Hoe het was in de hel

Onze oosterburen spreken nu al van een nieuwe Historikerstreit en ook in Nederland is de discussie over de Duitse collectieve schuld weer eens ontbrand. En dat terwijl de vertaling Van het boek dat dit allemaal in gang zette, nog moet verschijnen. Daniel Goldhagen (36) , hoogleraar in Harvard, beweert in ‘Hitlers Willing Executioners ’ dan ook niet minder dan dat het ‘eliminatie antisemitisme’ al ver voor 1933 een algemeen Verschijnsel was in Duitsland. Maar hoe nieuw is het eigenlijk wat hij schrijft?
Daniel Jonah Goldhagen, Hitler’s Willing Executioners: Ordinary Germans and the Holocaust. Uitg. Knopf, 622 hlz. Dit artikel is overgenomen uit The New York Review van 18 april 1996. Vertaling: Tinke Davids.
DANIEL GOLDHAGEN doet in zijn boek Hitler’s Willing executioners nieuw onderzoek naar de aard van het Duitse antisemitisme. Hij gaat na hoe dit denken zich in de negentiende eeuw zodanig kon ontwikkelen dat de nazi’s voor een maatschappij kwamen te staan die zo doordrongen was van boosaardige denkbeelden over de joden dat de bevolking bereid was zich te laten mobiliseren voor de meest extreme anti-joodse maatregelen, en steun te verlenen aan de slachting die daarop volgde.

Goldhagen laat zich daarbij inspireren door de overtuiging dat wij ons, in onze beoordeling van de naziperiode, hebben laten misleiden door de veronderstelling dat de doorsnee Duitsers van die tijd afwijzend stonden tegenover de maatregelen die namens hen werden genomen en dat ze, voor zover ze eraan meewerkten, dat deden omdat de nazi’s hen terroriseerden of uit overdreven gehoorzaamheid en sociale druk. Goldhagen daarentegen beweert met nadruk dat de overgrote meerderheid van de Duitsers het eens was met Hitlers antisemitisme en bereidwillig heeft meegewerkt aan de wrede tenuitvoerlegging daarvan.
Het eerste deel van het boek waarin het antisemitisme van vóór de naziperiode wordt behandeld heeft te lijden onder het feit dat de bedoelingen van de auteur - zoals hij pas laat in het boek meedeelt ‘in de eerste plaats verklarend en theoretisch zijn. Verhaal en beschrijving (…) zijn hier ondergeschikt gemaakt aan dat doel. ’ Dit deel bestaat uit twee hoofdstukken, waarvan het eerste een tamelijk zwaarwichtig 'kader voor analyse’ is waarin de auteur zichzelf nogal herhaalt. Hij wijst hier op enkele belangrijke, zij het niet geheel originele zaken: dat de denkbeelden aangaande joden niet noodzakelijkerwijs in enig verband hoeven te staan met hun feitelijk optreden; dat zich in een maatschappij waarin antisemitisme sinds lang endemisch is, afhankelijk van de omstandigheden manifeste en latente fasen zullen voordoen, maar dat de denkbeelden zelf niet zullen verdwijnen; en dat de mate waarin een volk bezeten is van de aanwezigheid van joden een betrouwbare indicatie is voor het sociale gevaar van antisemitisme. Deze voorwaarden waren duidelijk aanwezig in het Duitsland van de negentiende en twintigste eeuw.
