Decamerone 2020

Hoe het verder moet

Terwijl de pest op de deur klopte, vertelden de Florentijnse jongeren van Giovanni Boccaccio elkaar sterke verhalen over verliefdheid, waanzin en bedrog om de verveling van hun quarantaine te doorbreken. Nu, zevenhonderd jaar later, kunnen we die traditie voortzetten. Verteller nummer acht: Maartje Wortel.

Er was eens een doodzenuwachtige jongen die, net als zoveel jongens, van een meisje hield dat hij moeilijk kon doorgronden. Hij had al zijn woorden en geld aan haar willen opmaken. Hij had haar tegen zich aan willen drukken zodat hij haar hart tegen zijn hart kon voelen kloppen. Hij had met haar hoofd in zijn nek met haar willen liggen in een bed met witte lakens. En dat zij hem kon leren hoe hij zich moest ontspannen.

De jongen kon nooit ontspannen, hij kon amper in slaap komen, want hij maakte zich druk om de wereld. Hij vond het moeilijk zijn oordeel voor zich te houden.

Hij hield niet van bergen. Hij hekelde mensen die sloffen droegen, pianospeelden of hun verjaardag vierden. Natuurlijk had de jongen ook meningen over politiek, taaluitingen, en de artikelen die in de krant stonden. Die zenuwachtige jongen hield zijn mond niet: hij verkondigde wat hij vond, tout le monde moest weten hoe hij over bepaalde zaken dacht. En daarom hadden mensen hem liever niet in de buurt. Deze sociale isolatie gaf hem veel stress, vandaar dat hij een siliconenbitje droeg, anders zou hij al zijn tanden kapot bijten.

Zijn broer had hem gezegd dat hij moest leren ontspannen. De jongen wantrouwde mensen die zeiden dat hij moest leren ontspannen: hij betwijfelde of een mens daartoe in staat was. Hoe kon je accepteren dat je leefde? Toch liet de gedachte dat hij moest leren zich te ontspannen hem niet los.

Op een ochtend, nadat hij weer eens slecht had geslapen – hij sliep nooit goed –, ging hij het experiment aan en ging hij met zijn ogen dicht op een plastic stoel op zijn balkon zitten. Hij probeerde te denken aan dingen die hem gelukkig maakten en hem wellicht rust en verlichting zouden kunnen brengen.

De jongen dacht aan het meisje van wie hij hield, bij wie hij graag in de buurt zou willen zijn. Ze was lief en zacht en wild en beweeglijk en danste als een dier op een ritme van muziek die hij niet hoorde, wat hem fascineerde, omdat het meisje die muziek werkelijk leek te doorgronden. Hij wilde haar liefhebben, want ze begreep iets van trillingen en ze rook een beetje naar zeewier. Hij wilde haar hand pakken en haar vertellen dat ze samen konden bestaan. Hij wilde haar beweging voelen. Hij dacht aan woest stromende rivieren, de zee en een verlicht zwembad in de nacht. Hoe hun lichamen iets lichts zouden kunnen zijn. Hij dagdroomde dat hij verdronk in het zwembad zonder er moeite voor te hoeven doen; hij viel zonder gevecht stil en zakte naar de bodem.

Hij dacht al deze dingen en probeerde ondertussen zijn ademhaling te reguleren. Het ging hem niet goed af en zijn kaken bleven gespannen. Hij dacht: zinloos. Hij opende zijn ogen. Hij vond zichzelf een kosmische grap, zijn pogingen zwakzinnig. Desalniettemin bleef hij nieuwsgierig naar een ontspannen versie van zichzelf.

Op een andere dag, in een opwelling, zocht hij contact met een zenuwarts die hij in een advertentie in de zaterdagkrant had zien staan. De wanhoop van de jongen had het gewonnen van de minachting die hij voelde voor dit soort artsen. Liever een prutser die zijn hand vasthield dan dat niemand dat deed.

Zo kwam het dat hij op een donderdagmiddag in een kleine kamer in een groot gebouw plaatsnam op een stoel tegenover de zenuwarts. De man had conform het vooroordeel van de jongen over zenuwartsen een snor en een slechte adem. Waarschijnlijk, dacht de jongen, bezat hij ook een Volvo en een middelgrote hond die hij uitliet aan de riem, en een vrouw (eerste huwelijk, tweede huwelijk, derde huwelijk) die vanavond thuis in een groot huis met hoge ramen op hem wachtte met een glas rode wijn.

De zenuwarts stelde zichzelf voor als Bob, wat de jongen dan weer een atypische naam vond voor een zenuwarts, hij had gedacht aan een lange onuitspreekbare naam. Bob luisterde naar de jongen met zijn meningen en zei toen: je kunt je oordelen zien als vaststaande gegevens, alsof er geen verandering mogelijk is, in je oordeel of in de mensen of de dingen.

Bob zei ook: en het is eenvoudiger je oordeel te veranderen. Bijvoorbeeld: van je oordeel kun je af, als je het in je hebt om los te laten. De jongen zei eerlijk dat hij niet wist of hij daartoe in staat was.

Bob zei: durf je het te proberen? De jongen knikte. Bob zei dat je makkelijker van je ideeën af kwam dan je denkt. De jongen dacht met een zwaar gevoel aan hoe hij heel makkelijk van dingen af was gekomen waar hij niet vanaf had gewild. En ook hoeveel zelfs nog nooit in zijn bezit was geweest.

