratie het liefst wil omzeilen. In beide groepen zie je fascistoïde trekken. De een wil een sterke leider, de ander vreest veranderingen, een sympathieke groepering als een milieuvereniging kun je soms betrappen op de engste complottheorieën en op een ongemeen bloed-en-bodemdenken. Hoe herken je de nieuwe, gevaarlijke fascist? Daar zit ’m net nou de kneep. We weten niet waar we naar zoeken. Racisme - zo verstandig zijn we wel - is fout omdat het een foute redenering is, die niet stoelt op feiten. Negers zijn niet dom, joden vormen geen onzichtbaar complot, etc. Maar wat doe je met de redenering: als hier straks een miljoen vreemde fundamentalisten zitten met politieke macht, hoe zit het dan straks met onze vrijheid van meningsuiting, met onze werkgelegenheid, met onze vrijheid van onderwijs, etc, etc? Wat doe je met 'wetenschappelijk onderzoek’ waaruit blijkt dat tachtig procent van de Marok-jeugd crimineel is, en dat negers een lager IQ hebben dan Aziaten en blanken? Wat doe je met vormen van politieke correctheid die in wezen dit soort zaken niet aan de orde willen stellen? Wat doe je in tijden van oorlog? Is de democratie nog wel goed voor alle mensen? Wie bepaalt dat? (Wordt vervolgd) ( (