In een volgend hoofdstuk, 'The Evolution of Eliminationist Antisemitism in Modern Germany ’, bespreekt Goldhagen in heel algemene termen de inhoud van het middeleeuwse christelijke antisemitisme, de bron van tal van woeste fantasieën die Duitsers - en andere Europeanen - koesterden omtrent joodse machinaties tegen de christenen en hun Kerk; vervolgens toont hij aan hoe deze ideeën zich in een meer seculier tijdperk hebben ontwikkeld tot het beeld van joden als parasieten in een maatschappij waaraan ze niets bijdroegen dan corruptie en verval. Men beschouwde de joden als afkerig van alle produktieve arbeid maar bekwaam in financiële manipulaties, en georganiseerd als een geheime macht binnen de maatschappij, waarvan zij alle tekortkomingen aanmoedigden. Tegen het eind van de negentiende eeuw, toen men meer nadruk ging leggen op het denkbeeld 'ras’, vonden deze zogenaamde kenmerken steeds meer weerklank. Dit was een zware slag voor het assimilatiestreven. Goldhagen schrijft: 'Deze gelijktijdige identificatie van het jodendom met nieuwe gedachten over joden als volk enerzijds en van het christendom met Duits-zijn anderzijds heeft een cognitieve en daarmee ook sociale barrière gecreëerd die het voor joden welhaast onmogelijk maakte om als Duitsers geaccepteerd te worden. ’
IN GOLDHAGENS beschrijving van dit proces ontbreken specifieke voorbeelden. Het zou nuttig zijn geweest als hij erop had gewezen dat juist de uitsluiting van joden uit tal van produktieve beroepen inhoud heeft gegeven aan de beschuldiging dat ze de voorkeur gaven aan beroepen waarin gehaaide praktijken van voordeel waren; ook had hij het een en ander kunnen zeggen over de financiële krach van 1873 die, vanwege de reële, zij het ook overdreven schuld van enkele joodse bankiersfirma’s, een sfeer schiep waarin het nieuwe raciale antisemitisme kon opbloeien. Goldhagen is niet zozeer geïnteresseerd in een beschrijving van de historische evolutie van het antisemitisme als wel in de redenering dat het beeld van de jood van na 1875 logischerwijze pleitte voor zijn eliminatie uit de maatschappij. Wel schrijft hij: 'Wat “eliminatie“ - in de zin van Duitsland ontdoen van alles wat joods was - betekende, en op welke manier dat moest gebeuren, was voor velen onduidelijk of vaag, en hierover bestond geen consensus gedurende de periode van het moderne Duitse antisemitisme. Over de noodzaak van eliminatie van het joodse element was iedereen het echter eens. Die volgde uit de gedachte dat de joden indringers waren in de Duitse samenleving.
'Goldhagen gelooft dat de heersende tendens in wat hij eliminationist anti-Semitism noemt in de richting van uitroeiing ging, dat het 'zwanger was van moord’, al voegt hij eraan toe: 'Het enige wat we niet kunnen nagaan - hoe algemeen deze visie op de joden ook was - is hoeveel Duitsers het daarmee eens waren in 1900, 1920, 1933 of 1941.’
Ook kan natuurlijk nooit met enige zekerheid gezegd worden in hoeverre degenen die gewelddadige taal over de joden lieten horen, geloofden in hun eigen retoriek. Hoeveel van degenen die zich zorgen maakten over de aantallen joden die ze in het modieuze uitgaansleven ontmoetten, waren bijvoorbeeld net zo ambivalent als de schrijver Theodor Fontane? Deze schreef in 1881, na een avond in de schouwburg waar twee derde van het publiek uit joden had bestaan, bezorgd in zijn dagboek: ’…te zijner tijd zullen de staat en het proces van wetgeving een helpende hand moeten bieden, anders komen er ongelukken van. ’ Maar in een brief aan zijn dochter uit juni 1890 geeft hij toe dat het hem, telkens wanneer hij een soirée in overwegend christelijke kringen vergeleek met een soirée in joodse kringen, opviel hoeveel meer ontwikkeld, enthousiast en belangstellend de laatsten waren. Daar voegt hij aan toe: 'Tot mijn verdriet ontgroei ik mijn antisemitisme steeds meer, niet omdat ik dat wil, maar omdat ik wel moet. ’ En nogmaals: hoeveel leden van de Conservatieve Partij die vóór het Tivoli-programma van december 1892 hadden gestemd - 'Wij bestrijden de algemene opdringerige en tot ontbinding leidende joodse invloed op ons volksleven , - dachten daarbij aan iets wat maar in de verste verte leek op de uitroeiing van de joden?