Bob gaf de jongen het advies zijn oordeel te visualiseren (een kort moment kromp de jongen ineen van de beelden in zijn hoofd) om het vervolgens op te vouwen en uit het raam te gooien. Alles is verplaatsbaar, zei Bob. De jongen was een beetje huiverig voor dit plan; hij wist niet goed waar hij wel en niet vanaf moest om te ontspannen en hij wilde niet helemaal een man zonder meningen zijn. Je kon nooit weten welke gek er met je oordelen vandoor zou gaan als je ze losliet en die dan zou worden wie jij had moeten zijn. Je moest wat van jou was stevig tegen je borst dragen, zoals je dat deed met een jong dier dat warmte nodig heeft, dacht de jongen.

Toen schudde Bob hem hartelijk de hand. (Atypisch, dacht de jongen. Slechte adem, dacht de jongen.) En de jongen liep terug naar zijn flat, waar hij het idee van de zenuwarts direct en nogal letterlijk ten uitvoering bracht. Als een maniak schreef de jongen hele vellen papier vol met zijn oordelen. Als hij zijn bitje niet in had gehad, was hij tijdens deze activiteit zeker een paar tanden verloren. Door te schrijven begon het in hem te stromen, al had hij een hekel aan het woord stromen; oordeel na oordeel vloeide uit hem weg. Hij vouwde vliegtuigjes van zijn oordelen en gooide ze van vijf hoog van het balkon. Zodoende lag het grasveld onder zijn flat na een paar uur bezaaid met zinnen als ‘Chopin is een bedrieger’. Verjaardagen betekenen niets, want het leven betekent niets. Het is onjuist dat er nipttesten uitgevoerd worden; wat we nodig hebben is variatie. Fuck iedereen die dieren eet. Paul Auster maakt landkaarten van taal waarmee niemand de weg kan vinden. Brabant draagt schuld. Het menselijk lichaam wordt overschat. Wielrenners zijn honden. Vaders zijn onaantrekkelijk.

Hij oordeelde over de wereld, over zichzelf en over het leven dat hij tot nu toe had geleid. Hij oordeelde over Ahold, Airbnb, klm. Over Sting en U2, Coldplay en acdc. Over de honden van de benedenbuurman en over de leiders van allerhande landen. Hij schreef zelfs iets over het meisje op wie hij verliefd was en kon alleen bedenken dat ze er niet was. Al was dat niet echt een oordeel, dus schreef hij snel een oordeel op over zichzelf. Mislukkeling.

Je kon nooit weten welke gek er met je oordelen vandoor zou gaan als je ze losliet

Toen hij klaar was rookte hij een sigaret tegen de reling van zijn balkon. Zijn lichaam voelde niet meer als iets waar hij vanaf moest, maar als iets dat bij hem hoorde. Zijn sigaret bungelde tussen zijn lippen, zijn kaken waren ontspannen, hij dacht aan niets. Hij stond daar maar tegen die reling. Alles wat er bestond, om hem heen en binnenin hem, wás er gewoon. De jongen had nooit geweten dat de manier waarop je naar de wereld keek een kwestie was van wilskracht en daadkracht. Dat je van dingen af kon komen.

Na een paar weken merkte de jongen dat hij van een doodzenuwachtige jongen gewoon een jongen was geworden. Dat zinde hem niet. Nu was hij een tevreden jongen en dat was nou ook weer niet de bedoeling. Hij was iemand geworden die hij vroeger zou hebben gezien als naïef en redelijk normaal. Tevredenheid was van alle staten van zijn de meest erge. Het kon niet lang meer duren of hij zou pianospelen op zijn bloedeigen verjaardagsfeest.

De jongen besloot opnieuw naar de zenuwarts te gaan, voordat zijn identiteit compleet verloren zou gaan.

Bob deed op precies dezelfde zelfverzekerde manier de deur open als de vorige keer. Hij had zijn snor afgeschoren, wat de jongen verbaasde, toch zei hij er niets over.

Heb je het aangedurfd om je ideeën vrij te laten? vroeg Bob. De jongen knikte en begon onmiddellijk te huilen.

Mijn oordelen gaven me houvast, zei hij. Een identiteit. Levenslust zelfs. Nu zit ik op mijn balkon en ik kijk naar het grasveld voor de deur en naar de rook die ik uitblaas en ik weet niet meer wat ik moet denken. Ik ben tevreden, ik laat mijn tanden heel, ik blijk in staat de wereld simpelweg te laten bestaan. Ik slaap zelfs weer.

Bob knikte. De jongen wist niet of dat goed of slecht was. Of wat Bob daarmee bedoelde.

Heb je wel dromen? vroeg Bob. De jongen vertelde over de zee en de rivier en het verlichte zwembad. Hij zei niets over het verdrinken. Wel vertelde hij over het meisje aan wie hij zijn woorden en geld wilde kwijtraken.

Je moet wat van jou is stevig aan je borst drukken, zei de jongen.

Bob knikte.

Ik wil eigenlijk niet dat er een verleden tijd bestaat, zei de jongen. Ik wil vooruitkijken. Niet achteruit.

Bob knikte opnieuw en zei twee keer achter elkaar: interessant, interessant.

Ik wil dat mijn verleden achter mij ligt, en niet met mij in mijn bloed meeloopt als een voldongen feit.

Bob zei: bedenk eens wat je over jezelf zou zeggen als alles begon met de woorden: er was eens…

De jongen dacht kort na en zei: dat ga ik niet doen. Er was eens zijn verhaaltjes die enkelvoudig beginnen om te eindigen met ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’. En dat is meervoud, Bob. Meervoud. En weet je wat het is? Ik ben er nog. Ik ben er nog steeds. Alleen.

Daarna liep de jongen de kamer uit, sloot de deur en vertrok de wereld in. Misschien leefde hij nog lang en gelukkig. Misschien zelfs met het meisje. Het zou kunnen; het bestond tot de mogelijkheden, er waren genoeg trillingen waar hij nog niets van wist, alles stond nog te gebeuren, dat moest wel.