Misschien zitten dergelijke overwegingen ernaast, en is het belangrijker dat het joodse vraagstuk in de laatste jaren van de negentiende eeuw en nog sterker tijdens de Weimar-republiek zo eindeloos werd besproken dat men van een nationale obsessie mag spreken, en dat Goldhagen niet overdrijft wanneer hij zegt dat een raciaal antisemitisme, dat zich had voorzien van ongewoon gewelddadige beelden en dat neigingen tot geweld vertoonde, ,bijzonder algemeen voorkwam in alle sociale klassen en groepen van de Duitse maatschappij, aangezien het diep geworteld was in het Duitse culturele en politieke leven en in de gesprekken, en bovendien een integraal onderdeel vormde van de morele maatschappijstructuur’.
Hierdoor kon Hitler ook rekenen op algemene sympathie en steun toen hij begon aan de uitvoering van zijn anti-joodse programma. Hitler had natuurlijk nooit een geheim gemaakt van zijn bedoeling Duitsland te zuiveren van de joden; hij had toegezegd de dreiging van het jodendom overal waar hij het aantrof te elimineren. Deze belofte kon hij pas nakomen nadat zijn veldtocht tegen Rusland de voorwaarden en de ruimte (met name in Polen) voor grootscheepse liquidatie hadden gecreëerd. Intussen voerde hij een programma uit van steeds radicalere maatregelen, bedoeld om de joden van inkomen en burgerrechten te beroven en hen te transformeren tot wat Goldhagen ,maatschappelijk dode’ wezens noemt.
Het meest opvallende aan de uitvoering van dit programma is dat het niet leidde tot protesten van betekenis van de kant van Duitse universiteiten, kerken, rechtbanken of het grote publiek. Zelfs personen die kritisch tegenover andere aspecten van de nazi-politiek stonden, bleven eigenaardig zwijgzaam, althans voordat zich uitwassen als de Reichskristallnacht van november 1938 voordeden. Daardoor hebben de nazi’s in de jaren voor de oorlog hun plannen voor de uitroeiing van de joden kunnen uitwerken zonder bang te hoeven zijn voor het type volksverzet dat het euthanasieprogramma van 1939 had verstoord; ongestoord konden ze het kampensysteem opzetten dat het hoofdkenmerk van het genocideprogramma zou worden.
WAS DE HOLOCAUST de bepalende handeling van het nazi-regime, het kamp - een algemene term voor getto’s en concentratie-, vernietigings-, internerings-, werk- en doorgangskampen - is in Goldhagens ogen de omvangrijkste instelling die het schiep, 'niet alleen vanwege het enorme aantal, niet alleen vanwege de miljoenen mensen die daar hebben geleden, niet alleen vanwege de talloze Duitsers en handlangers van de Duitsers die voor en in die kampen hebben gewerkt, maar ook omdat dit een volkomen nieuw subsysteem van de maatschappij was’.
Het kamp - dat uniek is in de geschiedenis van West-Europa - onderscheidde zich van de andere onderdelen van de maatschappij doordat het eigen instellingen had, een eigen organisatie, eigen regels en specifieke praktijken. Het was een wereld van geweld en vrijheid, waarin Duitsers, bevrijd van wetten en ethische voorschriften, hun slachtoffers konden transformeren tot het beeld dat ze van hen hadden. Het was een wereld van marteling en barbarij, bedoeld om de maatschappij te bevrijden van de valse moraal en de burgerlijke remmingen van het verleden. Dit was, zo schrijft Goldhagen, de apotheose van de nazi-revolutie.
Wanneer men bedenkt dat de nazi’s uiteindelijk meer dan tienduizend kampen hadden, klinken Goldhagens argumenten overtuigend. Dat geldt ook voor wat we de wezenlijkste hoofdstukken van Goldhagens boek moeten noemen: die waarin hij de uitvoering van het moordprogramma bespreekt en de vraag behandelt wie feitelijk en eigenhandig de joden hebben gedood. Sommige schrijvers over nazi-Duitsland hebben maar al te gemakkelijk aangenomen dat het moorden ergens buiten het zicht geschiedde, grotendeels in gaskamers en door SS'ers. Door middel van zijn bechrijving van drie specifieke manieren om te doden - politiebataljons, werkkampen en dodenmarsen - laat Goldhagen zien dat het allemaal heel anders lag.
DE ZOGEHETEN politiebataljons waren eenheden van de ordnungspolizei die speciaal verantwoordelijk waren voor politiecontrole in de bezette gebieden. Vanwege hun mobiele karakter hebben de politiebataljons een aantal activiteiten op het gebied van genocide uitgevoerd, onder meer het ophalen en het naar werk- of concentratiekampen transporteren van joden. Daarbij kwam het vaak tot schietpartijen en martelingen. Goldhagen benadrukt dat deze bataljons geen elitetroepen waren; integendeel, de leden waren willekeurig gekozen, ze kregen een minimale militaire en ideologische opleiding en ze waren geen opvallend vurige nazi’s. over het geheel genomen waren het doodgewone mannen, een behoorlijke dwarsdoorsnede van de Duitse lagere middenklasse, zonder opvallende specifieke kenmerken. Maar ze voerden hun opdrachten zonder klagen uit, soms zelfs met enthousiasme, en achteraf betoonden ze bepaald geen spijt. Goldhagen citeert een voormalig lid van een politiebataljon, een man die in 1960 getuigde: 'lk geloofde in de propaganda dat alle joden misdadigers en Untermenschen waren, en dat zij de oorzaak waren van Duitslands achteruitgang na de Eerste Wereldoorlog. De gedachte om orders tot medewerking aan de uitroeiing van de joden te negeren of te ontwijken, is daarom nooit bij me opgekomen.’
Niet onbelangrijk is, aldus Goldhagen, dat de leden van die eenheden niet verplicht waren deel te nemen aan het moorden. In de negen bataljons die hij bestudeerde, hadden de commandanten bekend gemaakt dat ieder die dacht dat hij dit werk niet kon doen, een andere taak zou krijgen. Goldhagen vond aanwijzingen dat de keuze voor die mogelijkheid geen bestraffing met zich had meegebracht. Maar praktisch alle 4500 mannen van deze negen bataljons hadden ervoor gekozen te doden en velen meldden zich zelfs vrijwillig voor geïmproviseerde zoek- en vernietigingsacties. op foto’s, genomen door leden van deze bataljons, ziet men hen staan in trotse houding, met op hun gezicht een uitdrukking van tevredenheid, van trots op hun prestatie; en in hun vrije tijd maken ze een ontspannen en opgewekte indruk.
Goldhagen noemt een foto die in de herfst van 1942 in Radzyn is gemaakt, een periode waarin politiebataljon 101 aanhoudend in de weer was met massamoorden en deportaties. Hij schrijft: 'Hier ziet men een groepje officieren van de bataljonsstaf en de Eerste Compagnie; ze zitten buiten, rond een lange tafel, samen met de echtgenotes van twee van de officieren, Frau Brand en Frau Wohlauf Ze zitten te drinken, kennelijk in heel opgewekte sfeer. Frau Wohlauf die een brede glimlach vertoont, heeft het zichtbaar naar haar zin.
`HET TWEEDE moordinstrument dat in dit boek besproken wordt, het werkkamp, biedt een intrigerende demonstratie van de manier waarop de obsessieve nazi-ideologie het logische denken dwarsboomde. Naarmate de oorlog vorderde, zat Duitsland ernstig verlegen om werkkrachten. De mobilisering van vrouwelijke werkkrachten werd echter verhinderd door de Gauleiter, de regionale bestuurders, die vonden dat het voor de deutsche Frau und Mutter vernederend zou zijn fabrieksarbeid te doen en dat het bovendien strijdig was met haar eigenlijke rol in de Volksgemeinschaft. Door het anti-joodse beleid kwam een enorm aantal geschoolde arbeiders ter beschikking. Maar in plaats van daar gebruik van te maken, organiseerden de nazi’s hun officiële werkkampen alsof economische overwegingen er niet toe deden en dwongen ze de joodse kampbewoners tot onproduktief, vernederend werk, waarbij ze te weinig eten en nachtrust kregen en gemarteld werden tot ze omvielen en stierven.
Wat was, in de ogen van de nazi’s, de rechtvaardiging van de verspilling van deze potentieel waardevolle bron? Ongetwijfeld het idee dat de joden toch ter dood veroordeeld waren en dat elke arbeid die hun werd toegewezen, slechts een onderbreking van het eliminatieproces was. Bovendien moest die arbeid zo onaangenaam mogelijk worden gemaakt, want de joden moesten immers gestraft worden voor hun misdrijven in het verleden. Goldhagen schrijft: ,Als men een jonge, gezonde, geschoolde arbeider dwingt het touw en de galg waaraan men hem zal ophangen te vervaardigen (met bloedige, opgezwollen, verstijfde handen en ontoereikend gereedschap), dan kan dat alleen beschouwd worden als in economische zin rationeel gebruik van zijn arbeidsvermogen door lieden die hem willen ophangen, en zich niets aantrekken van het verlies van zijn waardevolle produktiviteit.
'Omdat het nazi-denken niet in staat was de tegenstrijdigheid daarvan te doorgronden, vertoonden werkkampen als Majdanek sterftecijfers die niet opvallend veel lager liggen dan die van Auschwitz en andere vernietigingskampen.
HET DERDE moordinstrument was de dwangmars van joden en andere slachtoffers over grote afstanden, waarbij de dood voortdurend aanwezig was of wachtte aan het eind van de tocht. Goldhagen, die de dodenmars 'de lopende analogie van de veewagon ’ noemt, concentreert zich op de marsen die plaatsvonden in de laatste fase van de oorlog, toen Duitsland er hopeloos voor stond en de geallieerde legers van alle kanten het land binnendrongen. In de winter van 1944, toen de nazi’s hun kampen begonnen te sluiten en de gevangenen in lange colonnes onder bewaking van Duitsers en Duitse hulptroepen wegzonden, werden die marsen gekenmerkt door dezelfde irrationaliteit en wreedheid die het kenmerk van de werkkampen waren geweest. Hoewel de logica had kunnen adviseren om de wreedheid tegen de joden stop te zetten en hen vrij te laten of over te dragen aan de geallieerden (en hoewel Heinrich Himmler, in zijn poging tot onderhandelingen met de Amerikanen, zelfs bevolen had het moorden te beëindigen), bleven de Duitse bewakers trouw aan hun genocidale haat voor de joden. Ze dreven hen zinloos door winterse landschappen naar een bestemming die zelfs zij niet kenden, ze onthielden hun voedsel en water, sloegen ze en schoten ze dood wanneer ze niet meer verder konden. Zo demonstreerden ze dat het doel van de marsen geen eventuele aankomst was, maar moord op de mensen die erin meeliepen. Goldhagen beschrijft de mars van een gemengde colonne van joodse en niet-joodse Poolse en Russische vrouwen van Helmbrechts in Oberfranken naar Prachatitz aan de Tsjechische grens, waarbij de nietjoodse vrouwen met enige zorg werden behandeld, maar de joodse vrouwen zo gruwelijk mishandeld werden dat ten minste 178 (en misschien wel 275) van de 580 voor het einde dood waren. Hoewel deze mars over Duits grondgebied ging, probeerde niemand in de dorpen die ze passeerden tussenbeide te komen terwille van de joden.
Op de omslag van Hitler,s Willing Executioners belooft de uitgever ons dat dit boek onze visie op de Holocaust en nazi-Duitsland totaal zal veranderen. Dat lijkt onwaarschijnlijk, althans voor lezers die de literatuur over deze onderwerpen hebben gevolgd. De belangrijkste algemene conclusies - namelijk dat heel veel Duitsers de joden kwijt wilden lang voordat Hitler aan de macht kwam, dat niemand, toen de uitroeiing eenmaal was begonnen, durfde opstaan om hen te verdedigen, en dat veel meer mensen aan de slachting hebben deelgenomen dan oorspronkelijk werd verondersteld - zijn al lange tijd tamelijk bekend. Enkele van de verhalen die Goldhagen heeft gereconstrueerd ter ondersteuning van die conclusies, zijn echter bijzonder beklemmend en gruwelijk, vooral waar ze zich concentreren op aspecten van de vervolging die zelden aandacht hebben gekregen, zoals de dodenmarsen. Bovendien zijn Goldhagens opmerkingen over het kampsysteem als centraal element van de nazi-revolutie scherpzinnig en hoort zijn uitvoerige research naar de verschillende instrumenten voor de genocide een voorbeeld te zijn voor toekomstige Holocaust-onderzoekers.